Aan mijne Kinderen.

Aan het verzoek van mijn oudsten Zoon, tot mij gericht op mijn 69sten verjaardag om een autobiographie te schrijven, wil ik gaarne voldoen. Ik heb over de uitvoering lang nagedacht; want deze is daarom niet zoo gemakkelijk, omdat mijn memorie vaak te wenschen overlaat en "bondigheid en kortheid" niet zoo licht zijn te verwezenlijken, maar een ''te veel" schaadt niet en eventueel kan men schrappen en vergeten, wet men wil.

 

Ofschoon voor nauwkeuriger data en namen te verwijzen valt naar mijn familieregister, wil ik in 't kort vermelden, dat mijn overgrootvader, Johann Heinrich Wevers gehuwd was met Anna Maria Knaepen; hij was als poorter bedigd te Rotterdam op 8 April 1796, en huwde aldaar 8 mei 1796 met Mej. Knaepen, die geboren was te Rotterdam 17 Juli 1775, en 19 Jan. 1798 op 23 jarigen leeftijd overleed. Uit dit huwelijk stamde Willem Weebers, die geboren werd 16 Dec. 1797. Johann Heinrich hertrouwde 11 Mei 1800 met Maria Eggermans, hijzelf overleed 30 mei 1805.(vermoedelijk is hij geboren 25 Febr. 1766 te Poppenhausen bij Fulda) (zie fam. Reg.).

 

Anna Maria Knaepen had een broer Michael Knaepen op 65 j. leeftijd overleden te Kleef 7 Mei 1837, deze dus in 1772 geboren was gehuwd met Maria Ida Stappers (geb.1782, overl 7 Sept.1857) en uit dit huwelijk stamden Maria Knaepen, Dina Knaepen en Willem Knaepen, welke laatste als consul op 32 j. leeftijd stierf.

 

Het eenige kind uit het huwelijk van Wevers-Knaepen was dus mijn Grootvader Willem Weebers, hij was geboren te Rotterdam 16 Dec. 1797 en overleed aldaar 18 Oct. 1868. Hij was bakker van beroep, later graanhandelaar en was eerst gehuwd met Elisabeth van Winkel (geb. 2 Maart 1793 te Rotterdam). Uit dit huwelijk stamden 7 kinderen, van wie mijn vader 't 6e. kind was, terwijl Elisabeth in het kraambed van haar 7e. kind (Maria Caecilia Hubertina geb. 22 Nov. '32) op 3 Dec. 1832 overleed. Mijn Grootvader hertrouwde toen op 9 April 1834 met Gertruda Agnes Kroesen, (overleden 20 April 1882 op 85. j. leeftijd), uit dit huwelijk stamden 6 kinderen, behalve de oudste, allen jong gestorven. De oudste was Petrus Johannes Weebers geb. 6 Jan. 1835, hij huwde met Maria Laurentia Aussel in 1887, ook weer in 't kraambed overleden (kind na 10 maanden overleden) en hertrouwde met Hillegonda Beijnes, die in 1842 geboren op 6 Dec. 1920 te Deventer kinderloos overleed; Oom Piet Weebers en Tante Gonda woonden jarenlang in Apeldoorn.

 

Van mijn Grootvader Willem Weebers herinner ik mij slechts een ding n l. dat wij op een Zondag denkelijk dus in 1868, toen ik 4 jaar was, uit rijden zijn geweest naar Alphen a/d Rijn van uit Leiden en dat ik koekjes van hem kreeg, die hij mij plagende gaf. Mijn Grootvader was een kunstlievend man, oud porcelein en schilderijen uit de familie getuigen hiervan. De twee kleine schilderijtjes (haantjes voorstellende) van A. Verhoesen komen van Grootvader en in 't bezit van wijlen Oom Piet Weebers waren eenige bloemstukken, ik meen van David de Heem, die mij mondeling beloofd waren als eenige Weebers; de erfgenamen van Tante Gonda Weebers, met name Mr. Leesberg wilde echter van geen overname zelfs weten en zijn deze familiereliquien allen in A' dam publiek verkocht.

 

Mijn Vader Willem Petrus Weebers geb. 13 Oct. 1831 te Rotterdam overleed te Leiden 9 Dec. 1898, hij was 't 6e kind uit 't huwelijk van Grootvader en is insgelijks 2 maal gehuwd geweest, ook zijn eerste vrouw overleed in het kraambed.

Mijn Moeder was Johanna Antonia Coebergh geb. 6 Maart 1831 te Leiden, zij was eerst gehuwd met dr. Jacobus Joannes Antonius van den Aardwegh, die 6 Juni 1860 op 47 j. leeftijd aan typhus te Leiden overleed; hij was slechts 8 a 9 maanden met mijn moeder gehuwd. Vandaar de relatie met de fam. v.d. Aardwegh en van Bommel (de vrouw ook een v.d. Aardwegh), die ik in mijn jeugd altijd "Oom's en Tante's noemde, ofschoon ik uit het 2e huwelijk stamde van mijn Moeder.

Mijn vader trouwde 21 Juli 1863 en als 1ste kind werd ik geboren 1 Mei 1864; alvorens het gezin verder te beschrijven, wil ik van hem nog eenige belangrijke dingen mededeelen. Hij was een man normaal van lengte, dikte en postuur, eer mager, flink behaard droeg hij bakkebaarden, (zie photo uit jeugd), later niet meer en was van de "pokken geschonden", zijn gelaat was pokdalig, tengevolge van een gelukkig goed doorstane pokziekte. Van zijn jeugd weet ik niet veel, hij had gestudeerd aan de klinische school te R'dam (zie proefschrift) en toen hij het einddiploma van deze school verworven had, kreeg hij als belooning van zijn peetoom, Willem Knaepen, die consul was van Italie (zie hiervoor) en een vermogend man was, de keuze op zijn kosten om of twee jaar zich te gaan bekwamen in Parijs, bij den toenmaligen beroemden chirurg Velpeau of te gaan studeeren aan de Leidsche Hoogeschool. Hij koos 't laatste; ik hoorde hem wel vertellen van Prof. Halbertsma (ik meen den anatoom) die krankzinnig werd; hij promoveerde toen in Nov. 1856 tot Dokter in de medicijnen, op een akademisch proefschrift bevattende "Twee door den schrijver waargenomen ziektegevallen". Hij dacht daarna over vestiging - ik meen in Alkmaar - maar kwam terecht in Gouda, van waar dateerde een vriendschap met Dr. Luijten, die op de groote Markt in de Pijpenstad woonde. Zijn praktijk groeide en bloeide daar al ras. Hoe hij met mijn Moeder in kennis kwam, weet ik niet,

maar wel, dat mijn moeder, de Wed. v.d. Aardwegh, hem aanspoorde zich te Leiden te vestigen, toen daar de jonge Katholieke Prof. Schrant overleed. Vermoedelijk is hij dus in 61 of 62 (Mr.v.d.A overleed in 1860-) in Leiden gekomen en aldaar in 1863 gehuwd.

 

Merkwaardig is in deze familiegeschiedenis, hoeveel Moeders toendertijde in het kraambed stierven. Mijn Grootmoeder, mijn Moeder, de vrouw van Oom Piet Weebers; eveneens hoeveel kindertjes toen jong stierven, van ons 7 kinderen, is alleen mijn broer Anton en ik in 't leven gebleven.

Mijn vader was van huis uit zeer godsdienstig en onder zijn patinten zeer bemind, hij had een groote fonds - en particuliere praktijk en was met Dr. Kortman de eenige katholieke dokter in Leiden, later werd hij ook stadsgeneesheer. De praktijk deed hij loopende, of in een coupe rijdende. Hij was ingelukkig met mijn Moeder en toen zij in 1875 stierf was dit voor hem een vreeselijke slag. Marie Truffino, de 4e dochter der Truffino's, wier Moeder Tante Jane, de oudste zuster was van mijn Moeder, deed bij het overlijden van mijn Moeder bij ons het huishouden en zij bleef bij ons tot mijn Vader 16 Juli 1878 hertrouwde met Anna Maria v.d. Braak uit Schoonhoven (geb. 23 Juli 1845).

Marie Truffino had dus een begrijpelijke penchant voor mijn broer Anton, die bij het overlijden van mijn Moeder 2 jaar was.

Mijn vader heeft eenige jaren na het overlijden van mijn Moeder het huis Langebrug 87 verlaten en ging wonen Haarlemmerstraat 123, over de Hartebrugskerk, een smal huis met achteruitgang en kamers (voor de fondspraktijk) op de Stille Rijn. Van de Haarl.str. verhuisden mijn ouders naar de Douzastraat 13, waar wij woonden in mijn Gymnasialentijd en toen naar de Breestraat 47 (studententijd); na mijn promotie verhuisden mijn ouders naar de Witte Singel over de Kaiserstraat, in welk huis mijn vader overleed 9 Dec. 1898,

Behalve dat Vader lid der Plaatsel. Schoolcommissie was, is hij heel kort regent v/h R.C. Weeshuis op de St. Jacobsgracht geweest; in den strijd der Liberalen toen in dat Weeshuis, heeft hij op advies der Geestelijkheid spoedig als regent bedankt. (zie bidprentje). Na mijn promotie in 1893 was hij al ziekelijk en leed aan myodegeneratio cordis. Hij had altijd sterk gerookt; hij verlangde er naar de praktijk aan mij te kunnen overdoen, hetgeen hem ook gelukt is. De laatste families, die ik van hem overnam, waren de van Bommels en de fam. Gijzen. Vader was lang ziek en bedlegerig en werd door zijn 2e vrouw Anna v.d. Braak voortreffelijk verzorgd en verpleegd.

