Histories

» Show All     «Prev «1 ... 249 250 251 252 253 254 255 256 257 ... 425» Next»

OSSENBROEK



Deze Hollandsche ritmeester wondde Cond? bij den door- en overtogt van den Rijn (1672) met een pistoolschot aan zijne hand. Deze wond was de eenige, die hij in al zijne veldtogten heeft bekomen, en van veel gewigt, wijl zij hem een tijd lang buiten gevecht stelde, en den aanslag op Amsterdam verhinderde.
Voltaire, si?cle de Louis XIV; Bosscha, Ne?rl. heldend. te land bl. 60, 61.
Eeckhoff, Geschied. v. Friesl. bl. 266, 470; Nyhoff, Bijdr. D. I bl. 93.

Stad in de storm

Thea Beckman. Druk 21. Pagina 111 en verder.

Dit gedeelte gaat over de Franse inval in Nederland op 12 juni 1672. De Franse legers steken bij Lobith (bij het tolhuis) de Rijn over. Kapitein Ossenbroek is ??n van de hoofdpersonen van dit verhaal.
N.B. Historici menen dat hij Kapitein Matthijs van Osenbrugge kan zijn. Hij was in direkt contact met Prins Willem Frederik van Oranje Nassau.

Lodewijk II de Bourbon, Prins van Cond? (Parijs, 7 september 1621 - Kasteel Fontainebleau, 11 december 1686), door Lodewijk XIV de Grote Cond? genaamd, was een Frans militair genie, een van de bekwaamste veldheren in de 17e eeuw. Hij was een telg uit het huis Bourbon-Cond? en sinds zijn 5e hertog van Enghien. Hij was verwant aan de Franse koning Lodewijk XIII en een Prins van den bloede.
In 1672 ondernam Cond? een veldtocht tegen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden met als doel het Franse grondgebied naar het noorden uit te breiden.

Gedeelte uit Stad in de storm
In 1672 ondernam Cond? een veldtocht tegen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden met als doel het Franse grondgebied naar het noorden uit te breiden.

Toen de Franse krijgsmacht de Rijn naderde ter hoogte van de Elterberg, ging generaal De Montbas aan onze kant ervandoor. Tegen zo'n overmacht durfde hij het niet op te nemen. Zodra hij zich in het hoofdkwartier van de prins meldde en deze hoorde dat alle stellingen onbemand waren gebleven, werd De Montbas als deserteur gevangengenomen en ter dood veroordeeld ... Hij wist te ontsnappen, maar daarmee was de opmars van de vijand nog niet gestuit. Dus werd maarschalk Wirtz er met vier regimenten ruiters en een regiment Friese infanterie overhaast op uitgestuurd om te verhinderen dat de vijand de rivier overstak. Hoe was Joris cavalerist geworden? 'Je vergeet dat ik goed met paarden kan orngaan,' zei Joris luchtig. 'Toen ik me in Rotterdam voor het leger kwam aanmelden, vertelde ik dat ik een weggejaagde zoon van een Gelderse jonker was, helemaal berooid en op het slechte pad. Er was zo'n schreeuwende behoefte aan soldaten dat de werfsergeant mijn verhaal zonder nader onderzoek slikte, me een paard en een musket liet geven en me naar het oosten zond. Eerst naar Arnhem; later kwam ik terecht in het regiment van kapitein Ossenbroek, een moedige vent. De meeste officieren zijn niet veel waard. Elke kapitein doet maar wat er in zijn hoofd opkomt, dat wil dus zeggen: hard weglopen zodra aan de horizon een Franse fuselier opdoemt. Op hun gat hebben die kerels eelt, op hun vingertoppen fluweel en ze zijn bang van hun eigen degen. Maar lopen dat ze kunnen! Ossenbroek was goddank van een ander slag, hij lustte die Fransozen rauw en dat hebben ze geweten.'

