Petrus de Wacker van Son

Petrus de Wacker van Son

Male 1758 - 1818  (60 years)    Has 18 ancestors and 2 descendants in this family tree.

Personal Information    |    Notes    |    Event Map    |    All

  • Name Petrus de Wacker van Son 
    Relationshipwith Francis Fox
    Born 9 Aug 1758 
    Christened 13 Aug 1758  Amsterdam, NH, NL Find all individuals with events at this location 
    Gender Male 
    Died 8 Dec 1818 
    Person ID I501695  Geneagraphie
    Last Modified 21 Feb 2007 

    Father Hendrik de Wacker van Son,   b. 1728,   d. 1778, Middachten Find all individuals with events at this location  (Age 50 years) 
    Mother Anna Susanna Hollebeek,   b. 1730,   d. 1762  (Age 32 years) 
    Married Abt 1750 
    Siblings 1 sibling 
    Family ID F197845  Group Sheet  |  Family Chart

    Family Theodora Adriana Falck,   b. 1757,   d. 1830, Stiphout, NBr, NL Find all individuals with events at this location  (Age 73 years) 
    Married 21 Dec 1783  Kleve, NRh.-Wf., D Find all individuals with events at this location 
    Children 
     1. Anna Susanna de Wacker van Son,   b. 8 Sep 1784, Kleve, NRh.-Wf., D Find all individuals with events at this location,   d. 6 Mar 1797  (Age 12 years)
     2. George Theodoor Zeeger Constans de Wacker van Son,   b. 11 Oct 1785, Kleve, NRh.-Wf., D Find all individuals with events at this location,   d. 1812  (Age 26 years)
    Last Modified 6 Dec 2006 
    Family ID F204292  Group Sheet  |  Family Chart

  • Event Map Click to display
    Link to Google MapsChristened - 13 Aug 1758 - Amsterdam, NH, NL Link to Google Earth
    Link to Google MapsMarried - 21 Dec 1783 - Kleve, NRh.-Wf., D Link to Google Earth
     = Link to Google Earth 
    Pin Legend  : Address       : Location       : City/Town       : County/Shire       : State/Province       : Country       : Not Set

  • Notes 
    • zesde kind
      voorvaders waren kooplieden, kerkmeesters en predikanten.

      Op 24 augustus 1776 laat Petrus zich in Leiden inschrijven als: Petrus van Son, Amstelodamis. 19, J.' Dat gaf hem het recht examen in de rechten af te leggen; of hij in Leiden of elders gepromoveerd is, heb ik niet kunnen vaststellen. Hij zou later echter wel de meesterstitel gebruiken. Hij kreeg in Leiden contact met de Hagenaar Isaac van Schinne V (1759-1831), want in diens Album amicorum vinden we een Franse inscriptie van zijn hand van 16 mei 1778.
      Op 14 december verhuist hij naar Utrecht.
      In de archiefstukken wordt De Wacker van Zon met een meesterstitel vermeld. Zij vestigen zich in Kleef.
      Utrecht anno 1785 was de hoop voor Neerlands patriotten. Hier moet de langjarige vriendschap tussen De Wacker van Zon en de opportunistische Bogislaus Fredericus von Liebeherr (1756-1821), luitenant bij het burger-vendel De Zwarte Knechten zijn begonnen. Ongetwijfeld kende Petrus ook de Utrechtse studentenleider Pieter Quint Ondaatje (1758-1818), die handig inhaakte op de ontloken anti-aristocratische gevoelens. Of Petrus toen al tot de 'harde' patriotten behoorde, is niet duidelijk. Evenmin of hij een aandeel had in de stroom pamfletten die het politieke klimaat moest beïnvloeden, omdat de meeste anoniem verschenen. Nam hij als vrijwilliger dienst bij een Utrechts vrijkorps - net als Ondaatje - dat deelnam aan de schermutselingen bij Vreeswijk, Zeist en Soest in mei 1787? Ik betwijfel of De Wacker van Zon in die tijd al als patriot meetelde.
      In 1786 verscheen het geruchtmakende pamflet De Adel - felle aanklacht tegen de aristocratie en het ruim een eeuw oude Regeringsreglement - waarvan de auteur zich Anonymus Belga noemde. Met een aandoen naïviteit doet Belga een beroep op de adel hun stand op te heffen, maar hij maakt een uitzondering voor enkelen zoals de Capellens. In de contemporaine en latere literatuur wordt De Wacker van Zon steevast voor deze Anonymus Belga gehouden, maar het bewijs is (nog) niet overtuigend geleverd. Sterker nog, deze toeschrijving wordt gebruikt om de politieke ommezwaai van De Wacker van Zon te bewijzen. Politieke ommezwaai: akkoord, maar dan wel liever op de goede gronden. De op één na oudste verwijzing is een mededeling (geschreven tussen 1818 en 1828) van de Friese griffier D.H. Beucker Andreae (1772-1828) en dus tijdgenoot van De Wacker van Zon, op het in zijn bezit zijnde exemplaar van De Adel. De mededeling is ook in een ander verband waarover ik nog kom te spreken, belangrijk genoeg om hier te citeren
      Deze anonymus is de heer Wakker van Zon, naderhand [doorhaling, PvW] Secretaris van den Hogen Raad van Adel! - (heeft ook veel geschreven onder de naam van Bruno Daalberg - had ook veel deel aan de redactie van den Janus vóór 1787).
      De hier bygevoegde marginale aant. en correcties zijn eigenhandige van den auteur zelven, die een 2de uitgaaf bereidde.
      Een handschriftvergelijking van de marginalia in Beucker Andreae's exemplaar van De Adel en de brieven van De Wacker van Zon, hoe groot de gelijkenis ook is, kan niet als afdoende bewijs gelden.
