Histories

» Show All     «Prev «1 ... 570 571 572 573 574 575 576 577 578 ... 596» Next»

Uit Marjo Nederlof, Eerlijkman 1880-1713

achterflap en pagina’s 58 t/m 63.

Op 4 oktober 1710arriveerde een konvooi schepen van de West-Indische Compagnie in de SintAnnabaai. Aan boord van d' Jonge Isaac bevond zich de nieuwe kapitein-luitenantover de Curaçaose militie, Pieter de Senilh, met zijn vrouw Eva, plus zijnschoonmoeder en schoonzusje. De nieuwe kapitein-luitenant was een ervarenmilitair. Hij was tien jaar in dienst van het leger van de Verenigde Provinciëngeweest (het Staatse leger) en had deelgenomen aan diverse belegeringen en veldslagentijdens de Spaanse Successieoorlog (1702-1713) voordat hij op Curaçao kwam.Enkele weken na Pieters aankomst werd de toenmalige directeur, Abraham Beck,vergiftigd. Al snel ontdekte Pieter dat Becks opvolger, waarnemend directeurJeremias van Collen, corrupt was en handel dreef met de Franse vijand. VanCollen zette de kapitein-luitenant daarop gevangen met de bedoeling hem terdood te laten veroordelen en ontsloeg de anti-Franse Raad/rechtbank met wie hijsamen het eiland bestuurde. Van Collens beleid zou desastreuze gevolgen voor deCuraçaose bevolking krijgen. Ook met Pieter de Senilh zou het uiteindelijkslecht aflopen,

Bovenstaande is waargebeurd.

De gegevens voor ditboek zijn gevonden in talloze brieven, processtukken en gewaarmerkte kopieën indiverse archieven in binnen- en buitenland. Omdat Pieter de Senilh ruzies in deRaad woordelijk weergaf (en de feiten via brieven van anderen bevestigd werden)is een levendig beeld ontstaan van de manier waarop men begin achttiende eeuwmet elkaar omging, hoe er werd bestuurd en recht werd gesproken.

 JEREMIAS VAN COLLEN

Waarnemend directeur Jeremias van Collenwas een gezette man van rond de veertig. Van vaderszijde was kwam hij uit de Amsterdamse patriciërsfamilie Van Collen. Zijn in Amsterdam geboren grootvader Jeremias sr. was al vroeg in de zeventiende eeuw koopman op Italië, Spanje en het Caribisch gebied. Het ging zijn grootvader zo voor de wind, dat die in 1639 de herenhofstede Velserbeek nabij IJmuiden kon kopen. In 1656 liet hij zich met zijn echtgenote Susanna en hun twaalfkinderen portretteren door debefaamde schilder Pieter van Anraedt, met op de achtergrond het land­goed (Afb. 12). Op het schilderij staan onderanderen de dan driejarige Jan Petro (ookwel Juan Pedro genoemd) en diens vijfjarige broer Ferdinand. Juan Pedro werd later de vader van de CuraçaoseJeremias. Ferdinand zou later een vande Heeren X van de WIC worden.

Zo'n vijftien jaar nahet maken van dit familieportret sloeg het noodlot toe: grootvader Van Collen ging failliet. Via zijncontacten bij de WIC pro­beerde hij weer aan deslag te komen, maar het was daarvoor een slechte tijd: in 1674 was de eerste WIC ontbonden en had in afgeslankte vorm een doorstart naar de tweede WIC gemaakt. Hij kreeg wel ietste doen, maar een aantal takenwerden hem in 1678 weer afgenomen. In dat jaar hadden de Heeren X inzake Jeremias sr. 'deliberatiën off men het commisariaat [voor Jeremias sr.] ook zal mortificeren'.

De functie zelf werdniet opgeheven, want een week na het overlijden van de toen 70-jarige Jeremias sr., in juni 1679, werd diens zoon JuanPedro aangesteld tot 'commissaris' op Curaçao.De 25-jarige Juan Pedro had zich enkelejaren daarvoor al op het eiland gevestigd.

 

Van moederszijde kwamprovisioneel directeur Jeremias uit een van de oudste families van het eiland. Zijn grootvader van moederskant was Jan Pietersz 'van Oxfort', die in 1651 in het Ruyterkwartierwas gaan wonen en die in 1684 stierf alscornet over de ruiterij (Afb. 13). Zijn moeder, Elizabeth van Oxfort, trouwde rond 1675 met Juan Pedro en kregen nietlang hierna een zoon, die een echte 'Van Collen'-naam kreeg: Jeremias,zo genoemd naar zijn overgrootvader,zijn grootvader en een van zijn ooms.

