Jacob le Maire

Jacob le Maire

Male Abt 1585 - 1616  (~ 31 years)    Has 3 ancestors but no descendants in this family tree.

Personal Information    |    Media    |    Notes    |    Event Map    |    All

  • Name Jacob le Maire 
    Relationshipwith Francis Fox
    Born Abt 1585  Antwerpen, B Find all individuals with events at this location 
    Gender Male 
    Died 22 Dec 1616 
    Person ID I641276  Geneagraphie
    Last Modified 15 Jan 2017 

    Father Isaac le Maire,   b. 1558, Doornik Find all individuals with events at this location,   d. 1624  (Age 66 years) 
    Mother Maria van Walraven,   d. 1621 
    Siblings 3 siblings 
    Family ID F280893  Group Sheet  |  Family Chart

  • Event Map Click to display
    Link to Google MapsBorn - Abt 1585 - Antwerpen, B Link to Google Earth
     = Link to Google Earth 
    Pin Legend  : Address       : Location       : City/Town       : County/Shire       : State/Province       : Country       : Not Set

  • Photos
    641276.png
    641276.png

  • Notes 
    • In de Republiek had de VOC het monopolie op de handel in specerijen uit Indië via routes langs Kaap de Goede Hoop en door Straat Magellaan . De in Egmond wonende Amsterdamse koopman Isaac le Maire , Jacobs vader, zocht daarom een andere doorgang naar de handelsgebieden in de Oost. Hij richtte daarvoor de Australische Compagnie (ook wel de Zuidelijke Compagnie genoemd) op met als doel een route westwaarts te vinden naar de Molukken, handel te drijven in de Grote Oceaan en het veronderstelde Groote Zuidland te ontdekken.
      Isaac le Maire rustte twee schepen uit, de Eendracht en de Hoorn, die op 14 juni 1615 vanuit Texel vertrokken. Zijn zoon Jacob was commandeur van de missie, en Willem Cornelisz Schouten was schipper op de Eendracht. Via Sierra Leone kwamen zij in december aan in Porto Desire ( Puerto Deseado ) aan de kust van Patagonië in Argentinië , waar de Hoorn bij onderhoud op 19 december door brand verloren ging. Op 13 januari 1616 vertrok de Eendracht en op 24 januari ontdekten zij een doortocht tussen Vuurland en Stateneiland . Deze doortocht heet nu Le Maire Straat . Opmerkelijk snel, in vijf dagen, wisten zij Kaap Hoorn (die ze noemden naar hun thuishaven) te ronden.
      In de Grote Oceaan ontdekten zij een groep eilanden die zij de Hoornse eilanden noemden, een naam die later door cartografen werd overgenomen: de huidige naam is Îles de Horne. Jacob le Maire stelde een woordenlijst op van het Niuatoputapu , een nu uitgestorven taal op de Tonga-eilanden .
      Bij aankomst in Jacatra werden op 2 november 1616 schip en goederen in beslag genomen, omdat de toenmalige tweede man na de Gouverneur-Generaal en fervent verdediger van het VOC-monopolie Jan Pieterszoon Coen niet geloofde dat Schouten en Le Maire een andere route dan de Straat Magellaan hadden gevonden, en dus het VOC-octrooi hadden geschonden; ze werden naar Nederland teruggestuurd, maar Le Maire overleed tijdens de reis op 22 december 1616 .
      Eerherstel vond pas jaren later plaats. Een reisverslag werd door Schouten in 1618 gepubliceerd, waarin hij op de voorgrond werd geplaatst. Dit reisverslag werd later door Joris van Spilbergen bewerkt, zodat de rol van Le Maire duidelijker werd, en hij voegde dit toe aan het verslag van zijn eigen wereldreis . In 1622 werd uiteindelijk postuum een gedetailleerd reisverslag van Le Maire gepubliceerd: Spieghel der Australische Navigatie door den Wijtvermaerden ende Cloeckmoedighen Zee-heldt Jacob Le Maire
      Samenvatting van de "Australische Navigatien ontdeckt door Jacob le Maire"
      Omdat de Staten Generaal van de Verenigde Nederlanden aan de VOC het alleenrecht hadden verleend op reizen naar Indië via Kaap de Goede Hoop en via de Straat van Magellaan overwoog de koopman Isaac le Maire in 1615 om een zoektocht te organiseren naar een nieuwe doorgang van de Atlantische naar de Stille Oceaan ten zuiden van Straat Magellaan. Daarvoor nam hij Willem Cornelisz Schouten in de arm. Schouten was een ervaren schipper die al driemaal naar Indië was gezeild in de functies van schipper, stuurman en koopman. Isaac le Maire en Willem Cornelisz Schouten zouden ieder de helft van de fondsen voor deze reis werven. Een aantal notabelen van de stad Hoorn investeerden in de reis. Daaronder waren Pieter Clementsz Brouwer, oud-burgemeester van Hoorn, Jan Jansz Molenwerf, schepen, Jan Clementsz Kies, secretaris en Cornelis Segertsz, burger van Hoorn.
      De reis werd geheel in het geheim voorbereid, want als het doel bekend zou worden dan zou de VOC daar wellicht een stokje voor hebben gestoken. De bemanning werd daarom aangenomen onder de conditie dat ze zouden varen naar waar de schipper en koopman beliefde. Er werden twee schepen uitgerust: de Eendracht, een groot schip van 225 ton met 65 man, 19 kanonnen en 12 stuks kleingeschut, en de Hoorn, een kleiner jacht van 69 ton met 22 man, 8 kanonnen en 4 stuks klein geschut. De schipper van de Eendracht was Willem Cornelisz Schouten en Jacob le Maire was de commandeur en opperkoopman. Op het jacht de Hoorn was de broer van Willem, Jan Cornelisz Schouten schipper en Aris Claesz de koopman. De Eendracht vertrok op 25 mei uit Hoorn naar Texel, de Hoorn volgde op 3 juni.
      Op 14 juni 1615 vertrokken de Hoorn en de Eendracht uit Texel. De bemanning was echter nog niet volledig, want op 17 juni werd Doever aangedaan waar een kanonnier werd aangenomen en op 22 juni deed men het eiland Wight aan om een timmerman te monsteren. Dat lukte niet en daarom ging men verder naar Pleymuyden waar op de 27e een timmerman uit Medemblik werd gevonden. Via Madeira en de Kanarische eilanden zeilden de twee schepen naar de Kaap Verde . Hoewel op 8 juli de ondertimmerman van de Hoorn overleed en op 16 juli in zwaar weer een sloep van de Eendracht losbrak en verloren ging verliep de reis voorspoedig.
