Veel gestelde vragen This is a new feature at this site. An interactive way to talk about the genealogies

Bookmark

Suriname



 



Tree: Veenkoloniale voorouders
Notes: Suriname is een republiek aan de noordoostkust van Zuid-Amerika.
Het grenst in het oosten aan Frans-Guyana, in het westen aan Guyana (voormalig Brits Guiana), in het zuiden aan Brazilië en in het noorden aan de Atlantische Oceaan. Suriname heeft zowel met Guyana als met Frans-Guyana een grensgeschil. Het land is 163.820 km² groot en heeft een kustlijn van 386 km.
De eerste kolonisatie vond vanaf 1650 plaats door de Britten. Tijdens de Tweede Engelse Oorlog werd Suriname in 1667 door Abraham Crijnssen veroverd op de Engelsen. Bij de Vrede van Breda zagen de Nederlanders voorlopig af van de teruggave van de door de Britten ingenomen Nederlandse kolonie Nieuw-Nederland (de huidige staat New York); op hun beurt eisten de Engelsen niet meteen dat Suriname ontruimd zou worden. Men spreekt hierom wel van een "ruil" van beide gebieden. Na de Derde Engelse Oorlog werd deze feitelijke toestand in 1674 de officiële door de Vrede van Westminster. In 1683 werd de Sociëteit van Suriname opgericht. De eerste gouverneur van Suriname was Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck. De stad Amsterdam en de West-Indische Compagnie bezaten de overige tweederde. Aan het einde van de 18e eeuw ging de WIC failliet en de familie Van Aerssen verkocht haar bezit. Amsterdam was toen de enige belanghebbende. De naburige koloniën Berbice en Essequibo, ongeveer het huidige Guyana, werden reeds enkele decennia gekoloniseerd door Nederlanders. Suriname, Berbice en Essequibo vormen het zogenaamde Nederlands Guiana.
Nederlands Guiana werd in 1815 nog eens verdeeld in Suriname, dat in Nederlands bezit bleef, en het huidige Guyana, dat een Britse kolonie werd: Brits Guiana. In 1954 verkreeg Suriname een semi-autonome status binnen Koninkrijksverband. Op 25 november 1975 werd Suriname onafhankelijk. Gouverneur Ferrier, premier Den Uyl en Koningin Juliana ondertekenden het verdrag. Sindsdien is de officiële benaming Republiek Suriname (zie toescheidingsovereenkomst). Van 1980 tot 1989 was Suriname een dictatuur onder legerleider Desi Bouterse. Sindsdien is Suriname gaandeweg gestabiliseerd, al blijven de banden met Nederland enigszins stroef.
In 2006 werd Suriname in het zuiden van het land door zware overstromingen getroffen.
Prehistorie
Archeologische opgravingen wijzen erop dat de geschiedenis van Suriname begon rond 10.000 voor Christus toen de eerste Palaeolitische jagers zich vestigden in Zuid-Suriname. Waarschijnlijk zijn deze echter niet lang gebleven.
Arawak-cultuur
Rond 3000 voor Christus ontstonden in het centrale Amazonebekken in de omgeving van Manaus (Brazilië) de eerste vormen van landbouw. De stam die hier woonde werd daardoor steeds talrijker. De taal die hier werd gesproken was het proto-Arowak. Er kwam een migratiestroom op gang, waarbij gezocht werd naar nieuwe goede alluviale landbouwgronden, voornamelijk langs rivieren. Omdat de Amazone stroomafwaarts al werd bewoond door andere Tupie sprekende stammen, trokken deze Arowakken (Kali'na) stroomopwaarts richting de Rio Negro en de Orinoco.
Rond 500 na Christus trokken afstammelingen van deze Arowakken van deze Mabaruma-cultuurfase vanuit het Westen het laagland van de Guyana's binnen en verdreven waarschijnlijk de Surinen, een primitief volk dat leefde van visvangst en schelpdieren. Van deze Surinen is waarschijnlijk de naam Suriname afkomstig. De Arowakken vestigden zich vooral langs de kust, maar trokken ook via de rivieren het binnenland in, tot aan de stroomversnellingen van Wonotobo, waar overblijfselen van deze stammen zijn gevonden. De Arowakken vormden waarschijnlijk een goed ontwikkelde beschaving die vanwege de veel voorkomende overstromingen in de moerassen van het kustgebied kleiterpen opwierpen om hun vruchtbare landbouwgrond en woongebied te beschermen. Ze waren vooral landbouwers, vissers en verzamelaars. Ze cultiveerden de cassave, ananas, kalebas, papaja, tabak, katoen en pijlriet en richtten zo een bloeiende samenleving op.