Mijn Vader heeft gewoond in Leiden:

in 1864-1868 op de Oude Rijn, Wijk 7 no. 1099, waar ik geboren ben en waar mijn moeder als weduwe woonde.

in 1868 op de Langebrug 87, waar in 1875 mijn moeder stierf,

in 1878 verkocht mijn vader 't huis aan de fam. Kloppenburg ? en verhuisde naar de Haarlemmerstraat 123.

in 1880 Douzastraat 13, huis gekocht.

in 1889 Breestraat 47, huis gekocht van fam. Heintz, toen verhuisde mijn vader op 20 April naar de Witte Singel 19, gemeente Zoeterwoude, thans gemeente Leiden no. 84.

Als student woonde ik Lokhorststraat 29, eerst bij Kehl later bij Kriek, als jong medicus, (13-5-1893) Kloksteeg 2a, bij mej, Kee van der Zon, toen ik gehuwd was eerst op de Hooigracht 67, en daarna Hooigracht 31.

De herinneringen aan mijn Moeder z.g. zijn, helaas, slechts weinige. Zij moet zeer bemind zijn geweest, zat in 't Bestuur der Elisabethsvereeniging en was regentes van 't R.C.Weeshuis op ds St.Jacobsgracht, destijds met Mevrouw Wed.Prof.Schrant-v.d.Monde, Mevr. Karpestein-Schmier, en nog een enkele.

Mijn Moeder zong heel mooi en was zeer muzikaal, ijverig lid van de "Caecilia" vereeniging, die onder den Kapelmeester Wetrens beroemde concerten gaven ("Oratoria" in de Hooglandsche Kerk te Leiden,) die o.a. werden bijgewoond door Koningin Sophie van Wrtemberg de eerste gemalin van Koning Willem III.

Door het snel op elkander overlijden van 4 kindertjes, een Marietje (geb 1 Mrt. 1866, overleden 14 Juni 1867), daarop een Marietje geb 5 Mei 1868 overleden 4 Juli 1869 weer een Marietje geb. 6 Juli 1870, overleden 14 Nov. 1872 en toen een zoontje Johan 1871 overleden 1875 (ik hoor nog het gillen van dit kind, dat aan hersenvliesontsteking overleed), door die vele harde slagen voor een moeder, heeft zij veel verdriet gehad.

Wij woonden, toen ik geboren werd op de Oude Rijn te Leiden, in een kleine woning met achteruitgang op de Burcht. In dit huis heeft na mijn vader in 1869 nog gewoond Abraham Kuijper, de latere Minister President en leider der Antirevolutionairepartij. In 1868 zijn wij verhuisd naar de Langebrug 87. Mijn broertje Johan stierf 20 Juli 1875 op de Langebrug. Ik was toen al lang lijdende aan een schoudergewrichtsontsteking en was met het oog op de zeelucht voor die z.g. klierziekte door mijn ouders en pension gebracht bij een fam. Wubbe of v.d. Lubbe in de Keizerstraat te Scheveningen; aldaar kreeg ik op 15 Aug. 1875 bericht, dat ik opnieuw een zusje had gekregen, een Anna. Op Vrijdag 20 Augustus kwam toen Oom Jan Coebergh in Scheveningen mij halen omdat mijn Moeder "een beet je ziek" was, maar het was feitelijk om afscheid te nemen van de aan "kraamvrouwenkoorts" lijdende vrouw.

Zaterdagmiddag 21 Augustus stierf het zusje en 's-avonds te negen uur mijn moeder. De toenmalige Hoogleeraar in de Verloskunde Prof.A.E. Simon Thomas was accoucheur geweest, maar van desinfectie wist men toen nog niets.

Van het huis op de Oude Rijn (er was een achteruitgang op de "Burcht" waar ik als klein kind wel speelde) herinner ik mij niet veel, maar wel van dat op de Langebrug 87. Het was een dubbel Heerenhuis links een spreekkamer voor mijn vader, rechts een ontvangkamer voor mijn moeder, links daarachter een keuken, rechts een mangelkamer en daarachter een groote huishoudkamer aan den vrij grooten tuin, links achter een z.g. salon, die vochtig en koud was, doordat er voor stond een groote kastanjeboom. Rechts achter in den tuin, was een deur, die in een gangetje voerde naar een poort, welke uitkwam op het Pieterskerkhof. Doordat het een groot huis was, kon men er vele gasten bergen en ik herinner mij dat er jaarlijks een paar malen familiediner was van Ooms en Tantes Coebergh. Onwillekeurig ben ik nu reeds gekomen tot een

 

AUTOBIOGRAPHIE.

 

Geboren dus in 1864, bracht ik de zeer prille jeugd door in 't huis op de Oude Rijn. Ik herinner mij aldaar den dood van de jonge zusjes op. de Oude Rijn, o.a. dat in een kamer aan de straat 't lijkkistje stond met 't doode lichaampje met kransje van witte bloempjes om 't hoofd. Ook dat er een oude dienstbode was, Ant genaamd, die bezoek kreeg van haar ouden vader (Pennekamp), die met een stok strompelde en verpleegde was in t R.K. Wees-en Oudeliedenhuis op de St. Jacobsgracht; terwijl ik dan in de keuken mocht spelen; ik moet toen 2 of 3 jaar oud zijn geweest, zooals vermeld verhuisden we daarna naar de Lange Brug 87.

Op de Cathechismus ging ik op 7 j. leeftijd, dus in 1871 reeds, bij Kap. van Zanten (later Pastoor in A'dam) en deed mijn le. H.Communie eerst op 24 April 1877 bij den toenmaligen Pastoor J.C.H.Mure, den schrijver van den Bijbelgeschiedenis. Toen mijn Moeder overleed in 1875 was ik al lijdende aan mijn arm; de toenmalige geleerden konden het ziektebeeld niet vaststellen, ofschoon ik mij herinner, dat het begon met stijfheid in 't gewricht (kon mijn jas niet goed aantrekken); tal van Hoogleeraren; Zaayer, Doyer, Polano en o.a. Dr. Metz in 't Amstelhotel, werden geconsulteerd.

Maandenlang logeerde ik in Rotterdam bij Oom Hellegers, ter behandeling en verbinding van mijn omarthritis, die gepaard ging met abcesvorming. De chirurg van 't toenmalige Rotterd. Ziekenhuis v d Hoeven, werd in consult geroepen, abcessen werden met stiletten geopend, gedraineerd met elastieken buis en verbonden met pluksel (fijn linnen zachte draden), gedrenkt in slappe Carbol oplossing; eerste antisceptische behandeling (door Lister pas uitgevonden).

De lagere school bezocht ik bij den Heer G.Japikse, de katholieke school van den Heer v. Gemert op de Haarl.str. bij de Bakkersteeg had niet zoo'n goede reputatie. Mijn Vader was lid van de Plaatselijke School-commissie. Ik had op school les o.a. van den onvolprezen S.P.Perdijk. Uit dien tijd herinner ik mij ook, dat bij ons aan huis was mej. Caroline Schermer, dochter van Notaris Schermer; zij verloofde zich en huwde later met den jongsten broer van mijn Moeder, Mr.J.A.F.Coebergh, den later zoo gevierden Notaris in Leiden; zij studeerde meen ik, voor een examen als onderwijzeres en had les van den Heer Dikshoorn.

Naast ons huis op de Langebrug no.89 was een klein huis, dat werd bewoond door een huisbewaarder, (Klaas Leget), en daarboven woonde Willem Hellegers, die in p.m. '75 student geworden, in de rechten studeerde en bij ons 's-middags kwam middagmalen. Hij zette in 1879 zijn studien voort in Amsterdam en is in 1882 gepromoveerd aldaar bij Prof. v. Hamel. (Hij had als student voorliefde voor honden (Black, Joep).

In die periode van mijn jeugd heb ik vaak gelogeerd in Vught bij Vaders broer, Oom Jan en ook bij Pastoor Romeijnders in Cothen bij Wijk bij Duurstede. (Deze Pastoor was een zeer gastvrij familielid, de familie relatie (folio van 't familieregister (Weebers) kwam van Grootvader's tweede vrouw Geertruida

Agnes Kroesen, wier moeder Romeijnders heette. Deze had een broer Romeijnders, komende uit Montfoort, en diens zoon was Pastoor Piet Romeijnders. Mijn ouders hielden veel contact met hem, zonden hem nu en den tabak, sigaren, koekjes en chocolade, versnaperingen, die men in 't kleine Cothen niet krijgen kon; hij reciproceerde dat door toezending van vruchten, kersen, appelen, etc. uit 't boerenland en vooral ook koetong en vleescherijen in den slachttijd. Achter zijn kerk en pastorie lag een groote kersenboomgaard en men begrijpt, hoe 't daar fijn logeeren was.

Mijn ouders waren beiden muzikaal, ook mijn vader speelde piano en vandaar, dat ik vroeg pianoles van Mr. Wanna. kreeg; de lessen werden nu en den onderbroken door de ziekte van mijn arm, maar toen die in mijn 13e jaar genezen was met een anchylose, werd juist 't pianospelen hervat als een soort oefening en massage om de atrophie te herstellen. Jarenlang gaf Mr. Wanna, bijgenaamd "De Pedaalpunt" mij les - muziekgevoel heb ik er aan te danken gehad. Ook heb ik jarenlang teekenles gehad van den heer G.M.Kosters op de Oude Singel. Op verjaardag van Vader en Moeder werden zij den verrast door een pianostukje en een teekening. Vandaar de pastelteekening en dito waterverf.