      Op 23 juli kwam de vloot bij Kaap Verde Verde aan en tegen betaling van acht staven ijzer aan de gouverneur kreeg men toestemming om water te halen. Limoenen waren er echter niet te krijgen. Wel ving men genoeg vis om de bemanning twee dagen te voeden. Op 1 augustus 1615 zette men koers naar Sierra Leone om te bevoorraden, want inmiddels begon scheurbuik de kop op te steken. De schepen kwamen voor de kust van Sierra Leone uit op de Baixos de St Anna, de ondiepte van St Anna. Op 23 augustus gingen Jacob le Maire met beide bootsmannen aan land. Het was een onbewoonde kust waar ze geen zoet water of fruit konden vinden. De volgende dag gingen er opnieuw mannen aan land en er werden wat limoenbomen gevonden en palmita's maar zoet water bleef een probleem.
      Na een week besloot men de boten wat noordelijker te verplaatsen en men kwam uit in de monding van de rivier Sierra Leone. Hier werd men door de plaatselijke bevolking onthaald met musketschoten . Voor het foerageren eiste de bevolking dat een van de bemanningsleden vrijwillig in gijzeling zou gaan omdat kort daarvoor een Frans schip twee dorpsbewoners had ontvoerd. Hier vond men wel voldoende water en limoenen. Op 2 september werd de Hoorn op het strand gezet om hem schoon te maken. 4 september vertrokken de twee schepen, maar door tegenvallende wind vorderde men niet erg. Pas op 18 september, bijna twee maanden na aankomst op de Kaap Verde, werd de wind gunstig.
      De oversteek begon met tamelijk slecht weer. Het waaide hard met een grote golfslag, zo sterk zelfs dat op 19 september werd besloten om weer terug te keren naar Sierra Leone. In de loop van de dag werd het echter rustiger en de reis kon toch worden voortgezet.
      Op 5 oktober bereikte men 4°27'N ergens tussen Sierra Leone en de Braziliaanse kust, en die middag schrok de schipper op van een lawaai en veronderstelde dat er iemand overboord was gevallen. Toen hij buiten boord keek zag hij dat de zee rood gekleurd was van bloed, maar er bleek niemand in zee gevallen te zijn. Naar later in Porto Desire zou blijken was het schip tegen een zeemonster gevaren. Een slagtand zo groot als die van een olifant was in de scheepshuid blijven steken en had twee grenen en een eiken plank doorboord. De scheepswand was echter gelukkig niet in zijn geheel doorboord want anders was er daar ter plekke een einde aan de reis gekomen. De reis werd vervolgd en op 20 oktober werd 's nachts voor de eerste keer de evenaar gepasseerd.
      Tot dan toe was er gevaren zonder dat de bemanning was ingelicht over het doel van de reis, maar op 25 oktober werd uitgelegd dat het doel was het vinden van een nieuwe doorgang zuidelijk van de Straat van Magellaan om zo nieuwe landen in de Stille Oceaan te zoeken waar grote rijkdommen zouden kunnen worden gehaald of anders een nieuwe route naar Indië te ontdekken. Het reisdoel werd door de bemanning met vreugde onthaald.
      Op 3 november kreeg men zicht op Ascencion, een van de Martin Vaz eilanden , en men was de Zuid-Amerikaanse kust dus tot op 1100 km genaderd.
      Vanaf 24 november begon de Zuid-Amerikaanse kust dichter bij te komen want men zag steeds meer vogels en steenkroos, en op 6 december bleek men recht voor Porto Desire uitgekomen te zijn. Porto Desire is een natuurlijke haven, onbewoond overigens, die eerder door Olivier van Noort werd beschreven. Hij had in detail aangegeven welke klippen te omzeilen om in de riviermond van de Deseado te komen maar doordat het vloed was vergisten Schouten en Le Maire zich en zeilden in een baai ten zuiden van de riviermond. Bij eb raakte de Eendracht daar vast maar tot hun geluk was de wind gunstig en werd de boot niet vernield. Ze noemden de baai de Spieringbaai omdat men er zoveel op spiering lijkende vis kon vangen.
      De volgende dag kon men de inham weer verlaten en de rivier opzeilen. Na 10 kilometer liet men het anker vallen maar de bodem was steenachtig en de ankers kregen geen houvast. De Eendracht liep daardoor op de oever en het jacht Hoorn viel bij laag water zelfs helemaal droog. In eerste instantie hield de wind het jacht nog enigszins overeind maar toen die weg viel kantelde het schip compleet. Het was mogelijk om droogvoets onder de kiel door te lopen, "een dinck seer schrickelijck om te sien". Men beschouwde de Hoorn als verloren maar tot ieders verbazing rees het jacht bij vloed weer op. 's Avonds kon de Eendracht van de oever gehaald worden en 's nachts voegde ook de Hoorn zich weer bij de Eendracht. De volgende dag voer men verder de rivier op tot aan Koningseiland, dat door Olivier van Noort zo genoemd was. De Hoorn meerde daar achter in een natuurlijke haven af maar door tegenwind kon de Eendracht zich daar niet bijvoegen. De Eendracht voer daarom langs de noordoever verder op zoek naar water maar men vond niets anders dan brak water.
      Op 11 december werd de zoektocht op de zuidoever voortgezet, ook zonder resultaat. Wel zag men herten men een lange nek en struisvogels lopen. Ook vond men steenheuvels die bij nadere inspectie graven bleken te zijn van mensen die zo'n 3 meter lang waren geweest. In de omgeving vond men trouwens verder geen tekenen van leven. Voortdurend werden bemanningsleden het land op gestuurd om water te zoeken maar dat bleef vruchteloos. Vis, gevogelte en eieren waren er in overvloed maar het water was brak.
      Op 17 december werd de Eendracht achter het Koningseiland aan wal gezet om de romp schoon te maken, en de volgende dag werd ook de Hoorn aan wal gezet. Op 19 december sloeg het noodlot toe: het vuur dat gemaakt was om de romp van de Hoorn af te branden sloeg in het want en omdat de waterlijn op dat moment te ver van het schip verwijderd was kon men slechts toekijken hoe het schip in vlammen opging. Pas op de 20e was het met vloed mogelijk om de brand te blussen maar het schip was toen al tot de waterlijn afgebrand. De volgende dagen sloopte men het schip: hout, ijzerwerk, kanonnen, ankers - alles wat nog van nut kon zijn werd overgebracht op de Eendracht.
      Op 25 december vonden de mannen eindelijk troebel, maar drinkbaar water in een paar poelen ver het land in. Met kleine vaatjes werd de voorraad water aangevuld. Het proviand bleef hetzelfde: dagelijks vond men eieren en ving men vogels. Ook werd af en toe een zeeleeuw gedood, die best bleken te smaken. Men omschreef ze als beesten die zo groot als een klein paard waren en het hoofd en manen van een leeuw hadden. De enige manier om een zeeleeuw te doden was met een musketschot in het hoofd want doodslaan lukte zelfs na honderd slagen met een koevoet niet. Op 9 januari 1616 was de voorraad water eindelijk aangevuld en op 10 januari probeerde men de zee weer te bereiken maar door tegenwind ging de Eendracht voor anker bij Leeuweneiland in de riviermond. 13 januari werd de wind eindelijk gunstig en koos men opnieuw het ruime sop, op weg naar de zuidpunt van Zuid-Amerika.