      Jasper Hendrik, baron van Zuylen van Nievelt (1751-1828), lid van de Ridderschap van het kwartier van Veluwe en ambtsjonker van Barneveld, werd tot zijn grote woede door Robert Jasper van der Capellen tot de Marsch (gest. 1814) ten onrechte voor de auteur van De Adel gehouden. Van Zuylen van Nievelt veegde de vloer aan met De Adel en beweerde de auteur - wiens naam hij helaas niet noemt - al zes maanden voor de verschijning tevergeefs te hebben bewogen van publikatie af te zien. Het voert in dit bestek helaas te ver om dieper op de interessante auteurskwestie van De Adel in te gaan. Het is mogelijk dat Beucker Andreae De Wacker van Zon persoonlijk heeft gesproken, maar deze mededeling alleen is evenmin overtuigend bewijs voor zijn auteurschap!
      De mededeling van Beucker Andreae is even stellig over De Wacker van Zon's medewerking aan het geruchtmakende politiek-literair tijdschrift Janus dat van januari tot augustus 1787, vlak voor de inval van de Pruisen verscheen. Het blad tendeerde wat politieke overtuiging betreft naar patriotse kant, waar ook de grootste aanhang was te vinden. Moedig probeerde Janus boven de facties te staan. Hoewel er de laatste tijd over Janus is gepubliceerd, tasten we over de redactie en medewerkers nog steeds in het duister. Over Janus valt nog veel te zeggen, maar ook dat kan niet in dit bestek. Zoveel lijkt zeker dat De Wacker van Zon wel medewerker was. Ik kom er nog op terug.
      Refugié in Vlaanderen en Frankrijk
      Nader onderzoek zal moeten uitwijzen in hoeverre zijn vermeend auteurschap van De Adel en zijn mogelijke redactiewerk voor de Janus, alsmede zijn patriotse activiteiten er de oorzaak van waren dat De Wacker van Zon in september en oktober 1787 via Amsterdam, Brussel en Antwerpen ten slotte naar St. Omer vluchtte. Want het feit dàt hij moest vluchten, betekende dat hij ook wat te vrezen had.
      In januari 1788 voegden zich ook de latere kemphanen Johan Valckenaar (1759-1821) en Coert Lambertus van Beyma (1753-1820) bij de inmiddels honderden gevluchte patriotten. Beiden kregen van de Franse regering opdracht commissoriaal een lijst op te stellen waarop - om in aanmerking te komen voor financiële bijstand - in diverse 'classen' de patriotten werden ingedeeld. De klassificaties bepaalden de hoogte van de uitkeringen die overigens omgerekend nauwelijks voldoende waren om het hoofd boven water te houden. De Wacker van Zon behoorde met een uitkering van 24 livres tot de hoger betaalden. Ook dat zegt iets over zijn belangrijk patriots aandeel in de jaren daarvoor.
      Schrijnend èn tragisch zijn de verzoeken en pogingen om ten koste van anderen een hogere waardering op de lijst te bewerkstelligen. De willekeur waarmee de refugié's op de lijst werden ingedeeld, leidde tot het bekende conflict tussen Van Beyma en Valckenaar; de laatste nam binnen twee weken na de installatie van de commissie ontslag. Het conflict had een felle pamflettenkrijg tot gevolg, waarin De Wacker van Zon ongetwijfeld een rol speelde.
      De Wacker van Zon en Von Liebeherr (de laatste woonde in Gent, waar in 1790 ook Ondaatje verbleef) kozen de kant van Van Beyma. Vrij snel na hun vlucht beraamden de twee vrienden in het diepste geheim drieste plannen voor een omwenteling in de Republiek. Met steun van Oostenrijk moest een aanval op vestigingen in Staats-Vlaanderen worden voorbereid. In een memorie werd de opzet uitgewerkt en ter beoordeling naar generaal R. graaf d'Alton (1732-1791) gezonden. Deze Oostenrijkse generaal werd in oktober 1787 door Jozef II naar de Zuidelijke Nederlanden gestuurd om de 'opstandige bevolking' te bedwingen. De generaal die de keizer inlichtte, kreeg op 31 oktober 1789 een duidelijk antwoord
      Le memoire que vous m'avés envoié mon cher general de la part de quelques refugiés hollandois ressemble bien a leur imagination exaltée, qui les a toujours fait donner de travers dans toutes leurs demarches. Vous les econduires avec les projets, dont l'execution seroit tout ce qui pourroit nous arriver de plus facheux, savoir de nous attirer sur les bras la Prusse, l'Angleterre & le Prince d'Orange avec tout son parti, pendant que nous n'aurions a leur opposer que nos propres forces & quelques miserables patriotes hollandois qui encore ne pourroient rien faire sans la France, & celle ci n'a certainement dans ce moment ni la volonté ni les moyens de nous être de la moindre utilité, ainsi renvoiés bien tout projet a cet egard, & croies qu'il faut que nous évition soigneusement tout ce qui pourroit nous compromettre de quelque maniere avec l'une au l'autre de ces puissances.
      De Amsterdamse refugié Jan Bernd Bicker (1746-1812) tekende hierbij aan
      Geen van ons te Brussel [waar de top van de patriotten verbleef, PvW] hadden daar eenige kennis aan; men is lang zeer geintrigeerd geweest wie doch die demarche gedaan hadden. Wy zyn zulks eerst gewaargeworden toen Liebeherr eenigen tyd naderhand op zyn buyten by Gend is gearresteerd geworden, en dat Van Zon in het eerste ogenblik zyn vrees liet blyken dat de Memorie gevonden mogt worden
      Op 7 november 1789 draagt de keizer d'Alton op de intriganten af te poeieren
      Renvoyez bien vertement tous ces faiseurs de projets ou intriguants qui osent vous faire des propositions aussi absurdes que dangereuses.
      Raadpensionaris L.P. van de Spiegel (1736-1800), werd later toch wat ongeruster
      sedert ik uit de gedrukte Correspondentie van den Keizer met den Generaal d'Alton [die in 1790 was gepubliceerd, PvW] leeze, dat de Holl. Patriotten waarlyk een Plan aan 't Gouvernement gepresenteerd hebben, om een diversie te maaken, door het attaqueren van Staats Vlaanderen, komt de zaak my serieuser voor
      zo schreef hij de minister van Buitenlandse Zaken Van Nagell op 9 februari 1790. P.J. van Zuylen van Nyevelt (1743-1826), luitenant-generaal, later maarschalk van Holland en president van het Hoog Heraldiek College, noemde zijn zwager De Wacker van Zon in maart 1790 een van 'die heethooftige of speculateurs' en deed het plan af als een 'chimere.'