Reeds in mijn prille jongensjaren (1877?) werd ik bevriend met Frans Tengbergen, terwijl onder mijn vrienden van school ik noemen moet Johan Kuenen (later Hoogleeraar in de Natuurkunde) Gerard Vissering (later Pres. v.d. Ned. Bank) Jan Hagen (als Mr . in de Rechten naar Indi gegaan) Abraham Rutgers v.d. Loeff (later Domine in 's-Bosch) Piet Buijs (neef van Frans Tengbergen) in de rechterlijke macht gegaan; deze allen vormden 't gezelschap "Tollens" dat in 1873 werd opgericht, doch waarvan ik eerst later lid werd (in '78?).

In 1878 kwam ik op 't gymnasium in de Lokhorststraat onder de voortreffelijke leiding v.d. Rector Dr.H.W.v.d.Meij, ik bezocht dit tot 1884; in 1883 werd 't eindexamen ingesteld met gecommitteerden; in datzelfde jaar werd met een groot feest in de Gehoorzaal 't nieuwe gebouw ingewijd op de Douzastraat. Bij die gelegenheid speelden wij comedie ('t stuk van Schiller "der Neffe als Unkel" , verder "le Serment d'Horace" van Henry Murger (vertaald en ingestudeerd door Dr. Bijvanck, onzen leeraar in de Aardrijkskunde (later Directeur v.d. Koninklijke Bibliotheek). Bij die gelegenheid dansten Henri Bool en Hoytema (later bekend schilder) door mij geaccompagneerd ''negro-songs'', die toenmaals populair, veel succes inoogstten. Voor 't eindexamen slaagden wij allen 8.

Het was t tweede jaar, dat er gecommitteerden bij optraden, die in 1884 waren de: Proff. Cornelissen, v.d. Sande Bakhuijeen, en C.P. Tiele.

Van de leeraren op 't Gymnasium wil ik noemen:

J.J.Hartman, later Hoogleeraar in 't Latijn.

B.Kruijtbosch, Latijn, later Rector in Kampen.

C.Vollgraff, Grieksch, later Hoogl. Gr in Brussel en Utrecht

J.J.Frantzen, Duitsch en Fransch, later Hoogl. in A' dam.

P.J.Blok, Geschiedenis, later Hoogl. in Groningen en Leiden.

J.v. Deventer, Wiskunde.

Sir. Plummer, Engelsch, helaas alcoholist

W. Bijvanck Aardr. en gesch. later Directeur v.d.Kon.Bibliotheek.

A.E.Holwerda, later Hoogl. Aardrijkskunde in Leiden (?).

P.C.Hoek Natuurl. Historie, later directeur van 't Zoologisch Instituut in den Helder.

Van deze leeraren zijn er velen Hoogleeraar geworden Hartman, Vollgraff, Frantzen, Blok, Holwerda, terwijl Bijvanck bedankte voor een hem aangeboden professoraat.

Ook voor mijn goededienstige opvoeding was door mijn vader goed gezorgd, gedurende tal van jaren - ik meen '78 af - had ik met Louis Driessen en Koos Coebergh les bij Kapelaan Rutten der H.Petrus-Parochie; eenmaal in de week kwamen wij op zijn kamer aan de Breestraat tezamen 's-avonds te ongeveer half 8.

Hadden les tot 9 uur en werkten met hem door: "Konig's Religions unterricht in 3 deelen'' waar deze Kapelaan tal van vraagstukken bij dikteerde (b.v. 't Godsbestaan, de eenheid der Kerk etc. etc.).

Na een gemakkelijke Groentijd, dank zij mijn piano en negrosongs - want in dien tijd bestond nog de beruchte "ladder" en de s.g. "citroenavondjes" van oudere jaren" - werd ik in '84 lid van ' t Leidsch Stud. Corps. Onze groenpraeses was Aug. Philips (later gezant in Amerika). Er bestond toen in 't corps een sterke afscheiding tusschen de demo- en aristocraten. Ik woonde op kamers in de Lokhorststraat bij een zekeren Kehl (later Kriek) kruidenier. Mijn propaedeutisch deed ik in twee jaar, evenzoo t candidaatsexamen in 't doctoraal. In 1890 werd ik door mijn vader in de gelegenheid gesteld een semester door te brengen in Zurich; in April gingen we er he en (d.w.z. Jan Kolff, Louis Driessen en ik) en bleven er tot Augustus (12 Hollanders studeerden er toen). Heerlijke herinneringen heb ik daar aan.

We woonden in de Plattenstrasse bij een dokters Weduwe Bnzli die met twee dochter reeds bejaarde dochters 't pension dreef; er waren in 't geheel 12 mede-pensionaires van verschillende nationaliteit; een Amerikaan, een Russin, een Griek, twee Franschen, een Berliner etc.

De voortreffelijke college's van Prof. Eichhorst 's-morgens reeds te 7 uur, met daarna 9 uur kliniek, de practica van Dr. H.Mller, de psychiatrische colleges van Prof.Dr.Forel in Brghlzli ('t Irrenanstalt), deden ons in Oct. allen slagen voor ons doctoraal medicijnen. Toen volgden 't eerste en tweede artsexamen, een enkele maal slaagde ik voor die artsexamens niet, maar benutte toen de tijd om te werken voor mijn dissertatie ''Over puerperaalpsychosen" zoodat ik in Nov. tot arts bevorderd reeds 25 Maart 1893 promoveerde bij Prof. Treub. Een promotiefeest op Maria Boodschap (een vastendag) op Zaterdag aan huis gegeven, met dispensatie van den toenmaligen Bisschop Bottemanne, op de Breestraat 47 besloot den promotiedag. Mijn leermeesters aan de Universiteit waren:

Prof. Franchimont, organ. scheikunde.

Prof.v. BemmeIen, anorg. chemie.

Prof. Lorentz, Natuurkunde.

Prof. Hoffmann, Dierkunde

Prof. Suringar, Plantkunde, met hem deed men Botaniseertochten (daarom bijgenaamd "de Groenten Boer".

Voor het Cadidaats:

Prof.J. Zaaijer, anatomie.

Prof.W.Einthoven (in '86 toen ik bij hem college liep, was hij nog student en moest 't artsexamen nog doen ,

beroemd geworden door zijn cardiogram, Nobelprijs;

Prof.Mac.Gillavry. Pathol. Anatomie en Alg.Pathologie.

Prof.G.D.L.Huet, Pharmacodynamie, een fijne Franschman, later Prof. W.Nolen.

Prof. S.Rosenstein, Duitscher, (een geestig man) inw. geneeskunde.

Prof.v.Iterson, Heelkunde.

Prof. Siegenbeek v.Heukelom, Path. Anatomie.

Prof. Doyer, Oog en Oorheelkunde.

Prof. Mac. Gillavry, Hygiene.

Prof. Treub, mijn promotor (Verloskunde en Gynaekologie).

Na een vacantie van eenige dagen in Zeeland doorgebracht, bij Pastoor Rutten te Ovezande, waar ik ruimschoots gelegenheid had de Zeeuwsche drachten te bewonderen, ging ik wonen in de Kloksteeg, hoek Rapenburg bij Mej. Kee v.d. Zon en ontving reeds begin April de eerste fondspatinten. De praktijk breidde zich steeds uit; mijn ouders verhuisden near de Witte Singel 16 en geleidelijk nam ik de praktijk en - met succes - van mijn vader over.

In 1895 in October maakte ik toen kennis met Henriette Roes in Delft, waarmee ik 14 Juli 1896 zeer gelukkig in 't huwelijk werd verbonden. Wij woonden toen eerst Hooigracht 63 in 't huis van mijn oudsten schoolvriend Arie Dros Successievelijk werden daar toen Jettie in 1897, Wim in 1899 en Theo in 1901 geboren.

In Januari 1900 werd ik stadsgeneesheer te Leiden. Mijn vader, die het ook altijd geweest was, had het mij altijd ontraden er voor te solliciteeren, omdat het volgens hem niet zoo prettig praktiseeren was. Mijn college Dr.W.de Jong uit 't Noordeinde bestreed dit altijd; in 't najaar van 1899 kreeg ik toen een verzoek van den toenmaligen Burgemeester Mr.E.Was om te solliciteeren, daar hij er prijs op stelde dat in 't college van de 6 stadsgeneesheeren ook een katholiek was en hij mij daarvoor t liefst zag aangewezen. Zoo werd ik benoemd en daar ik door toevallige omstandigheden al spoedig het zg. mooiste wijk kreeg (dit is 't wijk met 't kleinst aantel paupers), heb ik daar nooit spijt van gehad.

Toen in 1905 het huis van wijlen Prof. Cosyn leeg kwam, kocht ik dit voor 20 mille. Hans werd er geboren in 1905, wij hadden dat huis door de firma Janssen uit Amsterdam fraai laten inrichten. Na een lang lijden overleed 9 Dec. 1898 mijn goede vader, aan hem verloor ik veel, ik hield zielsveel van hem en had aan hem alles te danken.