      Vijf dagen na het vertrek uit Porto Desire kreeg men zicht op de Sebalds-eilanden . Men liet de eilanden links liggen en op 20 januari werd de eerste mijlpaal van de reis bereikt: op 53° was men zuidelijker geraakt dan de Straat van Magellaan.
      Op 24 januari werden in het westen met sneeuw bedekte bergen waargenomen en later ook bergachtig land in het oosten. Beide landen lagen ongeveer 60 kilometer uit elkaar en er leek een goede passage tussen te zitten. De zelfde dag werd een poging gedaan om door de passage te zeilen maar de wind viel weg en men dreef op de stroming terug. In deze wateren waren zoveel walvissen dat er op gelet moest worden daarmee niet in aanvaring te komen. 25 januari was men het oostelijke bergachtige land dicht genaderd en het strekte zover uit als men kon waarnemen. Men noemde het land Statenland . Het land aan de westkant van de passage noemde men Mauritius de Nassau. Men vermoedde dat er goede plaatsen waren om voor anker te gaan want er waren mooie opgaande zandstranden, vis en gevogelte in overvloed en waarschijnlijk zoet water, maar er groeiden geen bomen. 's Middags was men op de hoogte van 55°36' en 's avond stelde men zeer blauw water vast waaruit de conclusie werd getrokken dat men diep water (de Stille Oceaan) tegemoet ging. Daarover was men zeer verheugd want dat betekende dat men een tot dan toe onbekende doorgang zou hebben gevonden.
      Soms landden grote, op Jan van Gent lijkende vogels op het schip, die van vleugeltip tot vleugeltip meer dan 1,70 meter maten . De vogels waren zo mak dat ze eenvoudig gevangen konden worden. Het weer was bij tijd en wijlen slecht. Op 26 januari (57°) had men gedurende een heel etmaal een vliegende storm uit west-zuidwest. Op 27 januari (56°51') was het koud met regen en hagelbuien, en opnieuw west tot zuidwestenwind. Op 28 januari (56°48') was de wind eerst uit het westen daarna uit het noordoosten.
      Op 29 januari stond er een zuidoosten wind. Na de vroegkost ontdekte men twee kleine eilanden met gevaarlijke grauwe klippen (57°) die de naam Eilanden van Barnevelt kregen. Tegen de avond zag men land met besneeuwde bergen, waarvan men veronderstelde dat dit het vasteland ten zuiden van de Straat van Magellaan was. Het land eindigde in een scherpe hoek die Kaap van Hoorn werd genoemd. Het weer was mooi met wind uit het noorden en een sterke stroom om de west.
      Op 30 januari (57°34') had men blauw water, en de sterke stroming gaf hen nog meer het vertrouwen dat men een doorgang naar de Stille Oceaan had gevonden. Op 31 januari was er geen land meer te zien en veronderstelde men de zuidpunt van Zuid-Amerika gepasseerd te zijn. Het zeer blauwe water verzekerde hen dat de Stille Oceaan voor hen lag, echter zonder enig land. Het weer was slecht: veel regen en hagelbuien en een variabele wind. Op 1 februari wendde de Eendracht de steven in noord noordwestelijke richting en onder storm werd de tocht richting het noorden aangevangen. Op 12 februari kreeg de bemanning een driedubbel rantsoen wijn om te vieren dat ze op dat moment de Straat van Magellaan aan de westzijde passeerden. Bovendien werd op die dag besloten de passage tussen Statenland en Mauritius de Nassau Le Mairestraat te noemen. Tot 1 maart bleef men de noordelijke koers volgen.
      Op 1 maart werden 's morgens op een breedte van 33°45' de eilanden van Juan Fernández waargenomen. De Juan Fernándezeilanden bestaan uit twee eilanden. Het kleinste, westelijk gelegen, is dor en onbewoonbaar. Het grootste eiland is vruchtbaar, begroeid met bomen en er leeft voldoende kleingedierte. Aan de kust kan goed gevist worden - de Spanjaarden kwamen soms van Peru om hun schepen met vis te vullen. De Hollanders konden het eiland echter niet goed naderen omdat men in de luwte van het eiland raakte en men zond daarom een boot naar het land om de diepte te peilen. De boot kwam terug met de melding dat er dicht aan de kust een ankerplaats was. Men had een mooie groene baai gezien met bomen, vers water, bokken en ander gedierte, hoewel men niet aan land geweest was. Ook was er vis in overvloed: zodra ze de haak in het water lieten zakken had men beet. Dit nieuws verheugde het scheepsvolk zeer. Vooral diegenen die aan scheurbuik leden hoopten hier weer aan te kunnen sterken.
      De volgende dag bleek men echter te zijn afgedreven en opnieuw werd geprobeerd voor anker te gaan maar men kon geen ankergrond bereiken. Daarom werd volk in de sloep aan land gestuurd om te vissen en vee te vangen. Hoewel veel bokken en varkens werden waargenomen kon men door de dichte begroeiing geen dieren vangen. Wel werden enkele kuipen vis gevangen. 3 maart was men opnieuw 30 kilometer afgedreven. Het leek onmogelijk om op de eilanden te landen en daarom werd besloten om de eilanden te verlaten en de koers te vervolgen, tot teleurstelling van de zieken die daarmee de hoop op herstel verloren zagen gaan.
      Vanaf de Juan Fernándezeilanden werd nu een overwegend westelijke koers gevolgd.
      Scheurbuik begon in maart een groot probleem te worden; de helft van de bemanning leed er al aan. Op 9 maart stierf na een maand ziekbed de broer van schipper Willem Schouten. Jan Cornelisz Schouten was tot Porto Desire de schipper van het jacht de Hoorn geweest. De volgende dag werd na het gebed zijn lichaam over boord gezet. Na de vroegkost werd een klein eiland gesignaleerd met, zo te zien, grote hoeveelheden vogels en vis. Men zette koers naar het eiland om verversingen te zoeken maar de sloepen konden door de grote deining niet aan land komen. Enkele zeelieden zwommen daarom naar het eiland maar vonden er niets wat de zieken zou kunnen helpen.