      Op 15 mei 1791 adresseerde De Wacker van Zon, Van Beyma en drie andere 'harde' patriotten een Discours prononcé aan de Société des Amis de la Constitution (bekend als de Jacobijnenclub die in Frankrijk geleidelijk aan politieke voet aan de grond had gekregen)
      tableau fidèle du patriotisme Hollandois, de la justice de ca cause et des malheurs qui l'ont suivi [...] que dans le nouvel ordre des choses la Hollande subjugée renaîtra par l'appui des Français
      Maar ook de groep Valckenaer wendde zich tot de Jacobijnenclub. Colenbrander analyseert dan de rivaliserende partijen en hun pleidooien
      Den 15den Mei 1791 debiteerden, in de 'Société des Amis de la Constitution' (vulgo Jacobijnenclub) te Parijs, Beyma, Huber, De Kock, van Hoey en de Wacker van Zon de formidabele leugen, dat men in '87 precies hetzelfde had gewild wat de Franschen met hun constitutie van '91 bereikt hadden: 'Que la France juge de la validité et de la justice de leur cause, quand elle saura qu'alors (1787) les patriotes bataves conçurent une révolution aussi glorieuse que celle de la France; qu'ils tendaient à l'établissement d'une constitution telle que la France a su réaliser' [...] 'Aprés d'une nation qui n'est séduite par des intrigues mais gouvernée par l'opnion', schrijft de steller van deze aanspraak, de Wacker van Zon, den 4den Juni '91 aan C.F. d'Yvoy te Duinkerken, 'il fallait s'attacher cette opinion publique, et se servir à cet effet des sociétés des Amis de la Constitution'
      en betoogt vervolgens dat bij Valckenaer 'een iets grooter percentage fatsoenlijke lieden behoorden, dan tot die van Beyma.' Twee weken later kregen De Wacker van Zon en zijn vier medeopstellers van het Discours prononcé de felbegeerde toegang tot de vergaderingen van de Jacobijnenclub
      MM. de Beyma, Huber, de Kock, van Hoey, de Wacker van Zon, patriotes hollandaises, ont obtenu l'entrée aux séances de la Société pendant quinzaine.
      Zowel Valckenaer als Van Beyma richtten in 1791 hun eigen 'Jacobijnenclub' op: in 1793 werd Van Beyma gearresteerd. De verzoeningsgezinde Valckenaer probeerde te vergeefs de vrijlating te bespoedigen
      stelde in datzelfde jaar een Liste des Membres qui pourraient servir à augmenter le Comité Revolutionnaire Batave op, waarop naast de naam van Van Beyma ook die van De Wacker van Zon prijkte. Bij repatriëring zou De Wacker van Zon met Daendels en R.J. van der Capellen tot de Marsch Gelderland als werkterrein toebedeeld krijgen. Uit de stukken blijkt dat de Wacker van Zon voornamelijk in Antwerpen verbleef en dus voortdurend in de buurt van de patriottentop was te vinden.
      Repatriëring
      Al snel na zijn repatriëring begin 1795 kunnen we het spoor van De Wacker van Zon weer volgen. Lijkt hij na zijn turbulente leven als refugié schoon schip te willen maken met zijn patriots verleden? Of bereidde hij zich voor op een leven als broodschrijver? In hoeverre openbaarde zich de latere satiricus De Wacker van Zon in de volgende advertentie verschenen in de Haarlemse Courant van 7 april 1795, waarin hij klaarblijkelijk afstand neemt van één van de vele navolgers van Janus 1787, namelijk de Janus verrezen die vlak na de Franse inval begon te verschijnen
      Daar het den Ondergeteekenden dikwijls voorgekomen is, dat men hem vry algemeen een der Schryvers hield te zyn van het reeds voor de Omwenteling in 't Jaar 1787 geëxpireerde Weekblad Janus: en hy thans in de Couranten aangekondigt ziet, dat met den 6 April een Weekelyks Geschrift, met een even gelyke naam aan 't hooft het ligt staat te zien, vind hy 't van zyn pligt, als, nog de Auteurs, nog het voorwerp, nog de bedoeling van hetzelve, kennende, op zyn woord van Eer te betuigen, dat hy aan deeze Janus geen de minste deel nog meedewerking heeft: en doet hy zulks des te gereder, wyl hy uit de styl der Advertentie vermoedende, dat een der schranderste vernuften en der beste pennen van ons Gemeenebest zich thans met die taak ontleedigende is, men het hem niet euvel opneemen kan eene eer, die hy weet hem niet toetekomen, opentlyk van de hand te wyzen.
      Den Bramel by Zutphen, den 3 April, 1795. Petrus de Wacker van Zon.
      Let op dat hij zich alléén van de Janus verrezen distantieert, en niet van de Janus 1787! Die kwestie blijft vooralsnog open.
      Lang zou De Wacker van Zon niet op Den Bramel wonen. In maart 1797 moet hij al enige tijd op het landgoed Suideras bij Vierakker (Gld.) verblijven, op dat moment een geliefkoosd bezit van August Robbert van Heeckeren (1743-1811), raadsheer van het Hof van Gelre en Zutphen, die in De Adel was weggehoond. Vanuit Suideras maakte De Wacker van Zon in maart 1797 het overlijden van zijn dochter bekend, de 'Hoog Welgeb. Jonkvrouwe Anna.' De titel jonkvrouw heeft er vermoedelijk toe bijgedragen dat ook aan De Wacker van Zon een titel werd toebedeeld: baron. Quod demonstrandum est. Want de titel jonkvrouw was het gevolg van een adelsverlening aan de vader van Petrus' vrouw, George Tammo Falck, die op de directe afstammelingen overging. Een bron van vele latere misverstanden, die De Wacker van Zon maar al te graag voedde door zich in een van zijn romans te afficheren als baron De Wacker van Zon. Daar komt bij dat hij de vermoedelijke (anonieme) inzender is van een stamboom - integraal over maar liefst dertien generaties teruggaande tot de dertiende eeuw! - die J. Kok in zijn Bijvoegzels (1799) opnam. Terecht is de houdbaarheid van zijn adellijke herkomst betwist. De gegevens van de stamboom blijken - uit eigen onderzoek - niet alleen onvolledig, maar ook onnauwkeurig. Maar zijn (vermeende) stamboom in Kok, leek zijn reputatie als genealogisch onderzoeker te gaan bevestigen, getuige een briefwisseling in 1801 over dit onderwerp het Delftse vroedschapsraadslid M.G. del Court van Krimpen (1755-1835).