Als Commissaris volgde ik hem in '99 op in de Levensverzekering Mij."Pietas" in Utrecht, een functie die mij veel vergaderingen, bemoeiingen en tijd kostte, maar ook, dank zij 't tantime, vooral later goed gesalarieerd werd. In 1916 deden wij de "Pietas" over aan de "Utrecht"; ons moeilijk werken in Belgi en Frankrijk in den Oorlog, de minder goede directeuren en last not least, de goede prijs die men gaf voor de aandeelen van fl. 100.-- n.1. ruim fl. 600.-- deden den doorslag geven. Commissarissen werden schadeloos gesteld met een lijfrente van 3 mille.

In Maart 1919 volgde ik Mr. Aalberse op als Curator van 't Gymnasium, 13 Maart 1919 door den Gemeenteraad benoemd, werd mij 11 Juli 1927 eervol ontslag verleend.

Op medisch gebied heb ik mij altijd geweerd, van t begin van mijn praktijk was ik lid en al heel spoedig Secret. van de Afd. Leiden der N. Mij. T. B. der Geneesk. Jarenlang was ik secretaris en nog een grooter aantal jaren penningmeester, zoodat ik na mijn vertrek uit Leiden tot Eerelid der Afd. werd benoemd. Tweemaal recipieerde ik als Bestuurslid en Lid der feestcommissie de Nederl. Mij. toen zij haar Algem.Verg. hield in Leiden n.1. 1 en 2 Juli 1901 onder Voorzitterschap van Prof.Dr. C.C.Nijhoff en in 1914, 6, 7 en 8 Juli onder 't presidium van Prof. Dr.H. Zwaardemaker.

De praktijk-uitoefening geschiedde in 1893 te voet of indien ik het te druk had per coupeetje; vele jaren reed ik met Koos Schouten als koetsier van de Wed. Dieben de verre einden of ook wel de geheele praktijk; eerst 31 Mei 1897 besteeg ik een Rover, een prima rijwiel, toenmaals gekocht voor zegge fl. 315.--, waarmee ik grootendeels al die jaren de praktijk mee uitoefende. In die jaren hadden wij ook les in 't fietsen, zaal- en figuur en schoolrijden in de rijwielzaak van de firma v.d. Stok op den Stationsweg (tegenwoordig bioscoop) met Jettie, Cor en Felix Driessen, Helena Goudsmit en ik meen ook de Drossen).

Uit mijn praktijk valt nog te vermelden, dat ik in de jaren Mei 1902 tot Sept 1911 als college had in Leiden Dr. Meuleman, later Directeur van de Vroedvrouwenschool in Heerlen, een niet altijd fair concurrent. Toen deze door zijn vriend Kapelaan Mersel in Juni 1903 op ongeoorloofde wijze in de praktijk werd gedreven, hetgeen b.g. van een waarneming bij de Fam. Timp aanleiding gaf tot een heftig conflict, heb ik mij bij den Deken Dessens daar toen officieel over beklaagd, 3 maanden later was die Kapelaan verplaatst.

Een ander onaangenaam voorval was de questie, die ik met genoemden Deken had over het schoolgaan van onze Jettie op de neutrale meisjes H.B.S; daartegenover stonden drie onvergetelijke feiten nl. de ontmoeting met den heer A.v.Ketel, hetgene tengevolge had zijn H.Doopsel bij de Paters Benedictijnen in Oosterhout, en de diensten, die ik kon bewijzen aan Emile Hoogenstraaten, waardoor deze, geleid door Pater Dr.L.de Jonge zoon prachtig sterfbed had en ten derde den Doop van Dr. Carp in Oegstgeest, waardoor ik voor de tweede maal Peter (le van Ketel) werd.

Een jaar na de geboorte van Hans in Juni 1905 die dus in ons nieuwe huis werd geboren, kwam Jettie op mijn spreekuur en klaagde over een steek, die zij had in de rechter borst. Bij onderzoek vond ik een kleine tumor in de mamma met metastasenvorming in de okselholte; ik stelde direct een onderzoek voor aan Prof. Korteweg, die haar een paar jaar tevoren met succes behandeld had voor een tbc. knie. Deze knie was eerst door Prof. v. Iterson met inspuitingen van Jodoformolie en rust behandeld, later door Dr.M.Rutgers en toen Korteweg v.Iterson, na diens plotselinge overlijden opvolgde, door dezen. Korteweg schreef toen beweging en zelfs fietsen voor en inderdaad genas de knie. Het vertrouwen in Korteweg was zeer begrijpelijk hoog en zijn advies tot wegname van het gezwel werd opgevolgd; reeds den volgenden morgen te half tien, 14 Juni 1906, had de totaal-amputatie met uitruiming der okselholte plaats. Eenige weken later kwam patinte uit het ziekenhuis thuis. Prof. K. heeft eenige weken getraineerd met mij mee te deelen, dat het pathol. anatomisch onderzoek van het weggenomene niet zoo "heel mooi" was, en dus wat de tijd aanging niet veel goeds voorspelde, maar zijn voorspelling is gelukkig niet uitgekomen; eerst Januari 1910 openbaarden zich de eerste symptomen van recidief in een hardnekkige hoest die op recurrensparalyse berustte, door druk van een metastase. Korteweg adviseerde toen om in 't vroege voorjaar near Wiesbaden te gaan; maar ik zag daar met 't oog op de kinderen zeer tegen op. 22 Mei maakte ik met haar een laatste autotocht naar Haarlems bloemententoonstelling, 27 Mei (Hemelvaartsdag) at zij voor 't laatst bij Ma Roes; 29 Mei brachten we nog een bezoek aan A'dam, waar we van Zondagmiddag tot Dinsdagmiddag 8 uur bleven en 2 Juni begon zij te braken, moest naar bed en kwam niet meer op.; een acuut opgekomen long-ontsteking verhaastte het sloopingsproces en 14 Juli 1910, op onzen trouwdag, overleed zij te 2 uur in mijn armen. Weken tevoren was zij uit voorzorg door Deken Dessens op een Zaterdagmiddag 4 Juni bediend.

Na het overlijden zorgde Theo Roes voor een ontspannend verblijf voor mij met de kinderen - het was zomervacantie - in Terborg bij Terleuken en na een verblijf van eenige weken hervatte ik eind Augustus de praktijk. Juffr. Simonis deed toen bij mij het huishouden en was voor mij en de kinderen een trouwe zorg. In 1911 ging ik in Mei met Toon en Let mee naar Londen en zette op die wijze de traditie voort om jaarlijks op reis te gaan. Met Jettie al, die veel van zee hield, verbleef ik op mijn vacantie in de eerste jaren van ons huwelijk vaak aan zee. Ma Roes had een villa gehuurd (Villa Nicolette) op de Badhuisweg in Scheveningen, daar waren wij eenige weken op vacantie, een jaar later in villa Jeannette op de Gevers Deynootweg, waar Ma Roes toen gehuurd had, weer een jaar later in Katwijk aan Zee in t Hotel du Rhin. Maar het verblijf aan Zee was voor mij nooit een genoegen en ik beschouwde dit niet als vacantie, vandaar dat ik in Augustus of September met Jettie op reis ging. Zoo reisden wij een paar malen met Lidwine Deurvorst, ook een paar malen met Jan Hoogewegen naar Zwitserland (Interlaken, Zermatt etc.) en in 1908 met Lidwine en Jacquelien Deurvorst-Vonk de Both naar Biarritz (2 maal Lourdes), Barcelona en Marseille en in 1905 toen Hans geboren was met Prof. Dr.D.A.de Jong naar Weenen, Budapest en de Tatra; eens met Anna Roes naar de Schsische Schweiz.

14 Januari 1909 waren we 12,5 jaar getrouwd. We hebben toen dit gevierd met een kinderfeest met den goochelaar Ockhuijsen in Huize Bruins en waren een dag in A'dam met de 4 kinderen, terwijl 't zilveren doktoraat 25 Maart 1918 gevierd werd met onze kinderen door een verblijf in Adam. We hebben toen gelogeerd in t Hotel de l' Europe, bezochten een footbal-match, 't Panopticum, Artis, een opera "de Zauberflte" en ik meen ook "de Matthaeus Passion" in 't Concertgebouw.

14 Juli 1910 kwam door het overlijden van Jettie aan dat gelukkige leven een eind; zij stierf in mijn armen op onzen trouwdag, Donderdag 14 Juli 1910.

Zij ruste in vrede, God hebbe hare ziel.

Na haar dood hervatte ik met nieuwen moed het leven en de praktijk totdat ik in 1912 op mijn levenspad Dora Everard ontmoette met wien ik toen op 29 Augustus in een gelukkig huwelijk verbonden werd.

In onzen engagementstijd was een aardige dag de 20 ste Mei 1912. Ik reisde toen naar Haarlem; in de trein was ook Koningin Wilhelmina, die naar Apeldoorn ging. Ik wees aan Dora de statiewagon, waarin H.M. voor 't venster zat, en na een dineetje woonden we dien avond een ''Parsival" voorstelling bij van de Wagnervereeniging, in den stadsschouwburg te Amsterdam, waarbij ook tegenwoordig was Koningin Emma; een Koninklijke dag!