      Op 14 maart werd op 15°15', ongeveer 750 kilometer van het vorige eiland, weer een eiland gesignaleerd wat opnieuw tot vreugde leidde onder de opvarenden. Tegen de avond was men nog 7 kilometer van het eiland verwijderd en er kwam hen een kano met vier eilandbewoners tegemoet gevaren, naakt, rode huidskleur en lang zwart haar. Ze bleven op afstand van de boot en gebaarden of riepen dat men aan land moest komen. De mannen op het schip probeerden met hen te communiceren in het Spaans, Maleisisch, Javaans en zelfs Nederduits, maar men kon elkaar niet verstaan. De kano ging weer aan land waar een grote menigte inboorlingen hen op stond te wachten. Hoewel de Eendracht zo dicht naderde dat men het eiland met een musketschot zou kunnen raken vond men geen ankergrond. De Eendracht werd daarom verder van de kust verplaatst. Niet lang daarna kwam opnieuw een kano op de boot af maar ook nu verliep de communicatie slecht, en de inboorlingen wilden niet aan boord komen, zelfs niet toen de kano omsloeg. Vervolgens werd besloten om de koers te vervolgen. Het eiland was niet breed maar lang, vol bomen, zo te zien palmita's en kokosbomen. 's Nachts zag men op verschillende plaatsen vuur op het eiland.
      De volgende dag zag men na ongeveer 75 kilometer zuid zuidwest gevaren te zijn opnieuw veel naakte mensen op het strand, die zo te zien riepen dat men aan land moest komen. Opnieuw werd een kano de zee opgestuurd met drie inboorlingen. Ook zij wilden niet aan boord komen, maar men kwam wel dicht bij de sloep en de bemanning van de Eendracht gaf hen enkele kralen en messen. Na enige tijd in de buurt van de sloep te zijn geweest kwam men dichter in de buurt van de Eendracht; een uitgeworpen touw werd wel vastgepakt, maar de eilandbewoners weigerden nog steeds aan boord te komen. Uiteindelijk kwam men toch in de sloep van de Eendracht en een inboorling kwam daarna zelfs ook op de galerij van het schip. Hij was zeer geïnteresseerd in de spijkers en trok er enkele uit de vensters en verborg ze in zijn haar. De inboorlingen probeerden zelfs de bouten uit de romp van het schip te trekken. De bemanning probeerde een van de eilandbewoners aan boord te houden in ruil voor een van hun varensgezellen op het eiland, om zo vertrouwen te kweken, maar men kon ze daarvan niet overtuigen. Toen men de inboorlingen in de sloep wijn schonk, wilden die daarna het schaaltje niet meer terug geven. Men omschreef de eilandbewoners als diefachtig. De naakte huid was alleen bedekt met een lendedoek en de huid was getekend met slangen en draken.
      Een sloep met acht musketiers en zes mannen met sabels werd uiteindelijk naar het eiland gestuurd. Onderkoopman Claes Jansz en Aris Claesz, de koopman van het verlorengegane jacht Hoorn, gingen mee om poolshoogte te nemen en vriendschap te sluiten. Maar zodra men geland was, kwam uit het bos een dertigtal indianen met knotsen, speren en slingers. De indianen wilden de soldaten de geweren afnemen en de sloep op het strand trekken. Ze sleurden twee van de mannen mee naar het bos waarop de musketiers een aantal schoten losten. De vrouwen wierpen zich vervolgens schreeuwend om de hals van hun mannen. Waarom was onduidelijk maar misschien wilden ze de vechtenden scheiden.
      Men gaf het eiland de naam Eiland zonder Grond, vanwege het feit dat ze geen ankergrond konden vinden. Omdat er verder niets te halen viel vertrok de Eendracht weer op een westelijke koers. Vanwege het gebrek aan deining en de aard van het water vermoedde men meer eilanden in de buurt.
      18 maart zag men opnieuw een eiland op de breedte 14°46' ongeveer 110 km van Eiland zonder Grond, maar ook hier kon men geen ankergrond vinden. Het eiland bestond uit een rand met bomen en in het midden een verdronken land. De sloep werd uitgezet maar men kwam terug zonder ankergrond gevonden te hebben en zonder mensen te hebben gezien. Daarop werd de sloep nog een keer uitgezonden om te ontdekken of er verversingen en water op het eiland te halen waren. Men vond niet ver van het strand een poel met vers water die met vaatjes wel aan het strand kon worden gebracht. Het was echter gevaarlijk om de vaten aan boord van de sloep te krijgen want door de branding was het niet mogelijk om met de sloep op het strand te komen en men moest daarom mensen en goederen met touwen van het strand in de sloep krijgen. Ze slaagden er daardoor niet in om meer dan vier vaten water te halen. Wel vond men op het eiland kruiden die op tuinkers leken. Ze brachten daarvan een zak aan boord en ook enkele smakelijke krabben, schelpen en slakken.
      Men noemde het eiland Waterland, omdat men er wat water had gevonden.
      's Avonds vervolgde de Eendracht zijn reis, het was een goede oostelijke wind maar regenachtig. De bemanning kreeg die dag zes mutsjes water en het tuinkers van het eiland werd gebruikt om een grote pot warmoes te bereiden waarvan het scheepsvolk met scheurbuik zich merkbaar beter voelde.
      Kort hierna vond men een ander eiland met veel bomen met ook hier landinwaarts een water. Het scheepsvolk dat van het eiland terug kwam was echter bedekt met zwarte vliegen. Het was een wonderbaarlijk gezicht, gezicht en lichaamsdelen waren zo zeer bedekt met vliegen dat mensen moeilijk herkenbaar waren. Zelfs de roeiriemen van de sloep, voor zover ze niet onder water waren geweest waren bedekt met zwarte vliegen. De vliegen werden aan boord een ware plaag, men kon niet gaan of staan, eten of drinken, overal waren vliegen. Men sloeg er zoveel mogelijk dood maar het bleef nog dagen een kwelling. Men gaf dit eiland daarom de naam Vliegeneiland.
      In de tweede helft van maart regende het veel en konden ze daardoor enkele vaten vers water vergaren.
      8 april schatte men dat men ongeveer 11.000 km van de Zuid-Amerikaanse kust was verwijderd. 's Middags na het eten ontwaarde men een zeil van een boot, op een noordelijke koers. Eerst dacht men dat het een bark was maar later bleek het om een catamaran van de lokale bevolking te gaan. De Eendracht zette koers naar de boot en loste met het boegstuk een schot voor de boeg opdat ze het zeil zouden strijken. Dat deed men echter niet waarop nog een schot werd gelost, opnieuw zonder resultaat. Daarop zette de Eendracht een sloep uit met tien musketiers om de boot in te halen.
      Terwijl de sloep naar de bark roeide losten ze nog een schot, zonder de intentie de boot te raken. Men streek echter het zeil nog steeds niet, maar probeerde de Hollanders te ontlopen. De sloep haalde de boot echter in. De musketiers schoten vervolgens viermaal en toen men dichterbij kwam sprongen sommige opvarenden van het zeilbootje overboord. Onder andere sprong een moeder met kind van boord en een gewonde die drie gaten van het musketvuur in de rug had. Ook gooide de inboorlingen spullen in zee, zoals matjes en kippen. Enkele Hollanders ging aan boord van het scheepje, terwijl de andere scheepslui in de sloep de drenkelingen weer uit het water haalden, maar er werden er maar twee gered - de anderen waren al verdronken.