      In 1803 voert het Staatsbewind een debat over de benoeming van een nieuwe 'Commissaris ter tusschenwaarneeming der Gouvernementen van Suriname en Berbice.' Kandidaten waren
      de Capitein ter Zee Lemmers, het lid uit het Commité der Justitie te Amsterdam Glimmer, de Burgers Wacker van Son en Wenkebach.
      Uiteindelijk viel de keuze op een Fransman, vertelt Wagenaar. Het is mogelijk dat De Wacker van Zon solliciteerde op grond van het feit dat de plantage Berlin in Suriname die Petrus' vader in 1760 had verworven, nog in familiebezit was.
      De broodschrijver
      Vanaf 1804 zette De Wacker van Zon zijn schrijverscarrière voort met een stroom van publikaties. Hij schreef onder verschillende pseudoniemen, waarvan Bruno Daalberg de bekendste is geworden. Kennelijk was een politieke carrière op een mislukking uitgelopen. Net als zijn vriend Von Liebeherr verdween De Wacker van Zon van het politieke toneel. Het is niet duidelijk of zijn harde opstelling onder patriotse geestverwanten daar debet aan was. Op Suideras ontving hij af en toe bezoek van Angélique Falck, zuster van Anton Reinhart Falck (1777-1843), de latere secretaris van Staat. Anton zou De Wacker van Zon regelmatig helpen. Geestverwanten als Daendels, Valckenaar en Van Beyma veroverden belangrijke politieke functies, zwager Van Zuylen van Nyevelt werd maarschalk van Holland en president van het Hoog Heraldiek College, in Kleef was een andere zwager kamerheer van de groothertog van Hessen. Aan hooggeplaatste relaties zal het allemaal niet hebben gelegen.
      En De Wacker van Zon? Hij schreef. Hij schreef veel. In vijf jaar tijds zou hij tenminste drie romans, twee tijdschriften en een verhalenbundel publiceren, goed voor meer dan 3.000 pagina's druk. Hij zag bovendien kans een hele horde recensenten tegen zich in het harnas te jagen. En zo kennen we hem weer. Dan is het weer enkele jaren stil, totdat hij zich rond 1815 manifesteert met twee romans en - vermoedelijk - een geschiedkundig werk.
      Op zaterdag 2 februari 1805 verschijnt het openingsnummer van het anonieme spectatoriale tijdschrift De Prullemand gevolgd door Apollo. Het herinnert natuurlijk meteen aan Janus 1787 die de prullenmandmetafoor ook al gebruikte. Janus had Pierre Gosse junior, veelgeplaagd uitgever van het weekblad Haagsche Correspondent - de twee lagen voortdurend en vooral geestig met elkaar in de clinch - in 1787 bij zijn dood immers onbeperkte toegang tot zijn afvalbak gegeven, teneinde Gosse de gelegenheid te geven om diens periodiek te vullen met aanvaardbare kopij. Vanaf aflevering vijf - zaterdag 2 maart - zou de naam vervangen worden door het verhevener Apollo. Uitgever was J. Immerzeel in Den Haag. Na vijftien afleveringen werd de verschijning stopgezet
      omdat onze Natie niet aan 't lezen te brengen is.
      Immerzeel troost de auteur
      Apollo was picquant, had iets origineels, dit zeiden Kenners, en het moet u troosten, dat de weinigen die 't beoordeelen konden, u deze beoordeeling in 't graf mede geven, 'dat zoo een van beide, de Natie of gij ongelijk hebt, gij vooral het niet zijt'.
      Waarom Immerzeel de verschijning stopzette is niet duidelijk. Een vertoog getiteld De opgaande Zon [!] moest maar naar een ander blad worden gestuurd. Dat zou in juni 1806 in het Amsterdamse periodiek De Ster worden geplaatst. Nog in hetzelfde jaar bracht Immerzeel een gebundelde uitgave van De Prullemand/Apollo uit, waarop nu wel een auteur werd vermeld: Bruno Daalberg M.D. In 1806 zou Immerzeel opnieuw een aantal vertogen uit De Prullemand/Apollo uitbrengen, nu onder de titel Nog wat lectuur op het ontbijt en de theetafel van den Heer Professor van Hemert aangeboden door Bruno Daalberg. Volgens het Voorberigt moet de titel worden uitgelegd als een hommage aan Paulus van Hemert (1756-1825), die zelf van 1804 tot 1810 zijn Lectuur bij het Ontbijt en de Theetafel uitgaf, populaire schetsen op politiek, literair, historisch en filosofisch terrein. In 1851 werd Nog wat lectuur nogmaals uitgegeven, nu door de Haagse uitgever K. Fuhri onder de titel Komische Vertoogen, een ernstig orthografisch verminkte uitgave waarin alle stilistische effecten teniet zijn gedaan. De Wacker van Zon als popularisator van de Kantiaanse wijsbegeerte die Van Hemert hier introduceerde? Reden genoeg om de bijzondere belangstelling van De Wacker van Zon voor Van Hemert nader te onderzoeken. Falck schreef in ieder geval in Van Hemerts Magazijn voor de critische wijsgeerte en de geschiedenis van dezelve, verschenen tussen 1799 en 1803. Maar De Wacker van Zon hoorde eerder thuis bij Van Hemerts tijdschrift Lectuur bij het ontbijt en de theetafel, een populaire vorm van het Magazijn.
