Maarten van Rossem

Maarten van Rossem

Male Abt 1480 - 1568  (~ 88 years)    Has more than 100 ancestors but no descendants in this family tree.

Personal Information    |    Notes    |    All

  • Name Maarten van Rossem 
    Relationshipwith Francis Fox
    Born Abt 1480 
    Gender Male 
    Died 03 Sep 1568  Zaltbommel Find all individuals with events at this location 
    Person ID I680560  Geneagraphie
    Last Modified 4 Jul 2013 

    Father Johan Johanszoon van Rossem,   d. 1512 
    Mother Johanna van Hemert,   d. Yes, date unknown 
    Married Bef 1478 
    Siblings 2 siblings 
    Family ID F188265  Group Sheet  |  Family Chart

  • Notes 
    • Maarten verwierf in zijn leven de titels van heer van Poederoijen, pandheer van Bredevoort, heer van Cannenburgh, heer van Lathum en Baer, was maarschalk van Gelre en later keizerlijk stadhouder van Luxemburg.

      Aan het eind van 15de en het begin van de 16de eeuw probeerden de Bourgondiërs (onder anderen Karel de Stoute) en hun opvolgers de Habsburgers (keizer Maximiliaan I van Oostenrijk en keizer Karel V) hun erfgrondgebied in de Nederlanden uit te breiden. Zij hadden in de noordelijke Nederlanden reeds Brabant, Holland en Zeeland onder controle, maar trachtten ook de rest van dit gebied te veroveren. Dat leverde strijd op met de bisschop van Utrecht, die heerste over het Sticht (Utrecht) en het Oversticht (Overijssel, Drenthe en Groningen), met de hertog van Gelre (Gelderland), en met het min of meer ?vrije? Friesland. Er werden door de Habsburgers geregeld zelfs militaire campagnes in deze gebieden ondernomen, wat dan weer reacties opriep van deze tegenstanders.

      Maarten was in dienst van hertog Karel van Gelre. Hij was een bekwaam en in zijn tijd een gevreesd legeraanvoerder. De hertog wilde de Habsburgers uit Gelre houden, opdat Gelre zelfstandig kon blijven. Maarten van Rossum vocht een kleine dertig jaar (1514 - 1543) voor de Gelderse zaak tegen de Habsburgers. Zijn stijl van oorlogvoeren leek op die van zijn Italiaanse collega's, de condottieri, en kenmerkte zich door guerrilla-achtige tactieken, waarbij de burgerbevolking niet werd ontzien. Naar men zegt was zijn motto "Branden en blaken is het sieraad van de oorlog". Over de wijze waarop Van Rossum oorlog voerde zijn de meningen verdeeld: er zijn historici die hem een 'extreme bruut' noemen en die zijn 'agressieve plunderzucht' laken.

      Door krijgslisten wist hij in 1514 en 1527 respectievelijk Arnhem en Rhenen te veroveren. In Arnhem wist hij een deel van zijn soldaten verborgen onder het hooi de stad binnen te smokkelen en in Rhenen verstopte hij soldaten in het struikgewas die gebruik maakten van een hooiwagen die in een van stadspoorten bleef steken. Met deze krijgslisten liep hij vooruit op soortgelijke escapades zeventig jaar later door de prinsen Maurits en Willem Lodewijk, zie bijvoorbeeld het turfschip van Breda)

      In 1516 brandde hij dorpen in de Alblasserwaard plat, onder andere Bleskensgraaf). In deze fase van de Gelderse oorlogen werkte hij samen met de Friese opstandelingenleiders Pier Gerlofs Donia (Grote Pier) en Wijerd Jelckama (Grote Wierd).

      Later werkte hij ook tot op zekere hoogte samen met het Franse leger om in beider belang zo mogelijk een tweefrontenoorlog tegen de Habsburgse machthebbers in Brussel te kunnen voeren. Toen Gelderland de soldij niet meer kon betalen nam Grote Pier de zogenaamde Arumer Zwarte Hoop, een troep Duitse huurlingen die aanvankelijk met Gelders geld betaald waren, over om tegen Medemblik op te trekken, een stad die Grote Pier haatte. Daarna trok de Zwarte Hoop al plunderend naar het zuiden en om Amsterdam heen naar het oosten, richting Duitsland, waarbij het onder andere in Medemblik en Asperen tot betreurenswaardige uitspattingen kwam.

      In 1519 werd Van Rossum door Karel van Gelre tot bevelhebber van het Gelders leger benoemd. In 1527 veroverde hij Utrecht. Van daaruit voerde hij begin maart 1528 met 1500 tot 2000 man troepen een plundertocht uit op Den Haag. Hij brandschatte het niet-ommuurde 'dorp' en plunderde de omgeving. Omdat de burgers van de stad het door Van Rossum geëiste bedrag van naar verluidt 28.000 gulden niet konden opbrengen nam hij genoegen met 8.000 gulden. Wel voerde hij een aantal aanzienlijke Haagse burgers, die niet naar Delft of de duinen hadden weten te onstappen, als gijzelaar mee naar Utrecht en Arnhem, waar sommigen van hen naar men zegt twee jaar gevangen zaten. Sommige families kregen belastingvrijstelling om de losgelden te kunnen betalen. Deze plundertocht op Den Haag baarde groot opzien en was voor Holland en Brabant het sein om de verdediging serieus ter hand te nemen, te meer daar Van Rossum bij zijn overval geen echte tegenstand had ontmoet.