Van '12 tot 1918 leefden wij zeer gelukkig; de op 6 Aug. 1914 uitgebroken oorlog, toen wij en pension waren in t Hotel "Berg en Dal" bij Nijmegen, verhinderde het reizen naar 't Buitenland en gingen we in die jaren en pension naar Ellecom en eenmaal naar Groesbeek; maar na 18 ook weer naar het Buitenland. De praktijk leverde mij, gevoegd bij de rente van one vermogen een ruim bestaan, zoodat wij de kindaren een goede opvoeding konden geven. Jettie bezocht na de lagere school de meisjes burgerschool, daarna 't Sacre Coeur in Arnhem, bekwaamde zich ook voor een examen. Wim bezocht na 't Gymn. de Leidsche Universiteit en werd er arts en promoveerde er 3 Juni 1932 op een proefschrift over ''de Resorcinereactie van A.Vernes" tot dokter in de medicijnen. Hij was eerst nog assistent aan 't Tropisch instituut in R'dam

Theo en Hans bezochten de Handelsschool in A' dam, behaalden er 't eind diploma en gingen toen naar de Amsterd. Bank, vanwaar uit Theo op 28 jarigen leeftijd 9 Juli 1928 benoemd werd tot Directeur, v.h. bijkantoor in Breda; Jeannetje bezocht in Leiden t Gymnasium, en de drie andere meisjes de zusterscholen, aldaar in de Bakkersteeg, later Pelikaanstraat genaamd.

Behoudens de fondspraktijk, die ik steeds had weten uit te breiden, een uitbreidende particuliere praktijk, werd ik ook op verzoek van den Burgemeester, zooals ik reeds mededeelde, ook stadsgeneesheer, later eveneens schoolarts; dit alles gevoegd bij het herhaaldelijk vergaderen voor Pietas in Utrecht, vaak 2 maal in de maand, waarbij vele conferenties in den Haag of in Leiden ten behoeve van die maatschappij, en het bijwonen van vergaderingen (ook als curator v/h Gymnasium) had ik een druk, bedrijvig leven. Mijn gezondheid was daarbij een goede na het lange en vele ziek zijn in mijn jeugd, waarin ik geleden had aan

een chron. schoudergewrichtsontsteking, die met een lichte anchylose van dat linkergewricht geindigd was, leed ik in mijn studententijd aan een hardnekkige Ischias, die eindelijk week na het nemen van permanente, heete volbaden, waarvoor ik, daar wij zelf geen badkamer hadden, logeerde bij Notaris Coebergh, mijn Oom, die in zijn nieuw huis op de Breestraat, een badkamer bezat.

In 1889 leed ik aan een hardnekkige Icterus catarrhalis, die meer dan zes weken duurde en maar niet wijken wou, niettegenstaande de consulten van Prof, Nolen en van Prof.Rosenstein.

In dien tijd viel ik 36 pond in gewicht af, maar toen de ziekte na 6 weken week, was ik ook weer spoedig 27 pond aangekomen. In 1918 leed ik opnieuw aan Ischias, ditmaal hielpen de heete baden niet, maar perpetueele bedrust bracht genezing (Dr. Fabius).

Toen in 1926 Jettie zich engageerde, (17 Juli 1926 receptie) met Notaris Willemse in Zwolle en haar huwelijk, 1 Febr. 1927, voltrokken werd, welke plechtigheid gepaard ging met groote festiviteiten, rijpte reeds 't plan te gaan rusten en trok mij Nijmegen aan. In t geheim keken wij naar huizen in die stad; in t geheim omdat de overname van huis en praktijk in stilte moest geschieden, wilden geen andere collegas zich in Leiden vestigen. De onderhandelingen met Dr. Simons gelukten en 18 Mei 1927 verkocht ik en huis en praktijk. (n.1. 't huis voor 26 mille en de praktijk voor 9 mille, later teruggebracht tot 8,5). Begin Juli verliet ik de stad, waar ik gedurende 63 jaar gewoond had en geboren was en waar ik van April 1893 de praktijk had uitgeoefend.

In 't jaar 1923 had er Missietentoonstelling plaats in Leiden. Ik had mij sinds jaren geoccupeerd met 't doen houden van lezingen op universitairen grondslag voor niet-katholieken over onzen godsdienst. Door bemiddeling van 't Curatorium der Universiteit had ik in de Kloksteeg een lokaal weten te huren, waarin s-winters 's-avonds lezingen werden gehouden, eenmaal in de 14 dagen. De lezingen werden gehouden eerst door Pater Hoenen S.J. toen door Pater de Jonge S.J., daarna door Pater Molkenboer O.P., terwijl ik op genoemde tentoonstelling door Kapelaan Bekkers den rector van Voorschoten, dien ik voor dit doel daarvoor in de armen had genomen, werd voorgesteld aan den jongen Hoogleeraar Prof.J.P.Verhaar te Warmond, die in 't najaar 1923 de lezingen wederom zou houden. Dit werd een groot succes, de lezingen werden al drukker en drukker bezocht en sorteerden veel nuttig effect. Bij mijn vertrek uit Leiden legde ik de leiding voor het houden dier lezingen in handen van Prof. Barge.

Zooals reeds vermeld volgde ik Mr. Aalberse in 1919, toen hij Leiden verliet, op als Curator v/h Gymnasium. Mijn opvolger in 1927 was Prof. Barge. In dat Curatorium, genstalleerd door Prof. Dr. Scato de Vries, beleefde ik eerst onder Voorzitterschap van Prof. Hesselink, later onder Prof.P.C.T.v.d.Hoeven, genoeglijke bijeenkomsten. Ook Prof. Nolen zat aanvankelijk in dat college; o.a werkte ik mede aan de benoeming van een rector. (conferenties met den inspecteur Dr. Vinkestein).

In Juli 1927 ging ik rusten op den Batavierenweg 27 te Nijmegen. Het huis aldaar gekocht, hadden we naar ons genoegen laten inrichten en laten voorzien van alle mogelijke comfort. Jeannetje ging er op school naar Mater Dei, het Gymnasium der Z.Z.Ursulinen, en de 3 anderen naar de Dominicanessen. Het fietsen in Nijmegen met de up en down's is mij helaas slecht bekomen, begin 1928 kreeg ik angineuze klachten waarvoor Dr. Siegenbeek v. Heukelom mij een kuur in Nauheim voorschreef. In 1929 herhaalde ik die kuur aldaar en had wellicht daaraan te danken mijn weerstandsverhooging, toen ik in Juli 1929 ernstig ziek werd. Wim had ons in Febr. verrast met zijn onverwacht engagement met Nan ten Bos en toen ik bij de familie daar logeerde werd ik 20 Juli ernstig ziek met temp. van 40. Twee dagen later bracht Dora mij per auto naar Nijmegen, 8 dagen lang steeds over de 40 was de diagnose ook met Consult van Prof.Hymans v.d.Berg uit Utrecht niet te stellen. Eerst later manifesteerde mijn ziekte zich als een Pneumonia migrans. Eind Augustus knapte ik op, zoodat onze zoons Hans en Theo op vacantie gingen near Zwitserland;

opnieuw kreeg ik Pneumonie en pleuritis met 40, zoodat de zoons van de Jungfrau werden teruggetelegrafeerd (ik was reeds voorzien van de H.H.Sacramenten); maar toen ging de ziekte zich keeren

en eind September was ik bijna koortsvrij; toen werden ook Dora en Jeannet ernstig ziek (stomatitis) zoodat onze huisdokter persoonlijk mij zur Erholung'' in een ziekenauto naar 't Canisius Ziekenhuis evacueerde; daar verbleef ik nog tot begin Nov. en kwam ik 4 Nov. thuis, dit was mijn eerste kennismaking met 't Canisiusziekenhuis.

Prof.v.d.Grinten, die mij vroeger reeds verzocht had als gecommitteerde zitting te nemen in de commissie voor de Eindexamens der Hoogere Handelsschool in Nijmegen, verzocht mij toen in Oct. 1930 om bij het plotseling overlijden van den Heer Roothaan als opvolger op te treden als Voorzitter v.h. Regentencollege van het St. Canisiusziekenhuis. In de vergadering van 2 October 1930 daartoe benoemd, werd ik als zoodanig 3 Oct.1930 genstalleerd.

In die qualiteit onthulde ik bij 't lste lustrum op 18 Mei 1931 een plaquette voor wijlen mijn voorganger den Heer Roothaan in de Hall van genoemd ziekenhuis; aan zijn stuwkracht had het ziekenhuls zijn ontstaan te danken.

Tot mijn leedwezen moest ik mijn ouden Akademievriend, Dr.v.d.Horn v.d Bos, die in ons ziekenhuis werkzaam was als chirurg, persuadeeren om met 't oog op zijn leeftijd, terwijl zijn gezichtsvermogen merkbaar achteruitging, te bedanken als heelkundige. Ik heb zelden een zoo onaangenaam gesprek gevoerd en moeten voeren. Vriendschappelijke raad werd als vijandige daad opgevat, waartoe anderen mij zouden hebben aangespoord. Onze vice Voorzitter Prof.v.d.Grinten vond een uitweg door een bepaling in onze statuten te doen opnemen, waarbij alle, aan de instelling werkzame doktoren, op hun 65 jarigen leeftijd,

niet konden worden herbenoemd. v.d.Horn viel onder deze bepaling en werd voor 3 jaar aangesteld om de zusters in onze inrichting nog les te geven. Dit was een oplossing, die echter geen verzoening mocht brengen.

Hoe jammer, dat onze voortreffelijke Vice-Voorzitter v.d. Grinten Nov. '32 aan een griep-pneunomie binnen 8 dagen overleed; zijn plaats werd aangevuld door den Heer L.Terwindt,

In onze St. Canisiusstichting opende ik een nieuwe barak en een nieuw lijkenhuis, waarvoor bouw en inrichting de noodige zorgen vereischten en huldigde ik in Nov. '32 Moeder Praxedes bij haar vertrek naar A'dam en eveneens de nieuw benoemde Moeder Melanie bij haar zilveren professiefeest. In '33-34 ontstonden moeilijkheden over den verpleegprijs in 't ziekenhuis met 't Gemeentebestuur, ook dit gaf aanleiding tot veel werk.