      In Nog wat lectuur treedt Daalberg op als redacteur en vermoedelijk auteur van stukken die zijn gesigneerd met P.v.W. en Z. Overigens zou Daalberg zich in Apollo zich voor het eerst bedienen van het pseudoniem Antonius Morellus uit Middelburg, een figuur die zich in Twee-en-dertig woorden als tekstbezorger van Daalberg opwerpt.
      Verschillende vertogen dragen de sporen van de heersende schrijfmode, zoals allegorieën en personificaties van abstracta via hoofdletters. Te pas, maar vooral te onpas gaf men begrippen een hoofdletter om accenten aan te brengen. Alles wat in de Verlichting verheven of hevig was, werd van kapitalen voorzien. In het vertoog De beste bril - een juweeltje - introduceert Daalberg de jood Magnus Levy, die we ook in Willem Hups (1805), Twee-en-dertig woorden (1805) en zijn meest bekende roman Jan Perfect (1817) aantreffen. Levy tracht met een even geweldige als vergeefse inspanning zijn brillen aan een hooggeleerd gezelschap te slijten. Maar de brillen hebben geen glazen; wat wij als glazen opvatten, zo houdt hij zijn lezers voor, zijn onze vooroordelen, waarmee tijd en opvoeding ons hebben toegerust en die onze onbevangen blik vertroebelen. Stelsels en theorieën verduisteren ons gezichtsveld, een thema dat hij in Jan Perfect ad absurdum uit zou werken.
      In 1805 verscheen zijn eerste roman: Willem Hups. Eene anecdote uit de XVII eeuw; ongelooflijk zelfs in de onze door B.D. bij Immerzeel. Uit aankondigingen in de kranten blijkt dat Bruno Daalberg de auteur was. I.L. Kesteloot (1778-1852), arts, hoogleraar en vriend van Anton Falck, vertelt dat bij de 'Liefhebbers der Hollandsche letterkunde in Vlaanderen' in 1817 de stellige indruk bestond dat Anton Reinhart Falck (1777-1843), de latere Secretaris van Staat, de auteur van Willem Hups was en vervolgt
      Het is mij onbekend hoe dit gevoelen heeft kunnen ontstaan, daar er voor die veronderstelling geen schijn van waarheid hoegenaamd voorhanden is. Het voortbrengsel, hier vermeld [bedoeld is Willem Hups, PvW], dit weet ik met zekerheid, is uit de pen van den Heer Wacker van Son gevloeid.
      Prachtig is Falck's eigen reactie in 1818
      Ik laat toe dat in mijn bijzijn luchtig geoordeeld worde - wat meer is, ik zelf oordeel niet zelden met meerdere of mindere gestrengheid over uitkomende werken, ook van schrijvers van talent en bekwaamheid. Door dezen Ondertusschen wordt wat geleverd, ja velen leveren jaarlijks iets en blijven langen tijd onuitputtelijk, terwijl ik...geen leesbaren roman zoude kunnen maken al stond er de galg op, en de vrienden die mij eens - 't is nu al een derde van eene eeuw geleden - de eer deden mij voor den auteur van Willem Hups te houden, hadden geen begrip van de onovertrefbaren dorheid van mijn geest.
      Volledigheidshalve vermeld ik hierbij dat ik vóór Kesteloot geen authentieke bron heb gevonden die de oplossing De Wacker van Zon = Bruno Daalberg bevestigt. Evenmin is het duidelijk waar Kesteloot zijn 'zekerheid' op baseert. Tot nader order (van wie dan ook) zullen we het ermee moeten doen. Ik stel hier slechts vast dat De Wacker van Zon het zelf (nog) niet heeft beweerd (of ontkend).
      De historische roman Willem Hups is een doorlopend verhaal over de kuiper Willem Hups uit Oudenwater dat zich afspeelt tussen 1672 en 1690. Een stervende Franse soldaat laat Hups een muts na, die de drager onzichtbaar maakt en hem verplaatst waarheen hij maar wil: Leanders hoedje derhalve. Hups besluit het onrecht te bestrijden. Hij corrigeert de oneerlijke praktijken van een baljuw, de waanwijsheid van een pillendraaier en de hoogmoed van een dominee, evenzovele persiflages op de rechtspraak, de medische stand en de geestelijkheid. Maar Hups raakt zelf ook in de ban van de macht en het dreigt slecht met hem af te lopen, waarna hij naar Wenen vlucht. Daar verschaft hij zich voor ƒ20.000,- een adellijke titel aan, wat Daalberg de gelegenheid geeft de hausse aan verheffingen in de adelstand in die tijd op de korrel te nemen. Handig verbindt Daalberg feit en fictie in de roman door de verklaard nuchtere Balthasar Bekker (1634-1698) met een spookverschijning te confronteren. Dat Daalberg en passant de hele Weense adel aan een 'veestconcert' laat deelnemen, is wellicht een kleine wraakactie voor de eertijds smadelijke afwijzing door Jozef II. Vooral het 'veestconcert' schoot de recensenten van de Letteroefeningen en de Bibliotheek in het verkeerde keelgat. De kritieken zijn vol ironie, maar met dat middel kon Daalberg zelf ook behoorlijk uit de voeten.
      In zijn literatuur-immanente benadering van Willem Hups toont Van der Brink aan dat dat de historische verwijzingen in dienst van de ironie staan. Van verschillende kanten wordt Daalberg verweten, dat hij - vooral in Willem Hups - geen sympathie voor zijn romanpersonages heeft. Waarom is dat eigenlijk nodig? Zoveel is duidelijk dat de verteller doorgaans betrouwbaar tegenover zijn figuranten is, in die zin, dat de in het begin uiteengezette normen van eerlijkheid worden gehandhaafd, ook als de aanvankelijke 'held' het verkeerde pad dreigt op te gaan. Kalff maakt het overigens wel heel erg bont door te stellen dat de latere levensgang van De Wacker van Zon op die van Willem Hups lijkt. Dat Willem Hups geschiedenis maakte, blijkt uit het feit dat Beets verschillende passages uit Daalbergs debuut in zijn Camera obscura verwerkte.