Maarschalk Wirtz bracht zijn regimenten aan de Rijnoever tegenover Lobith, waar ze zich achter bosjes, wilgen en slaperdijk verborgen. Aan de overkant stond het Franse leger. Lodewijk XIV kampeerde met een schitterend gevolg op de Elterberg, waar hij een hele batterij kanonnen had laten opstellen, terwijl hij zelf in een vergulde met fluweel beklede zetel en met een verrekijker in de hand de operatie gadesloeg. Omringd door off?cieren, ordonnansen, gravinnen, hertoginnen en kamerdienaren die met dankbare bewondering vervuld waren voor de fraaie vertoning die de koning hun voorschotelde. Want zo was Lodewijk: een oorlog was in zijn ogen een soort theateropvoering, met massabewegingen en dramatische effecten.

De Franse kanonnen blaften en schoten op niets. Wirtz had zijn ontoereikende troepen over de polder verdeeld, gedekt door de lage zomerdijk, en wachtte af. Zijn ruiters beschikten over musketten, pistolen, degens en pieken; geschut hadden ze niet. De paarden werden zenuwachtig door het gegier en het inslaan van de kogels op de uiterwaarden, die behoorlijk werden omgeploegd maar waar geen mens zich liet zien.

Omdat het kanonvuur van de Elterberg niet werd beantwoord, meenden de Franse bevelhebbers dat ze de oversteek wel konden wagen. Een roomse boer uit de omgeving beloofde de prins van Cond? dat hij de doorwaadbare plaatsen zou wijzen tegen een beloning van duizend dukaten. Het mooie weer had de waterstand doen dalen. Volgens de boer - Jan Petersen was zijn naam - zouden de paarden alleen in het midden een kort stukje moeten zwemmen.

Cond? vond duizend dukaten veel geld en beval daarom dat de boer ze moest verdienen door voorop te gaan. Daarop had de man niet gerekend. Aanwijzingen geven is ??n ding, bewijzen dat je er ook kunt staan terwijl uit de bosjes aan de overzijde rookwolkjes van afgeschoten musketten oprijzen, is iets anders. Jan Petersen kreeg het al benauwd toen het water nog niet tot zijn middel stond. 'D??rheen,' bibberde hij en verstijfde. De ruiters die hem volgden, stootten hem met geweerkolven in de rug. Wanhopig, de ogen halfdicht, waadde Jan Petersen verder de rivier in, voelde toen zijn laatste moed wegspoelen.

'Geef hem een slok brandewijn,' riep Cond? vanaf de oever. De musketiers grijnsden en goten de man een grote slok vuurwater in. Dat hielp. De boer waadde weer een paar meter verder; nu stond het water tot aan zijn borst. Van de overkant knalde het. Zadra Wirtz' mannen begrepen dat het menens werd, waagden ze er hun schaarse kogels aan om de vijand het plan voor de oversteek uit het hoofd te schieten. Ver voor Jan Petersen pletsten de kogels in de rivier; het water spatte op, blinkend in het zonlicht. 'En zo maar verder, recht vooruit,' stotterde Jan Petersen in zijn beste Gelderse dialect. De musketiers verstonden hem niet. Hij kreeg nog een slok vuurwater en een por in de rug.

'Ik kan niet zwemmen!' gilde Jan Petersen vertwijfeld. Alsof een van de ruiters het begreep vatte hij de man in de kraag en hield hem boven water. Achter deze voorhoede reden steeds meer Franse ruiters de rivier in; de overtocht was begonnen. Voorop waadde, half gedragen, half gesleept, gesterkt door telkens een slok brandewijn, de boer Jan Petersen, terwijl de musketkogels over zijn hoofd vlogen en hun gegier zieh vermengde met de weesgegroetjes die hij bibberend omhoog zond. Maar hij had de waarheid gesproken: enkele meters verder liep de grond weer op en voelde hij een vaste bodem onder zijn voeten. Snel probeerde hij zich achter de paarden van de musketiers te verbergen.