In '31 volgde ik wijlen Dr. Louis Driessen op als lid v.d. Raad v. Beroep der Nederl. Mij. t. Bev. der Geneeskunde; de alg. Vergadering dier Mij. in '31 in Nijmegen gehouden, benoemde mij in dien Raad; ook dit gaf interessant maar aangenaam werk; de samenwerking met de verschillende leden van dien Raad was en is een zeer vriendschappelijke. Voorzitter was eerst Prof.P.T.C. v.d. Hoeven, later Dr.D.C.v.d. Goot te den Haag, wij waren reeds voor dien Raad werkzaam in Vlissingen, Maastricht, Groningen, Assen, Utrecht, den Haag en meermalen in A'dam.

In Nov. 1930 nam ik met Dr.v.Vught 't initiatief tot oprichting van een Nijmeegsche Afd. der R.K. Artsenvereeniging. Op Woensdag 26 November 1930 kwam deze tot stand en werd ik tot Voorzitter benoemd, nadat ik mij bij den Bisschop had weten te verzekeren-van de goedkeuring tot benoeming van Prof.Dr.W.Duijnstee van de Orde der Redemptoristen, als onzen geestelijken adviseur. Onder leiding van dezen uitstekenden leider, was ook dit een aangenaam werk.

Ziedaar de werkzaamheden, waaraan ik mij nog ben gaan wijden in mijn rustjaren, om op die wijze wellicht niet geheel en al als een nutteloos mensch te leven. Mijn gezondheid was en bleef goed, ofschoon ik, helaas niet veel loopen kan en tram of auto mij veelal moeten helpen; ik betreur dit daarom zoo, omdat ik op die wijze van de schoone omstreken van Nijmegen zoo weinig kan genieten en ik de omgeving der stad maar al te weinig ken; maar ook voor een rustend medicus moet wat te wenschen overblijven.

In mijn 70 jarig leven heb ik zien komen:

1. Dagelijksche H. Communie's vroeger veel minder frequent, retraiten, katholieke Universiteit.

2. Fietsen, telefoon (zelf aangeschaft in April 1900), ook intercommunaal, auto's, giro, vliegmachines, Zeppelin.

3. Algemeen Kiesrecht, evenredige vertegenwoordiging, salariring van afgevaardigden, gecommitteerden bij examina.

4. "Ansichts" kaarten.

Zien verdwijnen:

Strenge vasten; schutterij, bakers, fopspeenen, ezels (ezelinnen melk), klompen, schoudermantels, pruiken, neepjesmutsen, hooge hoeden (nu nog exceptie), snorren en baarden (althans veel minder), vlechten, crinolines, vuurmanden.

Vakantiereizen:

1894 Reis naar Bayreuth, Tirol Beieren in Augustus met August Strater.

1895 17 Sept. reis met August Driessen naar Fransch Zwitserland, Martigny, waar we eenige dagen uitgingen (Montanvert) met August Philips en vrienden (latere Directeur der Philips' fabrieken).

1896 Huwelijksreis naar de Dolomiten.

1897 13 Aug.-4 0ct. verblijf in Delft (Terborg), geboorte Jettie

1898 13 Aug.-4 Oct. verblijf in Scheveningen, in Nicolette door Vader Roes gehuurd.

1899 30 Juni-24 Juli verblijf in Delft, geboorte Wim

1900 2 Sept.-24 Sept. Oberammergau en daarna over Straatsburg Parijs;

1901 5 Aug.- Sept, verblijf in Scheveningen villa Jeannette.

1902 4 - 14 Juli Schsische Schweiz, 15 Aug. pension Scheveningen voor Jettie (villa Jeannette).

1903 4 Juli - 23 Juli Salzkammergut, 15 Aug. weer Jet Scheveningen;

1904 28 April Parijs met fam.Dros. 30 Juli-18 Aug. Scheveningen.

1905 2 Aug. met Prof. Dr. de Jong reis Weenen, Budapest, Karpaten, Praag.

1906 in Aug. verblijf kinderen en Jettie in Katwijk. 5 Sept. reis door Zwitserland met Jet.

1907 15 Aug. reis door Zwitserland.

1908 10 Aug. Pension Katwijk (Hotel du Rhin), 13 Aug.-6 Sept. Zwitserland, Tyrol, Mnchen, Italie.

1909 Kinderen Katwijk Hotel du Rhin, in Oct. Parijs, Beiroets, Lourdes, Bagneres de Luchon, Barcelona, Middell.Zee, Marseille.

1910 Verblijf in Terborg van 23 Juli-14 Aug.

1911 22 Mei-2 Juni reis naar Londen met Toon en Let, 20 Juli 24 Aug. in snikheete zomer in Oosterbeek pension.

1912 Huwelijksreis Heidelberg Dolomiten, Salzburg, Mnchen.

1913 5 Sept. - 20 Sept. Baden-Baden, Parijs met H.v.Wensen en A.Driessen.

1914 27 Juli - 8 Aug. Berg en Dal - Nijmegen.

1915 2-23 Aug. ElIecom.

1916 1 Aug.-22 Aug. Ellecom.

1917 24 Juli-14 Aug. Ellecom, 13-18 Sept. Groningen, Friesland.

1918 Zilveren Doktoraat, A'dam in Juli, Aug. Ischias.

1919 26 Aug. Belgi, Dieren, Zwolle, Breda.

1920 11 Aug. Pension Groesbeek, 29 Sept. met 4 personen Parijs.

1921 16 Juli - 7 Aug. pension Ellecom met 10 personen.

1922 15 Aug. reis Mnchen, Partenkirchen, Wiesbaden.

1922 13-23 Oct. met Dora reis Belgie.

1923 28 Juli - 16 Aug. met 6 personen reis Zwitserland van 16 Aug.- 25 Aug. in Bergen.

1924 19 Juli - 5 Aug. 5 p. Zwitserland en 6-20 Aug. verblijf Bergen, Theo naar Londen.

1925 Koperen Huwelijksfeest, reis Italie 7 weken. Verblijf Valkenburg, Hans en Jet naar Zwitserland en Theo en Wim naar Zwitserland.

1926 22 Juli-14 Aug. Valkenburg, 17 Juli jongens Zwitserland.

1927 Trouwen Jet en verhuizing naar Nijmegen.

1928 15 - 17 Mei Remagen Coblenz, reizen jongens Zwitserland 2-24 Aug. verblijf Remagen (Wim, Prof.Verhaar)

1929 Verblijf Nauheim, later ziekte.

1930 Reis Nauheim, Luxemburg en later verblijf Echternach, Hotel Belair.

1931 Verblijf Wernigerode (Harz) Hotel Lindenberg.

1932 Reis Italie, met Jeannet, 21 Jan.-25 Febr. Freudenstadt later in den zomer.

1933 Verblijf Brugge, reis Mnchen-Zellamsee. Reis Jeannet Rome Congres.

Tenslote nog eenige bijzonderheden omtrent familieleden:

De 2e vrouw van mijn Grootvader was, zie bl. 2, Geertruida Agnes Kroesen, ik heb haar gekend, wonende op de Schie op een bovenhuis te Rotterdam, zij was een kleine magere vrouw, met een blind oog (leukoom), een lief hartelijk mensch, die steeds in huis moest blijven omdat zij lijdende was aan 't toenmalige crux medicorum, een groot ulcus cruris, waarvoor Oom Hellegers haar behandelde, tante Mietje (zie hierna) leefde met haar en verpleegde haar.

Grootma Coebergh.

geb. van den Braak was gehuwd met Henricus Sebastianus Coebergh. Dit was dus de stamvader van Moeders zijde. Hij Was geboren te Leiden den 11 Febr. 1796, volgens de overlevering ging hij school op de Nutsschool aan het steenschuur te Leiden. Doordat hij als kwajongen dien dag van school spijbelde werd hij geen slachtoffer van de ramp van Leiden op 7 Jan. 1807, waarbij alle leerlingen dier school omkwamen. Zijn ondeugd was oorzaak, dat 't geslacht Coebergh bleef voortleven, daar hij eenige zoon was, wijl zijn broer aan de Berezina, tocht van Napoleon naar Rusland sneuvelde.

De vader van hem, Hendrik Coebergh, was ook een Rotterdammer. Hij stierf op 53 jarigen leeftijd in 1838, was gehuwd met Johann Catherina Nieuwenhuizen, zij bezaten het logement "de Zon" op de Breestraat (later huis van Reinke). Hendrik Sebastiaan was 31 Aug. 1924 gehuwd te Pijnakker met Dorothea Maria v.d. Braak, die 17 Dec. te 's-Gravenhage was geboren. De man is als apotheker te Leiden in het huis Nieuwe Rijn 18 op 30 Maart 1846 aan typhus overleden, zijn weduwe nalatende 6 kinderen.