      Vermeldenswaard is nog de schets De Trekschuit, Ao.1702 ondertekend door L.J. van der Seys, junior uit Vlaardingen, die in twee afleveringen eind 1806 in het Amsterdamse blad De Ster verscheen. Een samenspraak tussen twee dominees, een burgemeester, een overste, een schilder, een kommies en... Willem Hups over de vraag in hoeverre iemand trouw moet en kan blijven aan een eenmaal ingenomen politiek standpunt anno 1702. Hoewel het begin van het tweede stadhouderloos tijdperk de aanleiding is, roept de verschijning van het stuk in 1806 de gedachte op in hoeverre De Wacker van Zon hiermee preludeert op zijn van kleur verschietende politieke overtuiging.
      In 1805 verscheen nog een roman Twee-en-dertig woorden; of De les van Kotsebue weer bij Immerzeel. Nu verschijnt voor het eerst zijn pseudoniem Bruno Daalberg op het titelblad. Hij zegt de opzet voor het boek te hebben afgekeken van de bekende Duitse drama-schrijver August Kotsebue (1761-1819). Deze had al eens een aantal vigerende begrippen door vrienden laten ijken hetgeen hun verbeelding aan het prikkelen had gebracht. Dat Twee-en-dertig woorden begint met een humoristische uitwerking van het begrip Adel, zal nauwelijks verwondering wekken. In de roman worden de twee hoofdfiguren geïntroduceerd, de onverzettelijke in tegenstellingen denkende filosoof met de speaking name Ambrozius Heiblok, die ooit de adel wilde hervormen, tegenover de scherm- en dansmeester Balsamo de Mecca, die echter één oog en één gezond been heeft, hetgeen hem meer theoreticus dan practikus maakt
      hij was niet alleen Scherm- en Dansmeester, hij was meer nog, hij was zelf Mensch en Burger, en bovendien Tambour bij het loffelijk Genootschap: Pro Aris & Focis-, dat heel lief excerceerde.
      Liefdesverwikkelingen zorgen voor een reeks misverstanden, leugens, uitvluchten en duels; en passant worden sneren uitgedeeld aan Lavater en Gall met hun gelaatkundige - en schedelleer-theorieën. De Sterniaanse invloed - die de Janus ook al zou kenmerken, is in Twee-en-dertig woorden duidelijk aanwijsbaar. Daalberg zelf zou zijn schatplichtigheid aan de Engelse humorist ook niet ontkennen. Een fraaie bespotting van Lavaters' gelaatkunde vormt de beschrijving van het overlijden in 1804 van Jan Hinlopen, dichter en intimicus van Bellamy en beoefenaar van de gelaatkunde die ook met Lavater over dit onderwerp correspondeerde. Op een kennelijk eigenhandige portrettekening heeft Daalberg het overlijden van Hinlopen letterlijk in diens gezicht gegrift. Het portret viel allerminst in de smaak bij de recensenten die waren neergesabeld onder het lemma 'Recensent.' Ze boorden het boek de grond in. Op onvervalst Daalbergsiaanse wijze nam De Wacker van Zon wraak in zijn volgende roman De Steenbergsche famille uit 1806.
      Hoewel Daalberg in Twee-en-dertig woorden de kritiek tegen anachronie en historiciteit bij voorbaat tracht te ontkrachten, zijn de 'overtredingen' van de auteur op dit punt moeiteloos aan te wijzen. Dit komt nogal eens terug in de niet malse kritieken. De 'blafrecensenten, literatuurrekeltjes of de dogrecensenten' - zoals Daalberg hen noemde - geven voortdurend blijk van 'een knor- en disputeerlust,' en hij geeft scherm- en dansmeester Balsamo de Mecca de volgende woorden in de mond
      En een Recensent zonder slagtanden aan te treffen is [...] even zoo onaanzienlijk als [...] een Officier zonder degen. [...] 'Hij [= de recensent, PvW], wie hij ook zij, die denkt, die spreekt, die schrijft - hij wete, dat ik veel beter denk, spreek en schrijf dan hij' [= de auteur, PvW]. Eten is het doel: en 't maandelijks volschrijven van een zeker aantal vellen papier het middel.
      Wie zo te keer gaat wordt door recensenten als 'prulschrijver' gekenmerkt. Maar in het Amsterdamse periodiek De Ster (1806) worden regelmatig met initialen ondertekende stukjes geplaatst waarin voor Daalberg een lans wordt gebroken. Het zou mij niet verwonderen als Daalberg dit spel van ingezonden brieven zelf regisseerde.
      Tussen 1806 en 1809 verscheen Daalbergs De Steenbergsche famille in vier kloeke delen van totaal 1138 pagina's bij Immerzeel. Opnieuw een historische roman. Het zou voorlopig zijn laatste publikatie zijn. Hij varieert hierin op inmiddels bekende thema's als de adel, vrijheid, trouw aan standpunten, zijn afkeer van 'sijsthema's,' geestelijkheid en sentimentaliteit. Voor alles houdt Daalberg zich bezig met de structuur van het verhaal: hij bespreekt nieuwe intriges met de lezer, maakt een keuze en vertraagt het verhaalverloop met menige uitweiding volgens procédé's van Sterne, Richardson en Fielding. Zelfs de hoofdpersoon rentmeester Obadja lijkt regelrecht uit Sterne's Het Leven en de Opvattingen van de Heer Tristram Shandy (1759-1767) te zijn overgekomen. Uitdrukkelijk wijst hij op het experimentele karakter van de roman in het 'Niet geheel onverschillig voorberigt.' Baron van Steenbergen - geen gebrek aan adellijke kwartieren - poogt met de loensende Obadja de schrale Twentse grond te veranderen in een tropische cultuurakker. Hij heeft echter alleen belangstelling voor de zaden, niet voor de bodemgesteldheid. Het 'sijsthema' draagt derhalve geen vrucht. Vele bijfiguren rust Daalberg met een lichaamsgebrek uit, evenzovele bespottingen van de perfectibiliteitsgedachte. Een fraaie figuur is de oosterling Monjet (= aap) die sprekend in een krom taaltje voor een opleving zorgt in het verhaal. Zowaar, de recensent van de Vaderlandsche Letteroefeningen stelt met genoegen vast dat De Steenbergsche famille minder 'onkies' is, zelfs leesbaar en 'nog al geestig.' De Hedendaagsche Vaderlandsche Bibliotheek schrijft Daalberg niet minder dan 'een langjarige ondervinding, mensch- en wereldkennis' toe
      Secretaris van de Hoge Raad van Adel
      Als in 1812 Suideras in andere handen overgaat, verhuizen Petrus en Theodora naar Nijmegen. In datzelfde jaar sneuvelde zijn zoon George tijdens Napoleons fatale veldtocht in Rusland. In Amsterdam en Den werkt zijn zwager Anton Reinhart Falck zich op naar hoge posities: secretaris van Staat en later minister van Publiek Onderwijs, Nationale Nijverheid en Koloniën.