Andere stammen
Naast de Arowakken vestigden zich verder onder andere (soms op beperkte schaal) de volgende stammen:
* Mabaruma (rond 300 in West-Suriname)
* Hertenrits (rond 600 in West-Suriname, hadden ook kleiterpen)
* Peruvia (rond 700 in West-Suriname)
* Warrau (rond 1000 in West-Suriname)
* Kwatta (rond 800 in Centraal Suriname)
* Barbakoeba (rond 1000 in Oost-Suriname)
* Akurio
* Trió
* Wayarekule
* Wayana
Karaïbentijdperk
Rond 1200 na Christus werd het gebied binnengevallen door de Koriabo (Karaïben) die onder andere de Arowakken verdreven van hun landbouwgronden en daarmee de landbouwcultuur ineen deden storten. De Arowakken gingen daarna weer over op slash & burn-landbouw in het binnenland. De Koriabo veroverden vooral de kuststreken en rivieroevers. Deze tijd wordt ook wel aangeduid als de Koriabo-cultuurfase, naar de Koraibo kreek in Guyana, waar de eerste overblijfselen van hun periode werden gevonden.
Kolonisatie
In 1492, toen Columbus op de Antillen landde, waren de gevechten tussen de Koriabo's en Arowakken nog steeds bezig. Columbus werd gewaarschuwd door de lokale inwoners van de Antillen voor dit agressieve volk en voer het gebied pas voorbij in 1498. In 1499 bezochten de ontdekkingsreizigers Amerigo Vespucci (waar Amerika naar vernoemd is) en Alonso de Ojeda het gebied. Alonso de Ojeda was de eerste die landde op de kust, bij de Marowijne. Na nog een aantal bezoeken, vestigden zich in 1581 de eerste Nederlanders in het gebied, dat wel aangeduid werd als de Wilde Kust. Deze vestiging werd evenals andere vestigingen weer opgeheven, onder andere vanwege de tegenstand door de lokale stammen. In 1621 verkreeg de West-Indische Compagnie het als octrooigebied. In 1627 ontstond de eerste blijvende vestiging door Nederlanders in Berbice, gevolgd door een vestiging in 1651 van de Engelsen aan de Surinamerivier onder leiding van de Britse gouverneur van Barbados, Lord Francis Willoughby (in 1630 was er al een eerdere poging gedaan om een Engelse kolonie te stichten door een kapitein genaamd Marshall die er tabak plantten, maar deze onderneming mislukte). De expeditie van 1651 stond onder leiding van Anthony Rowse die er een kolonie stichtte onder de naam Willoughbyland. Deze kolonie bestond uit 500 suikerplantages en het fort Willoughby. Het werk werd vooral gedaan door de 2000 slaven in de kolonie. De 1000 kolonisten werden al snel gevolgd door andere Europeanen en Portugese joden uit Mauritsstad in Nederlands-Brazilië. Deze laatsten stichtten in Suriname Jodensavanne, een van de belangrijkste kolonisatievestigingen van Suriname gedurende de 16e tot de 18e eeuw.
Nederlands Guiana en Nieuw Amsterdam
De Engelsen hielden het gebied onder beheer tot 27 februari 1667, toen de Zeeuw Abraham Crijnssen het gebied en het fort veroverde op de Engelsen tijdens de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog. Crijnssen hernoemde het fort tot Fort Zeelandia. Door de Vrede van Breda, die werd getekend op 31 juli 1667, mocht de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden het feitelijk in bezit houden (in ruil voor Nieuw-Nederland dat de Engelsen hadden veroverd in 1664). Bij de Vrede van Westminster werd deze status quo officieel, nadat de Britten Suriname hadden heroverd en weer verloren in 1667 en de Hollanders Nieuw-Amsterdam hadden heroverd in 1673 tijdens de Derde Engels-Nederlandse Oorlog (en dus definitief afstonden in 1674). Willoughbyland en andere Nederlandse bezittingen in en rond Suriname werden bekend als Nederlands Guiana.
Plantagelandbouw en de Bakabusi Nengre
In de eerste helft van de 18e eeuw maakte de landbouw een bloeitijd door in Suriname, mede doordat de Hollanders de slavenhandel gedeeltelijk beheersten en er dus massaal Afrikaanse slaven konden worden aangevoerd voor het werk op de plantages. De behandeling van deze slaven was zeer slecht. Vele negroïde slaven probeerden te ontsnappen naar het oerwoud en vestigden zich daar in gemeenschappen die eerst bekend werden als Bakabusi Nengre (Bosnegers) en later als Marrons. Zij kwamen regelmatig terug naar de plantages om ze aan te vallen en meer slaven te bevrijden. De Marrons vormden een bufferzone tussen de Hollanders die zich aan de kust en aan de rivieroevers vestigden en de nog niet onderworpen indiaanse stammen in het binnenland.