Jeremias' vader overleed in juli 1681 en zijn moederhertrouwde vóór 1689 met Johannes Goetvriend, een zakenman die onder meerscheepsbenodigdheden als hout en zeildoek aande Compagnie leverde. Bij hem kreeg zij eendochter, Anna. Ze woonden toen in de Heerenstraat aan de oost­zijde.

 

In 1686 was een nieuwedirecteur met zijn gezin op het eiland gearriveerd, de uit Amsterdam afkomstigeWIC-bewindhebber Willem Kerck­rinck sr. metzijn vrouw Emerentia en hun dochters Anna en Clara en zoon Willem jr. Anna had toen al bijna de huwbare leeftijd entrouwde niet lang daarna met BastiaanBernagie, die in 1682 als assistent naar Curaçao was gegaan.Dankzij zijn huwelijk met de directeursdochter klom Bernagie al snel op tot commissaris over de slavenhandel.

Jeremias zorgde ervooreen goed huwelijk te sluiten: hij verleidde in 1795 Kerckrincks tweede dochter, de toen 15-jarige Clara, en kreeg bij haarin 1696 een zoon die hij naar zijnoverleden vader vernoemde: Juan Pedro. Kerckrincksr. moet een hekel aan van Collen hebbengehad, want hij stelde de Heeren Xniet voor om Van Collen in dienst van de WIC te laten treden.Het was Jeremias zwager Bastiaan Bernagie, die in 1693 Kerckrinck na diens overlijden als directeurwas opgevolgd, die in 1700 zijnsollicitatie naar de post vancommissaris over de 'trein envivres' ondersteunde. Samen zoudenzij het belangrijkste koppel van het eiland worden. Maar een paar maanden nadat Van Collens benoeming op 25 mei 1701afkwam, overleed Bernagie. In diensplaats werd een buitenstaander tot directeur aangesteld: Nicolaas van Beek, dievanaf 1689 commandeur te Bonaire was geweest.

 

Bij de komst van Van Beek waren twee personen in de Raaddiep teleur­gesteld: commissaris over de 'treinen vivres' Jeremias van Collen encommissaris over de slavenhandel GerardLuls. Het moet Luls zijn tegengeval­lendat niet hij, als ervaren bestuurder, maar de relatief onervaren Van Beekdirecteur was geworden. Op Bonaire was immers niet veel meer te besturen dan de productie van zout door de slaven die in dezoutpannen werkten en een enkelecompagnieplantage die het overtollige maïs naar Curaçao stuur­de. Dat was niet te vergelijken met wat er op Curaçaoallemaal omging. De slavenhandel floreerdein 1701 nog en als commissaris over de slavenhan­del had Luls het heel wat drukker dan Van Beek het op Bonaire had gehad. Alleen al in 1701 arriveerden zes schepen met in totaal2858 slaven die de oversteek haddenoverleefd. Onder Luls' supervisie waren ze geselecteerd, gebrandmerkt en naarde compagnieplantages overgebracht, vervolgens verkocht en aan de Heeren X verantwoord.

Luls en Van Collen sloten al snel een pact. Samen hieldenzij Van Beek nauwlettend in de gaten, wat er opneerkwam dat zij hem het leven zo zuur mogelijkmaakten. Van Collen en Luls beschuldigden de nieuwe directeur er onder meer van dat hij oogluikend toestond dat dienszwager, koopman­planter Floris van Taerlingh, zijn plantageAscension vergrootte ten koste van deaanpalende compagnieplantage Leliënberg.

Nicolaas van Beek vond op zijn beurt dat met name Lulszich teveel met zijn directiebemoeide. Nadat Luls in de Raad in een civiele zaak een andere mening had gehad dan hijzelf, liet Van Beek hem met eenschildwacht voor zijn deur in arreststellen en zond hij hem per eerste gelegenheid terug naar Holland. De Heeren X retourneerden Luls echter perommegaande en Van Beek kreeg eenreprimande. Zijn contract werd in 1704 niet verlengd.

In afwachting van dekomst van de directeur die Van Beek moest op­volgen, werden de commissarissen Van Collen en Luls in 1704 door de Raad samen tot 'provisioneel directeur' aangewezen. Toenin datzelfde jaar directeur Jacob Beekarriveerde, was het voor Van Collen en Luls zaak om denieuwe directeur zo snel mogelijk aan hun kant te krijgen.