Wirtz zag de eerste Franse eskadrons naderen en gaf bevel te vuren. De musketten en karabijnen van zijn ruiters droegen niet ver genoeg. Daarom beval hij een charge op de uiterwaarden. De vier -of vijfhonderd Fransen die intussen de oever hadden bereikt, weken terug naar het water. Cond? zag het en gaf onmiddellijk bevel dat de kanonniers hun bombardement moesten hervatten. Weer vlogen de dikke kogels over derivieren ploften op de uiterwaarden; Wirtz' cavalerie sloeg op de vlucht. Nu was er geen houden meer aan. Het ene Franse eskadron na het andere waagde de overtocht, opgejaagd door Cond?. Jan Petersen lag tussen een aantal gesneuvelden op de omgeploegde uiterwaarden en hield zich dood. Dat was moeilijk: de brandewijn waarmee ze hem hadden volgegoten had hem de hik bezorgd.

Wirtz' cavalerie had opnieuw zijn toevlucht gezocht achter de zomerdijk en hij bestookte vandaar de Fransen. Omdat de rivier in het midden nog juist te diep was voor de paarden om te staan, werden die enkele meters voor vele Fransen fataal, want slechts weinigen van hen konden goed zwemmen. Wiens paard onder hem werd weggeschoten, verdronk jammerlijk. Intussen veroverden de musketiers de uiterwaarden, daarna de dijk ...

De Hollanders konden niet tegen de overmacht op en trokken zich steeds verder terug, nog altijd schietend. Joris had zijn paard verloren maar wist zich een nieuwe musket, munitie, een pistool en zelfs een degen toe te eigenen van een dode vijand. Het musket was van een nieuw type, zonder lont en met een slaghoedje; dat maakte sneller vuren mogelijk. Liggend achter een met struiken begroeid walletje schoot hij snel en zuiver. Nadenken deed hij niet meer. Volkomen geconcentreerd op wat hij aan het doen was veranderde hij in een vechtmachine.

'Toen ik ze over de rivier zag komen, in brede vastbesloten rijen, was ik bang; vertelde het sinjoorke ons. 'Maar toen ik achter dat begroeide walletje lag, ze over de dijk zag stormen, het weiland in, werd ik heel kalm. Ik laadde, mikte, raakte. Laadde, mikte, raakte. Ik voelde niets als ik er een uit het zadel zag tuimelen. Het was net ofhet geen mensen waren waarop ik schoot, maar Goudse pijpen op de kermis ... Het was heel vreemd.'

En daar kwam, terwijl de trompetten schalden en de trommels roffelden, Cond? in hoogsteigen persoon over de dijk, omringd door honderden jonge officieren van adellijk bloed. Van Wirtz' manschappen was al zeker de helft gesneuveld, de overlevenden trokken terug, sneller en sneller, achtervolgd door de Franse ruiterij. Joris ontdekte opeens dat hij was omsingeld- niets dan Fransen om hem heen! Hij deed als boer Petersen en hield zich dood. Onbeweeglijk op de buik liggend, in gescheurde kleren, overdekt met bloed. De ruiters sprongen over hem heen, voor een dode Hollander hadden ze geen belangstelling.