In 1760 sloten de Hollanders een vredesverdrag met de Ndyuka Marrons, de latere Aukaners, die daarbij als vrije groep werden erkend. In 1762 volgde een vergelijkbaar verdrag met de Saramaccaners, en in 1767 met de Matawai. Bekende guerrillaleiders waren Benti Basiton die een belangrijke rol speelde bij het verdrag van 1760, Boni (1730-1793), die zijn basis had in Fort Buku in de moerasachtige kustgebieden van Commewijne en kapitein Broos (1821-1881) die belangrijk was voor de afschaffing van de slavernij ("vrijverklaring") in 1863.
Arriverende groepen Europeanen
* de Labadisten in 1684
* de Hernhutters oftewel zendelingen van de Evangelische Broeder Gemeente vanaf 1735
* Lutherse Protestanten sinds 1740
* Paltser en Bazeler boeren rond 1749
* Duitse kolonisten o.l.v. Von Bülow in 1756
* een tweede groep Duitse kolonisten in 1896
* de Boeroes uit Nederland in 1845
Suriname ten tijde van Napoleon
Na de de annexatie van de Bataafse Republiek bij Frankrijk in 1795 veroverden de Britten in 1796 Berbice en, omdat er in Suriname een relatief grote groep patriotten woonde die het bevel van de gevluchtte Stadhouder Willem V om de Engelsen toe te laten in de havens weigerde te aanvaarden, pas in 1799 Nederlands Guiana. De Hollanders hadden namelijk ook vanuit de Bataafse Republiek de opdracht gekregen om de Fransen als vrienden te beschouwen en de Nederlandse Staten-Generaal moesten gehoorzamen. De Engelsen zorgden, onder leiding van de Nederlandse gouverneur Jurriaan François de Frederici voor welvaart in de koloniën Berbice, Demerara en Essequebo, waardoor de bevolking daar steeds Engelsgezinder werd en ook steeds meer Engelse kolonisten naar het gebied kwamen om er plantagelandbouw te stichtten. Rond 1800 waren er in Berbice ongeveer 300 en Demerara en Essequebo ongeveer 400 plantages. Doordat men massaproductie wilde leveren voor de Europese markt, moest men vanwege het gebrek aan mechanische landbouw zorgen voor goedkope arbeid. Omdat een negerslaaf in zijn leven net zo veel kostte als een blanke contractarbeider in 10 jaar, werden massaal slaven ingevoerd uit Afrika. In de drie koloniën verdubbelde het aantal slaven in tien jaar tijd en nam de productie van katoen, koffie en suiker sterk toe. De bezetting van Suriname zorgde echter voor een achteruitgang van de economie.
Bij de Vrede van Amiens in 1802 werden beide Nederlandse koloniën weer teruggegeven aan de Hollanders. De patriotten in de Bataafse Republiek waren niet blij met het feit dat Frederici de kant van de Engelsen had gekozen en hij werd daarop afgezet als gouverneur. Omdat het patriottistische bestuur het de Engelse kolonisten daarop behoorlijk lastig maakte, raakten de Engelse kolonisten en andere bewoners van Berbice, Demerara en Essequebo ontevreden en een groot deel had plannen om weer terug te keren uit deze gebieden. Daarop werden de koloniën in 1803 opnieuw veroverd door de Engelsen. Zij stelden twee Nederlandse gouverneurs aan over de koloniën Berbice, Demarara en Essequebo; Antony Beaujau en Van Imbyze van Batenburg.
In 1804 werd Suriname ook weer veroverd door de Engelsen. Tijdens de eerste en tweede Engelse bezetting werden veel zaken op Engelse manier ingericht. Een voorbeeld was de instelling van Engelse verkeersregels die nu bijvoorbeeld nog terug te zien zijn in het feit dat men in Suriname links rijdt. Belangrijker waren echter de verordening van 1807 dat alle officiële stukken voortaan in twee talen moesten worden opgesteld en dat bij alle officiële functies gold dat ze bij voorkeur aan Engelsen zouden moeten worden gegeven, al werd hier slechts weinig gebruik van gemaakt. In Dememara was vanaf 1808 de steun van de zendelingen van de London Missionary Society met name van belang voor de verengelsing van deze kolonie. Ook stimuleerde de Engelse regering haar Engelse en Schotse onderdanen om te emigreren naar o.a. Suriname. De emigranten kregen plantages en slaven als tegemoetkoming.