Ik herinner mij grootma Coebergh, wonende boven de apotheek van Oom Henri. Zij was een magere vrouw met zwarte muts met linten op, zooals toen gedragen werd. Tegen St. Nicolaas mochten de Peetkinderen de schoen komen zetten en op 5 Dec. werd dan eerst naar den sleutel gezocht, daar "St. Nicolaas" de kamer afgesloten had en vonden wij daarna bij iedere schoen, een geschenk staan met versnaperingen. Zij kwam dagelijks bij ons eten op de Lange brug en daar zij oud zijnde ook slecht ter been was, mocht ik als jongen van 10, 11 jaar haar halen voor tafel en 't ronde bolle mandje dragen, waarin de muts was geborgen. Zij was een groot liefhebster van kaartspelen: jassen, en leerde zij mij al vroeg "smous" jassen (a deux), 't kruisjassen gebeurde met vieren; zij is op 84 j. leeftijd overleden en had in de laatste

jaren van haar leven, daar zij wat kindsch werd, een Belgische zuster als verpleegster bij zich. Zij was een zuster van oud oom Cornelis van den Braak, wethouder te Schoonhoven, van waar Grootma Weebers afstamde; de familie Coebergh logeerde vaak in Schoonhoven op de Haven.

Van de fam. Weebers (zie fam. register) nog 't volgende; De oudste zuster van mijn vader was:

1. Dina Margaretha (zg. Tante Dientje) 19 Dec. 1822 te R'dam geboren en gehuwd met Dr. (van de Klininische school) Anthony Hellegers. Zij woonden op de Leuvehaven 139 te Rotterdam op een bovenhuis. Tante Dientje was op kostschool geweest in Deijnze in Belgie, zij sprak goed Fransch. Oom Hellegers was scheepsdokter; vooral in mijn jeugd heb ik er maanden gelogeerd; hun twee zoons waren Willem en Mas. De le. studeerde in de rechten in Leiden, (naast ons wonende en dagelijks bij ons etende) later in A'dam. Hij stierf plots 29 Dec. 1952 op 77 j. leeftijd als Vice Pres. van de Rechtbank te Breda. Mas een voorlijke jonge man, 12 ambachten 13 ongelukken, vertrok omstreeks '86 naar de Transvaal en overleed in 1921 in Pretoria in "a Mentalhospital".

2. Johannes Hendricus Weebers heeft gestudeerd voor geestelijke. Op de speelplaats is hij met sneeuwballen gooien doof geworden, is toen gaan studeeren voor onderwijzer en werd gouverneur bij de kinderen van de familie Rijckevorsel in Vught, toen die kinderen groot waren, bleef hij hulpbehoevend achter; mijn vader zorgde voor hem, welke zorgen wij in 1898 overnamen, Oom Jan overleed op Kerstdag 1914.

3. Cathrina Elisabeth, zg. Tante Cato, heb ik maar weinig gekend, zij was gehuwd met Johannes v. Lith, ik meen een handelsreiziger in Brabant, kinderloos overleed zij te Liempde 18 Mei 1900 op 73 j. leeftijd.

4. Was mijn Vader.

5. Michel Willem Hendrik woonde in Parijs en was employe bij 't National Comptoir d'Escompte, hoe hij in Parijs was verzeild weet ik niet. Volgens de overlevering zou hij in 1870 bij de commune van Parijs met een milliard francs met een zijner directeuren van Parijs naar Nantes zijn gevlucht om dit geld te bergen. Na den opstand kwam hij terug en verbeterde zijn positie. Intusschen ging hij toen lijden aan algemeene paralyse en werd door mijn vader uit Parijs gehaald en onder gebracht bij Oom Jan in Vught, waar hij op 71 j. leeftijd in l901 overleed.

6. Maria Caecilia Hubertina, tante Mietje, zij verpleegde op de Schie haar stiefmoeder, grootvaders tweede vrouw, Geertrui Agnes Kroesen; zoo nu en dan reisden wij op een Zondag naar Rotterdam, dronken er koffie en gingen 's-middags naar de Diergaarde o.a. gebeurde dit op 13 April 1873, toen een telegram, vermeldende de geboorte van Dora Coebergh, ons naar Leiden terug riep, ik herinner dit mij nog zeer goed.

7. Petrus Johannes, Oom Piet was de oudste en eenige zoon uit het tweede huwelijk van mijn grootvader. Helaas, was de verhouding der kinderen uit 't eerste huwelijk en hem geen goede, eerst toen mijn vader ziek was en bediend, kwam ook Oom Piet spontaan aan 't ziekbed van mijn vader, dit maakte veel goed; wij kinderen hebben dit altijd op hoogen prijs gesteld en is van toen de verhouding een zeer prettige geworden. Wij hebben later herhaaldelijk bij Oom Piet, die in 't tweede huwelijk gehuwd was met Gonda Beijnes (van de groote fabrieken uit Haarlem) gelogeerd, zij woonden, nadat Oom Piet, die in Scheepvictualien handelde in Rotterdam veel geld verdiend had, in een fraai huis in de Loolaan te Apeldoorn. Schilderijen uit de fam Weebers afkomstig en die ons beloofd waren, hebben wij niet gekregen. 't Was niet beschreven en de erfgenamen v.Everdinger, Mr. Leesbergh en Kolonel Verberne waren niet eenstemmig om ze ons tegen taxatie af te staan, op het verzet van Mr.Leesbergh stuitte dit af.

Van 't geslacht Weebers zijn dus mijn broer Toon op 28 Jan. 1908 gehuwd met Aletta Janssen en ik degenen, die 't geslacht Weebers hebben in standgehouden en door het bezit van 2 en respectieve 3 zoons is de kans van uitsterven niet groot.

Van t geslacht Weebers zijn verder 2 nakomelingen van Tante Dientje, gehuwd geweest met Anthony Hellegers, Willem en Marie (altijd Mas genoemd). Willem studeerde na 't Gymnasium te R'dam te hebben bezocht eerst in Leiden, toen in Amsterdam, waar hij promoveerde tot Mr. in de rechten. Hij vestigde zich toen als advocaat in A' dam op de Keizersgracht , was er o.a. geassocieerd met Mr. Vonk de Both en werd in 1896 rechter-plaatsvervanger in A'dam en in 1902 rechter te Breda en aldaar in 1911 vice pres.

v.d. Rechtbank. Hij overleed plotseling (evenals wijlen zijn vader) op de rechtbank 29 Dec. op 77 j. leeftijd.

Hij was Aug. 1887 gehuwd met Ida Maria Berger uit Venlo, uit het huwelijk werden twee zoons geboren Clemens en Anthony. Zijn broer Mas overleed in Pretoria in 1921.

Over de broers en zusters van mijn Moeder het volgende:

1. Adriana Wilhelmina Hendrica Coebergh, geb. 3 Juli 1825 en 21 Juni 1849 gehuwd met Willem Frederik Karel Antonius Truffino geb, 13 Febr. 1825 te A'dam. De lastste in de fam. genaamd "de minister van oorlog" was een kleine, dikke, donkere norsche man, stamde uit Italie, zijn vader was meen ik, juwelier in A'dam. Tante Jane was een vroolijke ziel, ik heb ze gekend wonende Op de Hoogewoerd naast 't gesticht "De Voorzienigheid" in een groot huis met grooten tuin met achteruitgang op 't Levendaal. Er waren 6 meisjes en 4 jongens. Later verhuisde de fam. (oom was steenfabrikant) naar Leiderdorp, toen nog verder in Leiderdorp, terwijl zij na den verkoop der fabrieken naar den Haag verhuisden, waar beiden op de Veenkade overleden, in 1901 Oom, in 1910 tante.

Van de kinderen huwde Dorothe met Henri Schmier (uit dit huwelijk nog Elise Florin geb. Schmier), 2e. Josephine is nog religieuse bij de zusters van Tilburg sinds 1871, is nu in Liempde. 3e. Judith huwde met Carl v.d. Bergh deze laatste nu 82 jaar woont in Beverwijk. 4e. Marie, die in 1875-1878 bij mijn vader, na den dood van mijn moeder het huishouden waarnam, zij leeft nu in Leiden in t Elisabethsgesticht. 5e. Hermine eveneens sinds 1875 religieuse in dezelfde orde in Diessen bij Tilburg 6e. Jeannette gehuwd met Joseph Brantjes in Purmerend. 7e. Joseph (eerst opgeleid voor Geestelijke) in Malang overleden op 35 j. leeftijd. 8e. Willem gehuwd met Margo v. Engelen. 9e. Henri eerst gehuwd met Louise Gallas, na haar dood in 1921, hertrouwd met Mej.Smeele; hoofd van een door hem gesticht floreerend bankiershuis in den Haag. 10e. Laurent gehuwd met Josephine Smit, als hoofdambtenaar bij de posterijen gepensioneerd.

2. Was mijn moeder in 1875 overleden.

3. Henricus Cathrinus, in 1833 geboren, was hij apotheker te Leiden op de Nieuwe Rijn 18, was 4 dagen voor mijn geboorte (27 April 1864) gehuwd met Anna van Bree, die in 1866 aan tbc. overleed. Uit dit huwelijk Henri, eerst opgeleid voor geestelijke, later boekhandelaar in Haarlem, hij huwde in '96 met Cornelia Schippers uit dit huwelijk 11 kinderen. Oom Henri hertrouwde in 1867 met Petronella van Catz uit Gouda, uit welk huwelijk stamden: 2e. Koos Coebergh in 1891 gehuwd met Caroline Jansen, in Schiedam, eerst apotheker aldaar, later inspect. en nu hoofdinspect. der volksgezondheid te Utrecht in de Pharmacie. Uit zijn huwelijk 7 kinderen; 3e Johanna Coebergh in 1851 gehuwd met den broer van Caroline Jansen, Piet, uit welk huwelijk 8 kinderen en 4e. Peter Coebergh in 1901 eerst getrouwd met Caroline Brom uit welk huwelijk 5 kinderen; Peter is in 1930 op 62 j. leeftijd hertrouwd met een zeer jonge vrouw Thea Hffges uit Dsseldorf, hij was tandarts, zeer gerenommeerd in Utrecht en daar directeur geworden van het tandheelkundig instituut.