      De onbewapende inboorlingen op het scheepje stelden zich niet te weer. Aan boord waren nog een oude en een jonge man, die de handen en voeten van de Hollanders kusten, acht vrouwen met drie jonge kinderen die de borst nog kregen, en ook enkele kinderen van 9 of 10 jaar. Het bootje was gemaakt van twee lange kano's die met planken aan elkaar gemaakt waren. Op de rechter kano stond een mast met een mat als zeil. Men zeilde zonder kompas of ander instrumentarium maar men had wel vishaken bij zich zodat men kon vissen. Al met al was men waarschijnlijk 25 man sterk geweest. Het waren geheel naakte mannen en vrouwen met alleen gekleurde kleedjes voor hun geslachtsdelen. De taal was onverstaanbaar. De inboorlingen hadden een rode huidskleur en waren ingesmeerd met olie. Ze hadden zwart haar, de vrouwen kort gekapt, de mannen lang en geverfd. De man met de kogelgaten in de rug had lang geelachtig haar. Hij werd verbonden door de Hollanders.
      Tegen de avond werden de mannen teruggebracht naar het scheepje waar ze door de vrouwen uitbundig welkom werden geheten en gekust. De Hollanders gaven ze nog wat kralen en messen mee, en de inboorlingen gaven op hun beurt gekleurde matjes en twee kokosnoten. Er was overigens niet veel leeftocht op het bootje en het kokosvocht was ook al uit de noten gehaald. De Hollanders zagen tot hun verbazing dat men zeewater dronk en dat ook aan de kinderen te drinken gaf. Uiteindelijk vervolgde het bootje de reis in zuidoostelijke richting.
      20 april zag men in het zuidwesten een zeer hoog blauw land liggen op een afstand van 60 kilometer waar men naar toe zeilde, maar die dag konden ze het niet meer bereiken. De volgende dag kwam men aan bij het eiland. De Hollanders noemden dit eiland het Kokoseiland omdat er veel kokospalmen groeiden. 15 kilometer ten zuiden van het eiland lag nog een ander laag en lang eiland. Een zeilbootje naderde en men liet van de Eendracht een touw met een vaatje uit in het water met de bedoeling dat men zich daarmee langzij kon trekken, maar een van de indianen sprong in het water, maakte het vaatje los en bond er twee kokosnoten en een paar vliegende vissen aan vast.
      De zeilscheepjes waren van het eerder ontmoette catamarantype en waren zo snel dat er weinig schepen in Holland waren die ze dat konden verbeteren. De scheepjes werden gestuurd door twee man op de achtersteven met roeispanen, maar als het nodig was konden ze ook aan de voorkant gestuurd worden. Er kwamen hoe langer hoe meer bootjes naar de Eendracht toe en er werd veel geruild met de inboorlingen: voor spijkers en kralen kreeg men kokosnoten, varkens en ubeswortels. De inboorlingen waren verbaasd over het schip en sloegen er soms met stenen tegen om te zien hoe sterk het was. Aan boord probeerde de bevolking van alles te stelen, en als ze iets buit hadden gemaakt sprongen ze direct overboord.
      De sloep van de Eendracht werd naar het andere eiland gestuurd om te zien of men daar beter kon liggen maar ze werden omsingeld door een twaalftal kano's van dat eiland, bemand met mannen met speren die de sloep afhandig wilden maken, waardoor men genoodzaakt was waarschuwingsschoten met het musket te geven. Dat maakt niet veel indruk maar toen er een door de borst werd geschoten namen de eilandbewoners afstand van de sloep.
      In de namiddag kwam van het tweede eiland een grote zeilprauw met de koning, Latou genaamd, die door de mensen op de Eendracht ontvangen werd met trommels en trompetten. Dat maakte veel indruk en op hun beurt bogen de eilandbewoners het hoofd, sloegen met de vuisten op het hoofd, waarna de koning luid een soort gebed opvoerde waarop zijn volk luid antwoordde. De 23e kwamen opnieuw een groot aantal kano's en zeilbootjes om de Eendracht liggen, en ook de koning van het tweede eiland was weer aanwezig. De sfeer was nu echter anders. De koningszoon begon op een trommel te slaan waarna het volk luid begon te roepen. Het bootje van de koning ramde vervolgens met een zodanig grote vaart de Eendracht dat de twee stevens van de catamaran op de romp stuk sloegen. Daarop begon het volk met stenen te gooien. De Hollanders vuurden met musketten en drie gotelingen, geladen met oude spijkers en musketkogels. Toen de inboorlingen in de gaten kregen wat de gevolgen waren trokken ze zich ver buiten schootsafstand terug. De Hollanders noemden daarom het tweede eiland Verraderseiland.
      De 24e zag men een nieuw eiland en met de sloep werd geprobeerd of er ankergrond te vinden was maar er kwamen direct een aantal kano's de zee in met indianen die probeerden de sloep te veroveren. De sloep was echter voorzien van musketiers en twee indianen vonden de dood waarna de anderen afstand namen. Hoewel de reisbeschrijving niet vermeldt welke naam het eiland kreeg staat op de kaart de naam Eiland van Goede Hope. Hierna concludeerden Schouten en Le Maire dat ze het onbekende Zuidland, Terra Australis, niet hadden kunnen vinden en om te voorkomen dat men ten zuiden van Nieuw-Guinea zou verdwalen werd een noordelijke koers ingezet.
      De 28e zag men op 60 kilometer afstand twee eilanden, die een gotelingschot van elkaar verwijderd waren. De wind was slap want pas op 30e was men het grootste eiland genaderd en er kwamen ongeveer twintig kano's met inboorlingen langszij die door de Hollanders vriendelijk bejegend werden, maar een van de indianen maakte dreigende gebaren met een speer. De Hollanders schoten daarom een paar keer met een kanon en enkele musketten waardoor er twee gewond werden, en de inboorlingen sloegen op de vlucht onder achterlating van een hemd dat ze van de galerij gestolen hadden. Om een ankerplaats te vinden werd de sloep uitgezet om de diepte te peilen, maar ze vonden geen grond en toen men terug wilde keren naar het schip kwamen er zeven kano's aan die de sloep wilden aanvallen. De matrozen schoten daarop zes inboorlingen dood, en verwondden veel anderen.