      In 1528 werd hij door de hertog van Gelre tot maarschalk van Gelderland benoemd. In 1542 voerde Van Rossum in een bondgenootschap met de koningen van Frankrijk en Denemarken een serieuze veldtocht tegen de Habsburgers. Hij had de beschikking over een leger van ruim 15.000 man waarmee hij Antwerpen belegerde. In een veldslag voor de poorten van de stad versloeg hij een leger onder aanvoering van René van Chalon, de toenmalige prins van Oranje. Daarbij vielen aan Habsburgse kant ongeveer 2000 slachtoffers. Van Rossum had zijn infanterie achter zijn 'Zwarte ruiters' opgesteld. Dat werd door de Habsburgers niet opgemerkt, waardoor zij overmoedig de aanval inzetten op Van Rossums cavalerie. Voor en na zijn overwinning brandde van Rossum de omgeving van Antwerpen en Leuven geheel plat. Daardoor bleef, volgens tijdgenoten, de omgeving van Antwerpen gedurende de hele zestiende eeuw een landelijk karakter houden, in tegenstelling tot vorige eeuwen. Van Rossum slaagde er echter niet in om de grote steden Antwerpen en Leuven daadwerkelijk in te nemen. Een aanval op de muren van Antwerpen werd afgeslagen. Deze Brabantse veldtocht leidde in 1543 tot een stroom van pamfletten die van de Antwerpse persen rolden. Daarin werd de vraag gesteld wie van de twee 'Maartens' nu erger was, Maarten Luther of Maarten van Rossum. Uiteraard zagen de direct betrokkenen Maarten van Rossum als het grotere kwaad. De Antwerpse dichteres Anna Bijns daarentegen was van mening dat het optreden van Maarten Luther veel schadelijker was: Van Rossem kwelt lichamen, maar Luther richt zielen te gronde.

      Onder zijn opvolger Willem van Kleef viel het doek voor de Gelderse zaak. Toen de Gelderse schatkist weer eens leeg was en de Habsburgers een nieuw leger onder Lamoraal van Egmont (dezelfde graaf van Egmont die later op de grote markt van Brussel wordt onthoofd) in de strijd wierpen dat in 1543 de onder Gelders gezag staande stad Düren platbrandde en gedeeltelijk uitroeide, gaven de andere Gelderse steden zich over. Deze intimidatie (een "shock-and-awe" tactiek avant le lettre) zou volgens sommigen vijfentwintig jaar later de hertog van Alva hebben geïnspireerd om aan het begin van de Tachtigjarige Oorlog de steden Naarden, Zutphen en Mechelen uit te roeien, met als doel door angst de opstand neer te slaan. Hertog Willem moest Gelre en het graafschap Zutphen aan Karel V overgeven.

      Als competent beroepsmilitair werd Maarten vervolgens gevraagd dienst te nemen in het leger van zijn voormalige vijand, keizer Karel V. In keizerlijke dienst werd hij stadhouder van Luxemburg.

      In het voorjaar van 1555 werd Maarten ziek, mogelijk raakte hij besmet met de pest of de tyfus. Hij bevond zich in de vesting Charlemont in het stadje Givet, in de Ardennen. Op 7 juni 1555 overleed Maarten van Rossum in Antwerpen, waar hij heen was gebracht voor de beste medische behandeling. Zijn lichaam werd overgebracht naar Rossum en werd daar in de kerk begraven. Hij had er een marmeren tombe laten maken, die echter weer tijdens de beeldenstorm verwoest werd. Het gebeente werd in 1599 na het Beleg van Zaltbommel overgebracht naar de Sint-Janskathedraal in 's-Hertogenbosch. In zowel Rossum als in 's-Hertogenbosch is echter geen spoor meer te vinden van zijn tombe. Het verhaal gaat dat zijn schedel naar Kasteel De Cannenburgh werd gebracht, en in 1883 naar het gemeentemuseum van Arnhem. Daar zou hij door oorlogshandelingen in 1944 definitief verloren zijn gegaan.

      In Zaltbommel staat het Maarten van Rossumhuis. Dit prachtige 'stadskasteeltje' dateert uit omstreeks 1535. In het gebouw is sinds 1937 het Maarten van Rossummuseum gevestigd. Een ander "Huis van Rossum" staat in Arnhem, ook wel het Duivelshuis genoemd


Home Page |  What's New |  Most Wanted |  Surnames |  Photos |  Histories |  Documents |  Cemeteries |  Places |  Dates |  Reports |  Sources