Nadat Napoleon was verslagen, werd Suriname in 1815 weer teruggegeven aan het nieuwe Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. De Engelsen en Schotten bleven daarbij in het bezit van hun plantages en slaven. Berbice, Demerara en Essequebo werden echter niet teruggegeven en vormden vanaf 1815 de kolonie Brits Guiana. Suriname werd vanaf 1815 bekend als Nederlands Suriname.
19e eeuw: slaven en vrijen
In de 19e eeuw ging de plantagelandbouw door. De Engelsen schaften de slavernij af in 1834, maar de Nederlanders pas als laatsten van Europa in 1863. Suriname stond wereldwijd bekend als een oord waar het meest wreed omgegaan werd met slaven. In ruim 200 jaar werden ongeveer 550.000 slaven vanuit Afrika door Nederlanders naar de koloniën getransporteerd. Bij de afschaffing was er echter nog maar een populatie van rond 35.000 slaven, waarvan 30% in Suriname was geboren. Dit wordt geweten aan:
* het feit dat vooral mannen naar Suriname werden gebracht en er door gebrek aan vrouwen dus geen grote zwarte bevolking kon ontstaan
* door grote sterfte door ziekten
* door slechte behandeling door slavenhandelaren en slavenmeesters; de Hollanders beheersten de slavenhandel en slaven waren dus erg goedkoop en de hoge sterfte zorgde er weer voor dat er steeds vraag was naar nieuwe slaven.
Zowel slaven als gekleurden werden als minderwaardige 'wezens' beschouwd, die omdat ze "ongelovige honden" waren moesten worden behandeld als honden, omdat ze anders te mondig zouden worden. Zelfs na de afschaffing waren de zwarten niet vrij: Tot 1873 moesten ze verplicht werken tegen betaling op de plantages omdat deze anders zou instorten. In deze overgangsperiode werden vooral Chinese contractarbeiders geronseld. Na 1873 werden grote aantallen contractarbeiders geworven in Brits India (Hindoestanen). Hieraan maakte Mohandas Gandhi in 1916 een einde. In de periode tot aan de Tweede Wereldoorlog werden vooral op Java arbeiders geworven (Javanen).
Begin 20e eeuw
In de 20e eeuw werden de natuurlijke hulpbronnen van Suriname ontwikkeld, als rubber, goud en vooral bauxiet. Het bedrijf Alcoa uit de VS verwierf een groot gedeelte van Suriname voor de winning van bauxiet voor de productie van aluminium. In 1904 werd tijdens de goudkoorts de Lawaspoorweg aangelegd tussen Paramaribo en het Lawagebied in Oost-Suriname waar goud was gevonden, wat voor veel werk zorgde. Later werd deze spoorlijn ingekort door het ontstaan van het stuwmeer Prof. dr. ir. W.J. van Blommesteinmeer voor Suralco en in de jaren '80 verdween de lijn. De jaren '30 waren een zware tijd voor Suriname. Door de wereldcrisis ontstond er grote werkloosheid en ook Surinaamse gastarbeiders op Curaçao en andere eilanden van de Nederlandse Antillen keerden terug naar Suriname omdat er geen werk meer was, waardoor het probleem nog werd vergroot. En er kwamen geen gelden meer binnen en er kwamen nog meer werklozen bij. In de jaren '30 werden om werk te verschaffen wegen aangelegd naar Domburg en Groningen en werd de Meursweg aangelegd. Door het Leger des Heils werd een gaarkeuken opgezet om de ergste nood te ledigen. Het was echter niet voldoende en er ontstond grote onrust onder de bevolking, die in 1931 leidde tot betogingen en straatrellen, waarbij er werd geplunderd. Nationalist Anton de Kom kwam daarop naar Suriname om er een werknemersorganisatie op te zetten: Hij vestigde er een adviesbureau, maar toen hij een betoging organiseerde tegen gouverneur Kielstra werd hij gevangen gezet. Een betoging om hem vrij te krijgen leidde tot Zwarte Dinsdag, waarbij 2 mensen werden doodgeschoten. De Kom werd daarop op een boot naar Nederland gezet. Premier Colijn verklaarde in 1935 in de Tweede Kamer:
"Alles wat in Suriname is beproefd, het is alles eenvoudig mislukt. De dingen zijn niet gemakkelijk. En daarom wilde ik wel, dat er eenmaal in Nederland iemand opstond die wel wist wat er gedaan zou kunnen worden. Ik doe het mogelijke."
Tegen de start van de Tweede Wereldoorlog was de situatie echter weer wat verbeterd.