      De 1e mei probeerde men dichter bij het eiland te komen en men vond een ankerplaats aan de zuidzijde van het eiland in een baai tegenover een rivier. De volgende dag verzamelden zich een groot aantal mensen op het strand die het schip met verbazing bekeken. 3 mei gingen Aris Claesz, Reinier Simonsz Snoeck en de kajuitwachter Cornelis Schouts aan land als vrijwillig gijzelaar om vriendschap te sluiten met de bevolking, en de eilandbewoners stuurden zes van hun leiders naar het schip. Over en weer werden geschenken gegeven en beleefdheden uitgewisseld. De koning van dit volk, Herico, zag er persoonlijk op toe dat er geen ongeregeldheden meer plaats vonden. Toen een sabel van de Hollanders ontvreemd werd zorgden zijn commandanten ervoor dat deze weer terugkwam. De dader werd met stokslagen gestraft en met een gebaar langs de hals werd duidelijk gemaakt dat als de koning dit geweten had de dader onthoofd zou zijn.
      Hoewel het volk zeer bang was voor het schieten wilde de koning dat ze eens een kanon zouden afvuren. Toen dat gebeurde vluchtten ze, ondanks gewaarschuwd te zijn, allemaal de bossen in, de Hollanders alleen achterlatend. Na een tijdje kwamen ze terug maar ze konden maar moeilijk bedaren.
      De 4e mei gingen Aris Claesz, Claes Jansz en Daniel le Maire weer aan land om proviand te kopen, maar men wilde hen niets verkopen. De 5e probeerden Jacob le Maire en Aris Claesz het opnieuw maar ook toen lukte dat niet. Wel werden ze eerbiedig bejegend, men moest over matjes lopen en de koning en onderkoning schonken hen hun veren hoofdtooien. Le Maire gaf hen daarop ook een paar geschenken van kleine waarde waarmee ze zeer verguld waren.
      Op 7 mei was de watervoorraad bijna volledig weer aangevuld, en Willem Cornelisz Schouten en Aris Claesz gingen met trompetters naar de koning omdat deze dat graag hoorde, maar ze kregen ondanks dat met grote moeite maar twee varkens. De zoon van de koning bracht een bezoek aan het schip en 's avonds dansten de Hollanders met de inboorlingen. De verhoudingen tussen de bezoekers en de inboorlingen werden steeds losser.
      8 mei gingen Jacob le Maire en Aris Claesz aan land om het gebergte te beklimmen om te zien welke vruchten daar groeiden. Ze werden vergezeld door de koning en zijn broer. Ze troffen er niets dan wildernis en toen de koning merkte dat de weg te moeilijk om te begaan was brachten ze hen terug naar het schip. Op de terugweg kwam men langs kokosbomen waar de onderkoning demonstreerde hoe men de kokosnoten plukte. Hij deed een band aan zijn voeten en klom behendig en snel een hoge boom in en haalde er tien kokosnoten uit. Ze lieten hen ook enkele spelonken en grotten in de bergen zien die ze gebruikten als ze in oorlog waren met het volk van het andere eiland. Tegen de middag keerde men terug op het schip samen met de koningszoon, en toen bij de maaltijd aan de koningszoon duidelijk werd gemaakt dat men over twee dagen wilde vertrekken was deze daarover zo verheugd dat hij de galerij opsprong en het nieuws naar wal schreeuwde. Kennelijk was de bevolking toch nog zeer bang van de bezoekers. Na de maaltijd kwam ook de koning met zijn raad aan boord, bij welke gelegenheid hem het hele schip getoond werd. 's Avonds bezochten de Hollanders de koning, waar een aantal jonge dochters naakt voor de koning dansten terwijl ze daarbij op een instrument van hol hout begeleid werden.
      De 10e mei zond de koning als geschenk twee kleine varkens. Dezelfde dag kwam ook de koning van het andere eiland op bezoek en bracht zestien varkens mee en driehonderd man die om hun middel groene kruiden droegen. Deze koning begroette de koning, net als dat aan de Hollanders werd gedaan, onder luide gebeden met buigingen en het vallen met het aangezicht op de grond. Het bezoek bracht een grote menigte bijeen, wel negenhonderd man. 's Avonds werden Jacob le Maire en Claes Jansz Ban op het eiland ontboden en ze namen vier trompetters en een trommelaar mee. De twee koningen vonden de muziek een geweldig vermaak. De inwoners van het tweede eiland begonnen groene kruiden, kava, die ze ook om hun middel hadden gedragen te kauwen. Nadat het gekauwd was spuugden ze het in een houten bak en goten er water overheen, roerden het en gaven het de koningen te drinken.
      Ook de Hollanders werd de drank aangeboden maar die hadden er bij het zien al genoeg van. Daarna werden er varkens gebraden. Van de varkens werden de haren afgeschroeid, de ingewanden verwijderd en daarna werden gloeiende stenen in het varken gestopt. Nadat het varken gebraden was, werd het vlees ceremonieel aangeboden aan de koningen: men droeg het vlees op het hoofd, knielde voor de koning en legde het vlees vervolgens op de grond. De koningen vereerden de Hollanders door op dezelfde manier het vlees aan de Hollanders aan te bieden. Aansluitend aan het feest kregen de Hollanders nog twaalf kleine levende varkens, waarvoor de Hollanders in ruil drie koperen bekertjes, vier messen, twaalf oude spijkers en een paar kralen gaven.
      De 12e mei kwamen 's morgens beide koningen met hun gevolg aan boord en hen werd het gehele schip getoond. De koningen brachten nog eens zes varkens mee als geschenk waarvoor de Hollanders twee kralenkettingen, vier messen en twaalf spijkers gaven. Jacob le Maire begeleidde de koningen na het bezoek aan het strand waar hij nog eens drie varkens kreeg. Daarna werd het schip gereed gemaakt om uit te zeilen tot grote tevredenheid van de eilandbewoners, omdat ze, zolang de Hollanders er geweest waren, bevreesd voor hen waren geweest.
      De huisjes van deze inboorlingen waren gemaakt van boombladeren met een puntdak (zie prent: E), ongeveer 7 meter in omtrek en ongeveer 3,5 meter hoog met een gat waardoor je naar binnen kon kruipen. In de hut was niet meer huisraad dan wat gedroogde bladeren waarop men sliep en soms een houten knots. Zelfs de koning had niet meer bezittingen.
      De mensen waren flink gebouwd; gemiddeld waren de mannen groter dan de Hollanders, en de grootsten staken met kop en schouders boven de Hollanders uit. Het waren sterke mensen, goede zwemmers en intelligent. Hun huidskleur was bruingeel, en ze versierden hun haar. Sommigen hadden gekruld haar en sommigen hadden vlechten in hun haar. Bij een paar stond het haar als varkenshaar overeind. De koning had een lange vlecht aan de linkerkant van zijn hoofd, de leden van zijn gevolg hadden twee vlechten aan weerszijden. De eilandbewoners waren geheel naakt met alleen een bedekking voor de schaamdelen. De vrouwen waren onaantrekkelijk van aangezicht en lichaam, klein van persoon en het haar kort geknipt. Ze hadden lange hangende borsten die bij sommigen als "leren zakken" tot op de buik hingen. De mensen waren vrij in de omgang, men had geslachtsgemeenschap in ieders aanwezigheid. De Hollanders konden niet merken dat dit volk een of ander geloof had. Van handelen hadden de eilandbewoners geen begrip, maar over en weer werden geschenken gegeven. Er werd niet aan landbouw gedaan, men leefde zorgeloos van wat het eiland hen gaf.