4. Antonius Joannes in 1839 geboren, werd hij altijd bijgenaamd "De Vroedmeester". Hij was reiziger bij de firma Hellebrekers in R'dam, zelf later Likeurstoker, oprichter van een groote zaak op dit gebied (firma Coebergh en de Bruijn). Was gehuwd in 1873 te A'dam met Anna de Mol. ook een wijnkoopersdochter, woonde eerst in 't Boschje te R'dam, later in de Wenastraat bij de zaak en overleed in 1924 te Scheveningen in "Maris Stella". Uit dit huwelijk 7 kinderen. le. Dorothe gehuwd met Petrus Vismans, zij had een groote naam op charitatief gebied in Rotterdam, had 6 kinderen, waarvan 3 Dominikaan, 2e. Henri ook met een Vismans gehuwd, is in de wijnzaak. 3e. Petrus is Dr. in de Chemie, leeraar in 's-Bosch gehuwd met een Juffr. Grasveld. 4e. Anton gehuwd met een juffr. Sinnighe heeft een boekhandel (firma Schrder, Rokin A'dam). 5e. Anna gesepareerd van een Scheffer. 6e. Jan in Brazilie overleden. 7e. Ignatius woont in den Haag, heeft een zoon in Indie.

5. Johannes Adrianus Franciscus geb.14 Aug. 1841 te Leiden was een kundig man (trouwens al de andere kinderen Coebergh waren dit ook). Hij werd zeer geprotegeerd door den toenmaligen Hoogleeraar in 't Romeinsch recht Prof. Dr.J.E.Goudsmit; deze bezorgde hem als cand. not. het schoolopzienerschap, toen werd hij notaris, terwijl hij ook gepromoveerd was in de rechten Op t Steenschuur herinner ik mij hem met als klerken op zijn notariskantoor Dondorp en Licht; hij geraakte doordat Caroline Schermer (geboren in 1850) bij mijn moeder in huis was, die zich haar had aangetrokken na de debacle met Not. Schermer, op haar verliefd en trouwde in 1872 met haar te Rijswijk. Oom Jan Coebergh heeft in Leiden een groote rol gespeeld, als Notaris was hij al spoedig de vertrouwensman van rijk en arm, katholiek, Jood, Protestant, hij verwierf een groot vermogen, woonde na 't Steenschuur op de Hoogewoerd en toen later in t groote huis op de Breestraat (tegenwoordig bioscoop). Hij zat in allerlei commissies, had veel voorspoed en zegen, maar ook hem troffen 3 groote rampen. Hij had 11 kinderen. le. Dora in 1873 geboren heeft zich in Leiden verdiensten verworven op 't gebied der weldadigheid. 2e. Henri Mr. en Notaris zijn vader opgevolgd in 1904 gehuwd met Marie v Cranenburgh (5 kinderen). 3e. Marie gehuwd met Mr. Philip Libourel, die eerst op kantoor was bij zijn schoonvader, nu Notaris in Delft. 4e. Jan, Dr. in Nijmegen gehuwd met Mies Roes. 5e. Jeannette weduwe van Mr.G.v.Ditzhuijzen. 6e. Caroline gehuwd met Mr.A.v.d.Elst. 7e. Hugo ongehuwd in 1919 overleden. 8e. Julie gehuwd eerst met den Marine Officier Christoffel Bruinsma, later in 1917 met Eduard Libourel hertrouwd. 9e. Willem, mijn petekind geb. 11 Juli 1891, in Mittweida als ingenieur gepromoveerd. l0e. Josephine in 1917 met Nol de Bruijn en l1e. Annie, die nu met Dora samenwoont. 3 Rampen heeft de fam. Jan Coebergh getroffen. le. De plotselinge dood van Cris Bruinsma op 16 Nov. 1914, die bij het demonteeren van een mijn te Westkapelle (Zeeland) omkwam, zoodat men vrijwel niets heeft teruggevonden van hem. Ten tweede de plotselinge dood van Tante Caroline, die 3 Dec. 1914 boodschappen doende voor 't St.Nicolaasfeest over de rails van de tram struikelt (zij was diabetica) -en dood lag in den gang van een huis op de Breestraat, waarheen zij snel was veggedragen, tenslotte de plotselinge dood van Hugo, die op 24 Juli 1919 in den Haag overleed.

6. Marie Hermina Coebergh in 1843 geboren, en opgenomen in de congregatie der Zusters van Tilburg in 1862. Zi j was een vroolijke ziel van wie niemand ooit gedacht had, dat zij religieuse zou geworden zijn. Vele jaren was zij in Leiden, werd daar rnoeder assistante heeft ten slotte gekregen een ruggemerg lijden, waarvoor zij lang verpleegd werd in den Haag. Zij is hersteld en toen geworden Moeder Overste in 't gesticht in Rijsenberg, waar ze in 1907 overleed.

Familie Roes.

Eind September 1895 vond ik bij mijn thuiskomst van een reis met Aug. Driessen in Fransch Zwitserland een uitnoodiging tot kenntsmaking met de fam. Roes in Delft. De oude heer Roes, Henricus, Hermanus geb. Maart 1830 in Heteren - wiens vader Burgemeester was van Heteren en een gelegenheid heeft gehad tegelijk met de fam. v . Nispen tot Zevenaar geadeld te worden, maar daarvoor bedankt had, was toen wethouder van Delft, een lange statige man, met lange, witte baard, gastvrij en hartelijk, zijn vrouw was Henriette, Cornelia Maria van Schaik, geb. 2 Jan. 1837 en dus toen 58 jaar, een allerliefste vrouw, hun gezin bestond toen uit le. Robert- gehuwd met Louise Triebels, 2e, Theodora gehuwd met Eduard Schaepman in Zwolle. 3e. Dorothea gehuwd met Koos van Munnekrede, toen postdirecteur in Grave. 4e. Theodoor gehuwd met Tonia Deurvorst. 5e. Henri getrouwd met Clemence Driessen. 6e. Henriette, mijn vrouw . 7e . Anna, later getrouwd met Dr. A . Jorritsma te Zwolle en 8e. Gerard, toen 19 jaar oud.

Gedurende rnijn engagements/lid vielen er ook in die familie zware slagen. De oudste dochter, die ik eenmaa1 ontmoette, stierf 28 Dec. 1895 aan buikvliesontsteking in korte dagen, Henri, die met Rob en Theo in de leerlooierij was., stierf plots op 28 j. leeftijd op 11 April 1196, toen hij op 't punt stond zi jn schuttersplichten te gaan uitoefenen en daarbij lag de benjamin van 't gezin, om zijn koppigheid bijgenaamd "Pruist", sinds jaren op een rekverband met een open tbc. van de wervelkolom, waaraan hij in 1898 overleed. Er heerschte in de familie Roes een groote familiezin, dank zij de traditioneele gewoonte om Zondags alle kinderen aan den ouderli jken disch te z ien. "Pa" Roes, overleed 4 Febr. 1900 aan een subphrenisch abces en Moeder Roes - van Schaick, die in die jaren jaarlijks een kuur deed in Carlsbad op 24 Nov. - 1913 aan een hart degeneratie.

Beide schoonouders waren allerliefste menschen.

Toen mijn vrouw in 1910 overleed, heeft Ma Roes mij altijd voorgehouden met 't oog ook op mijn kinderen en mijn praktijk opnieuw een goede vronw te zoeken. Toen ik daarin geslaagd was, was de wijze, waarop zij Dora ontving voor ons beiden onvergetelijk. Jaarlijks moesten wij de St.Nicolaasavond er doorbrengen en nog altijd is er met 't latere geslacht Roes een hartelijke band blijven bestaan.

Over de nu nog levende familieleden van verschillende zijde zal ik niet uitwijken, slechts nog dit eene, dat ik, helaas, Doras Vader niet gekend heb, wel haar Moeder, die ik van 1912 tot 1933 heb leeren waardeeren als een vrouw, die haar leed, den dood van haar tvree groote zoons, Joop en Theodoor, gevoegd bij haar verkregen doofheid, voorbeeldig droeg en altijd voor mij is geweest een allerliefste vrouw vol hartelijkheid en deelneming en die opging in het geluk van haar kinderen.

Deze "Memorabilia", al of niet belangwekkend voor mijn kinderen en het nageslacht, wil ik ten slotte besluiten met een

W E N S C H

die ik beschouw als een soort testamentaire wilsuiting.

Deze Wensch is deze, dat ik van harte hoop, dat mijn kinderen en hun nazaten getrouw zullen blijven aan het R.K.Geloof van hun Ouders. Beschouwt de genade van het Geloof, evenals die van het leven, als een gave Gods; volhardt in dit Geloof onzer Vaderen en betracht daarnaast de onderlinge liefde en eendracht met raad en daad onder elkander, dan vervult ge daardoor den hartewensch van Uw aller Vader.

 

Nijmegen, April 1934.

W.T.M.Weebers.

 

Home Page |  What's New |  Most Wanted |  Surnames |  Photos |  Histories |  Documents |  Cemeteries |  Places |  Dates |  Reports |  Sources