OpenStreetMap

City/Town : Latitude: 4.3, Longitude: -56


Birth

Matches 1 to 5 of 5

   Last Name, Given Name(s)    Birth    Person ID   Tree 
1 de Both, Maria Elizabeth  11 Jun 1864Suriname I398963 Veenkoloniale voorouders 
2 Brakke, Adolf Willem  26 Sep 1901Suriname I744232 Veenkoloniale voorouders 
3 Lissone, Pauline Francisca Maria  Abt 1848Suriname I548985 Veenkoloniale voorouders 
4 Lodding, Anna Maria  1854Suriname I470684 Veenkoloniale voorouders 
5 Pardo y Franco, David Haim de Abraham  1754Suriname I119907 Veenkoloniale voorouders 

Died

Matches 1 to 7 of 7

   Last Name, Given Name(s)    Died    Person ID   Tree 
1 Bomers, Henricus  04 Jul 1965Suriname I719289 Veenkoloniale voorouders 
2 Brakke, Adolf Willem  28 Feb 1977Suriname I744232 Veenkoloniale voorouders 
3 Guljé, Adam Henri  30 Jun 1828Suriname I616507 Veenkoloniale voorouders 
4 Liefhebber, Jan  29 Jan 1864Suriname I589939 Veenkoloniale voorouders 
5 Moquette, Pierre  29 Oct 1839Suriname I278572 Veenkoloniale voorouders 
6 Regtop, Henriëtte Eleonora  02 Oct 1966Suriname I609125 Veenkoloniale voorouders 
7 Veenma, Helmer  25 Aug 1866Suriname I144972 Veenkoloniale voorouders 

Married

Matches 1 to 1 of 1

   Family    Married    Family ID   Tree 
1 Tombe / Borgesius  10 Dec 1760Suriname F230799 Veenkoloniale voorouders 

Calendar

 


This site powered by The Next Generation of Genealogy Sitebuilding ©, written by Darrin Lythgoe 2001-2020.