      In juli 1811 werd aan Van Zuylen van Nyevelt informatie gevraagd over het arbeidsverleden van zijn zwager: had De Wacker van Zon ooit een ambtelijke functie vervuld? Kennelijk solliciteerde hij thans naar de functie van Postmeester. Van Zuylen van Nyevelt schreef Van der Capellen tot de Marsch
      On me demande s'il avoit été employé précédemment aux Postes ou à quelque autre Ministere ou Direction. Je n'ay rien à répondre et l'On ne me répondit rien non plus. Mon Beaufrere n'ayant pu obtenir cela se seroit contenté de quelque petit Poste que ce fût, mais qui eût pu lui convenir - je n'ai également pu rien obtenir.
      Het bewijs van de sollicitatie dateert pas uit 1814. In februari van dat jaar schreef De Wacker van Zon aan baron De Loë van d'Ulenpas (Ulenpas bij Doetinchem), solliciterende naar de betrekking van postmeester van Nijmegen. Hij verzoekt de baron 'sortir une fois de l'oubli,' waarin hij al zo'n dertig jaar zegt te verkeren. Na zijn (vermeende) Janus-tijd schreef hij immers voortdurend onder pseudoniem. Hij wil nu dolgraag 'un bon emploi et une activité marquante' en beseft dat deze 'oubli' hem daarbij parten kan spelen: wie kent De Wacker van Zon nog, zo vraagt hij zich af. Twee eeuwen later een niet minder intrigerende vraag.
      Hij wordt gepasseerd voor de baan en lijkt vooralsnog ambteloos burger te blijven. Op 27 mei 1815 richt De Wacker van Zon een rekest aan Willem I, een sollicitatie naar de functie van secretaris van de Hoge Raad van Adel in Den Haag. De Wacker van Zon ('van Uwe Majesteit den getrouwen Dienaar') beroept zich op zijn historische en genealogisch-heraldische kennis, voorwaarden voor de vervulling van de functie. Uit de brief valt te distilleren dat De Wacker van Zon al sinds zijn repatriëring een overheidsfunctie ambieerde. Baron van Snouckaert, lid van de Hoge Raad van Adel, bevestigt de koning schriftelijk
      dat de Heer Rekwestrant, in allen opzigte, de nodige bekwaamheden en ervarenheid bezit, zoo wel in het Genealogische als Historische vak.
      Wat zou de Wacker van Zon hebben overlegd bij zijn sollicitatie? De stamboom die Kok publiceerde in 1799? Zijn historische romans? Of het manuscript over de geschiedenis van de kruisvaarten, dat in 1818 zou worden gepubliceerd? Zijn patriots verleden hoeft zeker geen hinderpaal te zijn geweest, want Willem I heeft de leidende figuren van vóór en nà 1795 in ruime mate in de gelegenheid gesteld deel te hebben in openbare functies. Op 5 juni deelt een lid van de Raad de koning mede
      dat de overige Leden van den Raad gehoord hebbende de favorabele adviesen van twee hunner medeleden waarop de Requestrant zich beroept, hoezeer die bij hun onbekend is, voornd. favorabel advies wel kunnen conformeeren.
      De hele benoemingsprocedure neemt nog geen twee weken in beslag. Op 10 juni komt het Koninklijk Besluit al af en blijkt De Wacker van Zon aangesteld op een jaartractement van ƒ2.500,-. Het K.B. is mede ondertekend door Anton Reinhard Falck, die ongetwijfeld een goed woordje voor zijn zwager heeft gedaan. Maar ook zijn andere zwager Philips Julius van Zuylen van Nyevelt zal er als president van het Hoog Heraldiek College het zijne toe bijgedragen hebben. Petrus en Theodora verhuizen naar de Nieuwe Uitleg 25 in Den Haag.
      De Hoge Raad van Adel adviseerde de koning over alle adelszaken, de samenstelling en wijzigingen van de wapens en vlaggen van publiekrechtelijke lichamen, gemeentewapens, naamswijzigingen van adellijke geslachten, emblemen van oorlogsschepen en gaf algemene informatie over genealogische en heraldische zaken. De Wacker van Zon heeft vanaf 1815 tot aan zijn dood honderden naamswijzigingen, verheffingen in de adelstand en gemeentewapens behandeld. Op een vraag van een lezer in De Navorscher van 1877 naar de ondertekenaars van het wapen van de gemeente Fijnaart en Heiningen (Noord-Brabant) antwoordt J.G. Frederiks uit Zutphen knorrig
      Als het bedoelde stuk een wapenbrevet van den Hoogen Raad van Adel is, moet het, op den gegeven tijd [= 16 juli 1817, PvW] geteekend zijn door F.G. baron van Lynden van Hemmen, die anders duidelijk genoeg schreef, voorzitter van dien Raad, en door den secretaris Petrus de Wacker van Zon, die het niet zoo ver met de pen gebracht had, als men van den schrijver van Jan Perfect denken zou.