      Bij het afscheid gaven de Hollanders de eilanden de naam Hoornse eilanden naar de thuishaven Hoorn. De baai waar het schip voor anker was gegaan werd de Eendrachtsbaai genoemd.
      12 mei verlieten Schouten en Le Maire de Hoornse eilanden en zeilden in noordwestelijke richting op zoek naar de noordkust van Nieuw-Guinea, en 15 juni kwam men met eerste eilanden in contact. Drie begroeide eilanden gaven ze de naam Groene Eilanden en een ander St. Janseiland, omdat het St. Jansdag was. De route werd nu in westelijke richting langs de kust voortgezet op weg naar Indië. Op verschillende plaatsen kwam men in contact met de lokale bevolking maar meestal verliepen de contacten moeizaam. Een eerste nieuwsgierigheid van de inboorlingen leidde vervolgens vaak tot vijandig gedrag, dat door de Hollanders dan met musketvuur of groot geschut werd beantwoord.
      Het lag voor de hand dat dit dan ook meestal tot slachtoffers onder de Papoeas leidde. Als gevolg van het moeizame contact was ook de verversing van het proviand een probleem en raakte de voedselvoorraad op. Dat leidde er toe dat op 9 juli de bemanning op rantsoen werd gezet. Bonen, gort, vlees, spek en vis was opgeraakt, en de bemanning kreeg vanaf nu 2,5 kilogram brood en 20 cl olie per week, en per dag 20 cl Spaanse wijn en een klein glaasje brandewijn. Kennelijk was men er een beetje wanhopig onder want het journaal voegde er aan toe "en wy wisten niet waer wy waren".
      Op de 15e juli naderde de Eendracht weer twee eilanden die ongeveer 3 kilometer van de kust lagen en vol kokosbomen stonden. Men ging voor anker en roeide aan land om kokosnoten te halen. Maar eenmaal aan land vielen inboorlingen, die zich tussen de bomen verschanst hadden, aan waardoor er zestien bemanningsleden gewond raakten. De Hollanders antwoordden met musketten en klein geschut waarop de inboorlingen de wijk namen. Dat men nu echt wanhopig werd blijkt uit het feit dat de Hollanders nu hun tactiek veranderden. Op 16 juli gingen ze aan land op het kleinste van de twee eilanden, staken eerst een aantal hutten in brand, en vuurden met groot geschut op het strand en de bosrand, om vervolgens te foerageren. Tegen de avond kwamen de mannen weer aan boord met voor ieder bemanningslid drie kokosnoten. 's Avonds kwam een van de inboorlingen naar het schip om een verloren hoed van een de matrozen terug te geven, als teken van vrede.
      De volgende dag kwamen er twee of drie kano's met inboorlingen naar de boot die kokosnoten brachten, maar men was bang van de Hollanders want de kokosnoten werden op ruime afstand in het water gegooid. De Hollanders probeerden hen langzij te krijgen, en uiteindelijk werden ze wat dapperder en brachten daarna zo veel kokosnoten, bananen, gember en gele wortels als men hebben wilde. In ruil daarvoor gaf men de inlanders oude spijkers, verroeste messen en kralen. De inlanders noemden het oostelijke eiland Moa, en het westelijke Insou. Het verst verwijderde eiland heette Arimoa. 19 juli ging een aantal mannen aan land om te vissen, maar toen er veel prauwen van andere eilanden uit het oosten naderden werden de Hollanders weer aan boord geroepen. De inwoners van het eiland Moa beduidden dat de Hollanders de prauwen moesten beschieten maar men besloot dat pas te doen als men zou worden aangevallen. De prauwen kwamen echter vredelievend langszij en boden kokosnoten en bananen aan, zodat er nu per hoofd van de bemanning vijftig kokosnoten en twee bossen bananen voorradig waren. Hoewel de bevolking aangaf nog meer voedsel te willen halen gingen de Hollanders op 20 juli weer onder zeil.
      24 juli zeilde men op een halve graad zuiderbreedte langs een groot groen eiland dat men naar de schipper Willem Schouten Eiland noemde.
      In de nacht van 28 op 29 juli werd iedereen verrast door een aardbeving, en op de 30e was er zo'n krachtig onweer dat het schip schudde en soms leek in brand te staan, gevolgd door een verschrikkelijke hoosbui.
      Op 5 augustus ankerde men voor het eerst bij een eiland waar men de mensen kon verstaan, sommigen spraken Ternataans, Maleisisch en zelfs een paar woorden Spaans. De mensen waren goed gekleed en de Hollanders vermoedden dat ze bij Gilolo aangekomen waren, en dat deze mensen uit Tidor kwamen. De 18e augustus kwamen prauwen langszij uit het dorp Soppy op het noordelijkste eiland van de Molukken en zij vertelden hen dat het jacht de Pauw uit Amsterdam daar een paar maanden gelegen had om rijst te laden. Dit tot vreugde van de bemanning omdat de reis nu tot een goed einde leek te komen.
      Op 12 september gingen vanwege windstilte schipper Willem Cornelisz Schouten en koopman Aris Claesz met zestien man vooruit naar Ternate. Het schip de Eendracht vorderde langzaam maar op de 16e had men zicht op Ternate, en de volgende dag zag men de Morgenster uit Rotterdam ook naar Ternate zeilen. Het bleek het schip van admiraal Verhagen te zijn van wie ze hoorden dat Joris van Spilbergen in datzelfde jaar via Straat Magellaan naar Indië was gevaren. 's Avonds ging men voor anker en de koopman en de schipper werden onthaald door generaal Gerhart Reynst [26] , admiraal Steven Verhagen en de gouverneur van Ambon , Jasper Jansz.
      Op de 18e verkocht men de sloepen, kanonnen, lood, touwen, ankers en andere zaken die men van het verbrande jacht Hoorn gered had.
      Op 15 oktober kreeg men eindelijk Java in zicht, en op 16 oktober ging de Eendracht voor anker op de rede van Japara om proviand in te slaan. 23 oktober vertrok men weer en op 28 oktober kwam men bij Jacatra aan. Die nacht stierf een van de bemanningsleden, en dat is opmerkelijk want van de 87 man zijn er op de gehele reis uiteindelijk slechts drie overleden, namelijk naast deze man de ondertimmerman voor de kust van Portugal, en de broer van Willem Cornelisz Schouten in de Stille Oceaan.