Cond? leidde de grote aanval op het weiland. De Friese infanteristen, vijfhonderd in getal, vergaten bij de schitterende aanblik van die keurtroepen alles om zieh heen. Hun monden vielen open. Zoveel goud en zilver, kant en juwelen hadden deze eenvoudige mensen nooit eerder bijeen gezien. Ze keken om: de Hollandse cavalerie was vernietigd of op de vlucht. Ruiterloze paarden draafden inpaniek rond. De Friezen zagen zich afgesneden en er zat niets anders voor hen op dan zich aan die vonkende groep edellieden over te geven. Ontmoedigd lieten ze de wapens zakken en traden naar voren, bereid zieh krijgsgevangen te laten maken. Joris, schijndood achter zijn walletje, draaide voorzichtig het hoofd opzij en gluurdedoor zijn oogharen. Niet ver van hem vandaan zag hij kapitein Ossenbroek overeind krabbelen naast een gevallen paard. Een gebroken degen lag aan zijn voeten, in zijn gordel stak alleen nog een ongebruikt pistool. Reeds gingen ook de handen van Ossenbroek omhoog ten teken van overgave ... Boer Jan Petersen was niet de enige die zijn moed voor de overtocht uit de brandewijnfles had moeten halen. Een Franse edelman kwam aanstuiven, ladderzat. Hij zag de verslagen Friezen en begreep dat Cond? zich opmaakte om het hele stel gevangen te nemen. In een roes van dronkenschap en bloeddorst zwaaide de edelman met zijn hoed, schreeuwde: 'Tue, tue cette canaille' (dood dat tuig) en sabelde een Friese boer neer. Meteen bukten de Friezen zich, grepen hun wapens en begonnen zich heftig te verzetten. Als ze dan toch dood moesten wilden ze niet alleen gaan. Ook Joris was opgesprongen toen hij de edelman de moord zag begaan. Hij zag hoe Ossenbroek de ogen opensperde, zijn pistool trok en vuurde. Maarschalk Cond? stortte uit het zadel en Ossenbroek gromde: 'Die is er geweest.' Hij vergiste zich: Cond? was gewond, maar niet dodelijk. Toch was Lodewijks beste bevelhebber nu voorlopig uitgeschakeld.

De woedende Friezen sloten zich aaneen, verdedigden zich met dodelijke ernst. De ene Franse edelman na de andere stortte uit het zadel. Joris Niemandszoon had Cond? zien vallen, besefte dat hij zich plotseling midden in een veldslag bevond, hanteerde de buitgemaakte sabel en deed van harte mee. Een uur tevoren was hij cavalerist geweest, daarna een poosje schijndood, nu maakte hij opeens deel uit van een Fries regiment dat bezig was zich dood te vechten, maar daarbij gehakt maakte van de bloem van de Franse adel.

Weer een uur later, zonder te weten wat hij deed, zat hij op een Franse volbloed en galoppeerde als een krankzinnige over de velden, weg van de Rijnoever, richting Arnhem. Voor hem uit galoppeerde kapitein Ossenbroek op het paard van de prins van Cond?. Ver achter hen juichten de Fransen. Ze waren de lastige rivier overgestoken met hun voltallige leger, ze hadden uiterwaarden en dijk veroverd, de cavalerie van Wirtz vernietigd, de Friezen verslagen en honderden gevangenen gemaakt. Kortom: ze hadden een geweldige overwinning behaald. De Republiek lag voor hen open. Niets zou nog in staat zijn de glorieuze opmars van Lodewijk XIV tegen te houden. Maar toen ze hun verliezen telden verstomde het gejuich ...

Cond? werd met verbrijzelde arm onder een wilg gevonden, doodsbleek en kreunend van pijn. De Guiche, Lodewijks lieveIingsofficier, was gesneuveld. Honderden jonge edellieden, zonen van de oudste families van Frankrijk, lagen met het gezicht in het gras om nooit weer op te staan.

Op een houten bordje bij een kapotgeschoten huis had een Frans officier een naam gelezen: tolhuus. Hij dacht dat het de naam van een dorp was en zo ging de overtocht de Franse geschiedenis in als de slag bij Tolhus. En ze waren er heel trots op.


Linked toMatthijs van Osenbrugge

» Show All     «Prev «1 ... 249 250 251 252 253 254 255 256 257 ... 425» Next»




Home Page |  What's New |  Most Wanted |  Surnames |  Photos |  Histories |  Documents |  Cemeteries |  Places |  Dates |  Reports |  Sources