 

JacobBeck was een weduwnaar die in het vaderland een paar minderja­rige kinderen had achtergelaten. Hij werd doorJeremias van Collen en zijn vrouw Clara als een vorst binnengehaald en wèldrableken de aan hem ge­spendeerdeetentjes en andere beleefdheden vrucht af te werpen, want be­gin 1706 trouwde Jacob Beck met Van Collensschoonzus, de weduwe Anna Bernagie-Kerckrinck. Door dat huwelijk werdJeremias van Collen voor de tweede maalzwager van de zittende directeur.

In de jaren 1707 en 1708 had hij het dan ook goed voorelkaar. Direc­teur was zijn zwagerJacob Beek, die vaak ziek was en dus veel aan hem overliet.Hijzelf was tweede man. De derde man, kapitein-luitenant Expa­lude, was zo goed steeds 'flauwtes en stuypen'te krijgen en daar in 1708 ook aan teoverlijden. Hierdoor werd zijn vriend commissaris Gerard Luls der­de in rang. Kort daarna nam Van Collens stiefvaderJan Goetvriend zitting in de Raad alsburgerkapitein. In Van Collens visie ging het bestuur op Curaçao in die jaren heel goed: het werd steedsmeer een familieaangelegen­heid.

Het ging Van Collenvooral na 1707 financieel voor de wind. In 1702 en 1707 kreeg hij nog belastingaanslagen van 20 pesos (bijeen maximale aan­slag van 50 pesos),maar in 1713 zou hij tot de vier rijkste personen van het eiland behoren. Endat in een economisch slechte tijd.

 

Jacob Beck keerde begin 1709 terug naar Holland en weer werd Van Collen provisioneel directeur, maar nu zonder Luls naast zich. Hij moet ervan overtuigd zijn geweest dat de Heeren X hem nu als 'vaste' directeur zouden aanstellen.. Hij was immers al bijna negen jaar in dienst als commissaris en zijn zwager Jacob Beck had een aanbevelingsbrief voor hem geschreven. Hij was nu voor de tweede keer waarnemend directeur en mocht zich dus ervaren noemen. Bovendien had hij familie onder de Heeren X: zijn oom Ferdinand 'de jonge'. Zijn kostje leek gekocht.

Het overlijden van zijnstiefvader Goetvriend in het voorjaar van 1709 was een eerste tegenvaller. Daarmee verloor hij een medestander in de Raad. De tweede, veel zwaardere tegenslag was dat hetkonvooi schepen dat in juni 1709 arriveerde niet zijn benoemingspapieren meebracht, maar de nieuwe directeur: Abraham Beck. Jeremias van Collenwas voor de twee­de maal gepasseerd.

Voorde buitenwacht slikte Van Collen zijn teleurstelling in. Hij veinsde enthousiasme over Abraham Becks komst. Misschien hoopte hij ook deze Beck te kunnen manipuleren, maar hijbesefte al snel dat er onder Abraham Beck een andere wind waaide dan onder diens naamgenoot Jacob. Abra­ham Beck vroeg hem verantwoording af te leggen over de boekhouding van het voorgaande half jaar en confronteerde hem met de geruchten over verkoop van goederen aan de Franse vijand in 1708. Dit laatste had Van Collen in alle toonaarden ontkend, maar hij wist vanaf dat moment dat Abraham Beck hem scherp in de gaten zou houden. Abraham Beck ont­nam hem de mogelijkheid zich verder te verrijken ten koste van de WIC. Zijn macht was tanende. Het zat hem dwars. Een onaantastbare positie, zou hij later in iets andere bewoordingen aan de Heeren X schrijven, was voor hem wel 'hetprincipaalste' in het leven.

De dood van Abraham Beck kwam hem bijzonder goed uit. Hierdoor werd hij voor de derde maal provisioneel directeur. Het overlijdensbericht zou pas in maart of april 1711 Holland bereiken en niet eerder dan in het najaar zou door de Heeren X worden vergaderd over Abraham Becks op­volging. De kans dat de Heeren X hem weer zouden passeren was niet groot, maar zelfs als dat gebeurde, zou de nieuwe directeur niet eerder dan inmaart of april 1712 arriveren. Van oktober 1710 tot april 1712 had hij, Jeremias van Collen, het weer voor het zeggen.


De twee illustraties (Afb. 12 en 13) waarnaar in de tekstwordt gerefereerd, zijn als foto’s op deze familie site te bezichtigen.


Linked toJeremias van Collen

» Show All     «Prev «1 ... 570 571 572 573 574 575 576 577 578 ... 596» Next»




Home Page |  What's New |  Most Wanted |  Surnames |  Photos |  Histories |  Documents |  Cemeteries |  Places |  Dates |  Reports |  Sources