      Op 1 november 1616 ontbood Jan Pietersz Coen de schipper en kooplui aan wal. In aanwezigheid van de voltallige raad verklaarde hij uit naam van de VOC dat het schip en de goederen werden geconfisqueerd. Dit gebeurde overigens op 1 november in de tijdsrekening van het scheepsjournaal maar op 2 november volgens Indische tijd. Men had namelijk een dag gewonnen door de aarde in westelijke richting te omzeilen. Jacob le Maire en Willem Cornelisz Schouten en nog tien anderen werden door Joris Spilbergen naar Holland teruggebracht op de schepen Het Wapen van Amsterdam en Middelburg.
      Hier eindigde het reisverslag, maar Joris van Spilbergen meldde in zijn Oost en West-Indische Spiegel over zijn eigen reis via de Straat van Magellaan naar Indië dat op 20 oktober de Eendracht bij Jacatra aankwam (volgens het verslag van Le Maire 28 oktober). De ontdekking van de nieuwe passage door Le Maire wordt dan nog door hem met scepsis beschreven. Le Maire en Schouten worden "pretendeurs van de nieuw gevonden passage" genoemd, een omschrijving die ook in die tijd enig cynisme moet hebben uitgestraald. Maar later schreef hij dat gedurende de terugreis van Indië naar Amsterdam in zijn aanwezigheid op 22 december 1616 Jacob le Maire stierf, president van de Eendracht, waarom ieder zeer bedroefd was, omdat hij een man was begiftigd met bijzondere wetenschap en ervaring van de zeevaart. Joris van Spilbergen was er toen waarschijnlijk wel van overtuigd geraakt dat Jacob le Maire iets bijzonders ontdekt had. Het feit dat Jacob le Maire hier president van het schip Amsterdam wordt genoemd lijkt tegen te spreken dat hij in gevangenschap naar Amsterdam zou zijn gebracht.
      Joris van Spilbergen nam het verslag van de reis van Le Maire in 1621 op in zijn boek Oost en West-Indische Spieghel.
      Hoewel de Australische Navigatien wordt gepresenteerd als een journaal van de reis, is aan de hand van de tekst aannemelijk dat het achteraf geschreven is. De tekst is in de wij-vorm geschreven en Jacob le Maire en Willem Cornelisz Schouten worden in de 3e persoon aangeduid. Oorspronkelijk was de tekst ook geheel op naam van Willem Cornelisz Schouten geschreven; de rol van Jacob le Maire was erin niet terug te herkennen. Dat had waarschijnlijk te maken met het conflict tussen de VOC en zijn vader, de koopman Isaac le Maire. Zij lagen in onmin omdat Isaac le Maire meer vrijheden in de handel wilde hebben dan de VOC toestond. Joris van Spilbergen, die kort voor de reis van Schouten en Le Maire via de Straat Magellaan van Amsterdam naar Indië was gereisd, en Schouten en Le Maire naar Holland terug moest brengen, heeft de betekenis van de ontdekking waarschijnlijk goed ingeschat, de tekst later aangepast en Jacob le Maire de eer gegeven die hem toekomt.
      Het feit dat deze tekst bewerkt is leidt wel tot de vraag hoe betrouwbaar de informatie is die er in gegeven wordt. Hier en daar staan in ieder geval een aantal onwaarschijnlijkheden.
      Zo vaart de boot de Eendracht in volle zee tussen Afrika en Zuid-Amerika op een "zeemonster". De hoorn of slagtand van het monster boort zich diep in de huid van het schip en breekt af waardoor de zee rood van het bloed kleurt. Hoewel de slagtand door drie lagen hout is gegaan is de boot niet lekgeslagen. Deze beschadiging stelde men volgens het journaal later vast na de landing in Porto Desire, de monding van de rivier de Deseado in Patagonië, Argentinië. De geschiedenis komt echter verderop bij de beschrijving van het verblijf in Porto Desire helemaal niet meer aan de orde, en lijkt er dus tussen te zijn gevoegd om een saai gedeelte van het verslag interessanter te maken.
      Bij dit voorval denkt men onvermijdelijk aan de narwal , een dier met een lange hoorn dat aan scheepslieden wel bekend was. De narwal is echter een arctisch dier dat zuidelijker dan de 70e breedtegraad nauwelijks of niet voorkomt. Als het verhaal klopt, op welk dier is men dan wel gestoten?
      Een ander twijfelachtig verhaal is het kantelen van het jacht de Hoorn. Wanneer men Porto Desire heeft bereikt loopt de Hoorn vast en bij eb kantelt de gehele boot zóver dat de kiel hoger komt te liggen dan de romp van het schip. Men kan onder de kiel door lopen wat 'seer ysselick om sien' was. Hoewel de bemanning veronderstelt dat de boot verloren is, komt deze bij vloed toch weer overeind en kan zijn reis voortzetten. Boten als de Hoorn en de Eendracht konden in die tijd echter alleen zeilwaardig worden gemaakt door onderin op de kiel voldoende ballast mee te nemen. Zo werd de boot in balans gebracht.
      Op de heenreis werden daarvoor vaak bakstenen of gevelstenen gebruikt, die in de Oost weer werden gebruikt om de vestigingen van de VOC te bouwen. Op de terugweg was het de handelswaar die de boot moest balanceren. Aangenomen moet worden dat deze ballast in de Hoorn na dat kantelen moet zijn verschoven wat het uit zichzelf oprichten bij vloed twijfelachtig maakt.
      Ook het verslag van de vondst van graven van reusachtige mensen van 3 meter lengte in Porto Desire moet waarschijnlijk met een korreltje zout worden genomen.
      Scheepsjournalen waren in die tijd populaire lectuur en het is dus mogelijk dat het verhaal daarom interessanter is gemaakt. Aan het journaal valt in ieder geval op dat de eerste helft tot en met de ontdekking van Kaap Hoorn vrij zakelijk is, en eigenlijk grotendeels een dagelijkse opsomming van posities en weersituaties weergeeft. Het gedeelte van de reis in de Stille Oceaan wordt veel lyrischer beschreven. Breedtegraden worden minder gemeld, er ontbreken soms periodes tot een maand uit het journaal, en data kloppen hier en daar niet. Daar verliest het journaalkarakter het dus van het verhalende. Om het geheel in balans te brengen is het daarom mogelijk dat er in het saaiere eerste gedeelte interessante gebeurtenissen zijn toegevoegd.
      Deze samenvatting is gemaakt op basis van de tekst in het boek van Joris van Spilbergen . Sommige details zijn overgenomen uit het journaal van Willem Cornelisz Schoute


Home Page |  What's New |  Most Wanted |  Surnames |  Photos |  Histories |  Documents |  Cemeteries |  Places |  Dates |  Reports |  Sources