      In december 1815 wijst De Wacker van Zon in een oleografische dispositie zijn vrouw als universeel erfgename aan. Daaruit blijkt dat hij geen baan om den brode hoefde te zoeken.
      In 1817 verscheen zijn meest bekende roman Jan Perfect of De weg der volmaking, vertoond in het leven en de zonderlinge lotgevallen van een voornaam wijsgeer. Een staats- en zedekundige roman der afgelopende wondereeuw bij de Gebroeders van Kleef in Den Haag en Rotterdam. Een tweede druk in 1834, zou wel weer bij Immerzeel verschijnen. Terwijl de eerste en tweede druk anoniem uitkwamen, prijkt op het titelblad van de derde druk (ca. 1840 eveneens bij Immerzeel) naast een iets gewijzigde titel de naam van de auteur: 'Bruno Daalberg (Baron de Wakker van Zon).' In een ander verband wil ik nader op deze roman ingaan. Nu enkele kanttekeningen. Ik beschouw Jan Perfect waarvoor Voltaire's Candide (1759) model stond, als een schitterende satire op het Nederlandse Verlichtingsdenken. Weliswaar berijdt De Wacker van Zon in Jan Perfect al zijn bekende stokpaardjes, maar humoristischer dan in zijn voorgaande romans. Na de dood van zijn loensende, nasaal sprekende vader Ezechiël trekt Jan Perfect 'driemaal zoo scheel' op 9 augustus (verjaardag van de auteur!) 1746 de wereld in om de 'perfectibiliteit' te prediken. Het wordt een reis vol ongelukken en misverstanden (in hoeverre is de roman ook een parodie op de educatiereis en vigerende onderwijssysteem?). Na tien jaar prediking maakt Jan de balans op: hij is gecastreerd, mist een oog, terwijl de volmakingstheorie geen vruchten heeft afgeworpen. Waarop Jan besluit zijn oude vak van apotheker weer te gaan uitoefenen. Eigentijdse recensenten beoordelen de roman positief en hengelen naar de naam van de auteur. Ze wijzen al gauw Daalberg aan.
      In 1818 verscheen Nieuwe Bijdrage tot de Geschiedenis der Kruisvaarten, in hare betrekking tot ons Vaderland bij de Nederlandsche Drukkerij in Den Haag. Op het titelblad staat als auteur: Mr. P.D.W.V.Z., die in de voorrede schrijft dat het weinige dat hij ooit publiceerde 'allergestrengst behandeld' werd en dat hij daarom alleen zijn initialen vermeldt.
      Wellicht heeft deze studie ooit gediend voor een prijsvraag. Dat zou niet de eerste keer zijn geweest. De Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem schreef in 1814 een prijsvraag uit: 'Welken heilzamen invloed hebben de gewigtige gebeurtenissen der laatste vijf-entwintig jaren gehad op de denkwijze, de beschaving en de zedelijkheid der Europaeschen volken: en wat mag men met de meeste waarschijnlijkheid voor het geluk derzelve ook in 't vervolg daaruit verwachten?'
      Er werd in 1818 één antwoord ingestuurd: onder de zinspreuk Tolle, adde leverde De Wacker van Zon zijn 93 pagina's tellende verhandeling op 10 januari in - met correcties en al! - en hij verzocht de jury in de begeleidende brief 'de aanwezende schryffouten met inschikkelijkheid te gedenken' wegens 'aanhoudende indispositie.' Dat deed de jury echter niet: zo'n versie aan een 'achtingwaardige Maatschappy' insturen, nee, dat kon niet. Stuart, een van de drie juryleden meende dat er ondanks de correctie
      zooveel onzin [was] overgelaten, dat het onbegrijpelijk is, hoe dit, zelfs bij de grootste indispositie, kan ontsnapt zijn.
      De andere twee juryleden waren niet minder duidelijk; beiden vonden het 'eenzijdig en onvolledig.' Geen bekroning, en dus geen publikatie derhalve, luidde het unanieme juryadvies. De Wacker van Zon ziet in zijn 'balans van de Franse tijd' nauwelijks positieve ontwikkelingen. Alleen op het gebied van de 'topografie' - waarmee hij de infrastructuur bedoelt - ziet hij vooruitgang. Wat vooral duidelijk blijkt in de verhandeling, is zijn teleurstelling over het feit dat de 'wijsbegeerte, die het geluk voor de mensch nastreefde' als oorzaak voor 'de fransche omwenteling en hare droevige gevolgen' wordt gezien, terwijl volgens hem eerder de 'Militaire geest' ('Men was alles wanneer men slechts Krijgsman was') de Republiek in zijn greep hield
      Ongelukkige uitwerkselen der wijsbegeerte, dat uit de verhevenste bevattingen des menschelyken vernufts uit de deugdzame stellingen der wijzen geene andere resultaten zyn voortgevloeid dan de vrees by zoo veelen en de juichende verzekeringe by anderen dat de voorspellingen door de wysheid gedaan niets anders waren dan de dromingen der domheid!
      De secretaris van de Hoge Raad van Adel stelt met verbazing vast, dat thans
      alle de Standen van het Land en onder dezelve die vooraan welke zich anders zoo tegen de zelve [= de adel, PvW] lieten hooren, zich onderling als het waare verdringen om uit de hand eens aangebeden Souverein standverheffingen te erlangen welke zy voorheen van de hand wezen.
      Spreekt hier Anonymus Belga - De Wacker van Zon - van De Adel uit 1786? Ik betwijfel het.
      In het najaar verergert de 'indispositie.' Op 8 december 1818 sterft De Wacker van Zon aan borstvliesontsteking. Theodora erft ruim ƒ10.000,- en zijn bibliotheek (die helaas niet wordt gespecificeerd) ter waarde van ƒ170,-. Zij trekt in bij haar zuster op kasteel Croy en houdt zich bezig met schapenteelt. Ze overlijdt in 1830


Home Page |  What's New |  Most Wanted |  Surnames |  Photos |  Histories |  Documents |  Cemeteries |  Places |  Dates |  Reports |  Sources