Herman van Coopstadt

Herman van Coopstadt

Male 1708 - 1772  (~ 63 years)    Has 2 ancestors but no descendants in this family tree.

Personal Information    |    Notes    |    All

  • Name Herman van Coopstadt 
    Christened 4 Nov 1708 
    Gender Male 
    Died 16 Sep 1772 
    Person ID I501599  Geneagraphie
    Last Modified 21 Feb 2007 

    Father Leonard van Coopstadt,   d. Yes, date unknown 
    Mother Elisabeth van Halm,   d. Yes, date unknown 
    Siblings 1 sibling 
    Family ID F204241  Group Sheet  |  Family Chart

  • Notes 
    • Fa. Coopstad & Rochussen (Hudig) / Ferrand Whaley ( Stadsarchief Rotterdam)
    • De Rotterdammer Herman van Coopstad was in 1758 en 1759 schepen, een functie die ook zijn vader bekleed had, en tevens directeur van de Levantse handel. Zijn zus Maria Geertruid was in eerste echt gehuwd met Jan Hudig (1702 - 1745); een dochter uit dit huwelijk, Esther, geboren 25 december 1729 en overleden 1 januari 1822, huwde op 17 augustus 1749 mr. Isaac Jacobus Rochussen, een telg uit het bekende Zeeuwse geslacht, geboren in 1720 en overleden op 25 november 1797, oud-schepen en vroedschap van Vlissingen en vanwege Zeeland lid van de Admiraliteit op de Maze.
      Herman van Coopstad wordt reeds in 1733 vermeld als medereder voor 1/7 in de Maria Geertruy * , wat eerder duidt op geldbelegging dan op actieve bezigheden in de rederij. In 1736 blijkt hij echter niet alleen voor 1/7 mede-reder in de Maria Geertruy Galey te zijn - vermoedelijk identiek met de Maria Geertruy - doch ook boekhouder van dit schip dat gebruikt wordt in de vaart op Smyrna (Izmir) * . Coopstad en Rochussen hebben zich geassocieerd tussen 1747 en 1750; in het eerst genoemde jaar wordt Coopstad nog alleen genoemd als boekhouder, en wel van de Maria Geertruy Galey die dan voor de helft zijn eigendom is * , in het laatste jaar zijn ze beide boekhouder van de Liefde * , hoewel Rochussen toen nog in Vlissingen woonachtig was.
      De schepen die alleen onder directie van Coopstad voeren, werden, voor zover valt na te gaan, ingezet in de vaart op de Middellandse Zee en voornamelijk op Smyrna. Deze vaart heeft hij ook na zijn associatie met Rochussen voortgezet, immers als hij met Herman Oostendorp op 30 oktober 1769 de firma Herman van Coopstad en Oostendorp opricht * , bestaat zijn inbreng o.a. uit de sedert mei van Smyrna verzonden koopmansschepen en 1/4 in het schip de Herman, dan onderweg naar Smyrna. De firma Coopstad & Rochussen echter houdt zich bezig met slavenhandel - de zogenaamde driehoeksvaart Europa, Afrika, West-Indië en terug naar Europa - en de rechtstreekse handel op Suriname; enige jaren na de oprichting ook met plantageleningen. Mogelijk heeft Coopstad Rochussen mede tot compagnon genomen vanwege diens kennis van de slavenhandel, die in de Republiek immers grotendeels in handen was van de Zeeuwen.
      In de bronnen worden de firmanten een enkele maal kooplieden en bankiers genoemd, vaker kooplieden en reders, meestal echter boekhouders en reders, waardoor duidelijk wordt op welk gebied de belangrijkste activiteiten van de firma liggen. De achttiende eeuwse rederij was zoals bekend anders georganiseerd dan de twintigste eeuwse; toen was de gebruikelijke vorm de partenrederij * : een aantal investeerders koopt een schip of laat dat bouwen, ieder is dan eigenaar van een gedeelte en deelt naar rato daarvan mee in winst en verlies. De directie wordt opgedragen aan een der participanten, die meestal wel de initiatiefnemer geweest zal zijn; deze wordt boekhouder genoemd. Dat schip, of liever, de rederij van dat schip vormt in feite een aparte handelsonderneming, al komt het een enkele maal voor dat een rederij eigenaar is van meer schepen. Hoofddoel van een dergelijke partenrederij is dan ook niet in de eerste plaats het verhuren van scheepsruimte, doch bijna altijd het drijven van handel. Voor rekening van de rederij wordt een lading ingekocht, op de plaats van bestemming verkocht, waarna zo mogelijk een nieuwe lading wordt gekocht of scheepsruimte wordt verhuurd. Als de boekhouder, de directie van de rederij dus, geen agent ter plaatse heeft, fungeert de kapitein van het schip als supercarga, dat wil zeggen hij is verantwoordelijk voor de handelstransacties. Het voordeel van de partenrederij was dat de eigenaars beperkt aansprakelijk waren, hun part konden verkopen wanneer ze maar wilden en hun kapitaal in meer schepen konden beleggen waardoor het risico gespreid werd. Van dergelijke partenrederijen waren Coopstad en Rochussen boekhouders, daarnaast waren ze medereders van schepen die onder andermans directie voeren *
      De slavenhandel * was tot 1730 een monopolie van de West-Indische Compagnie; in de eerste decennia na de opheffing van dat monopolie voeren er van uit de Republiek gemiddeld 15 schepen per jaar naar West-Afrika, waaronder 11 Zeeuwse. Coopstad en Rochussen hebben zich vanaf 1750 met deze handel bezig gehouden. Voor de bijzonderheden over deze handel van de firma wordt volstaan met te verwijzen naar de publikatie van J. Hudig Dzn en naar de beschrijvingen van de archiefstukken. details...
      Een tweede belangrijke pijler van de firma, waarover echter in dit archief nauwelijks stukken aanwezig zijn, wordt gevormd door de aldus geheten plantageleningen, leningen voor het eerst in 1753 georganiseerd door de Amsterdammer Willem Gideon Deutz * . Coopstad en Rochussen, snel op de hoogte van de pogingen die Deutz reeds in 1751 in deze richting in het werk stelt, geven op 2 juni 1752 hun agenten in Suriname opdracht om voor f 100.000 f 120.000 leningen te verstrekken aan plantage-eigenaren * . Verdere gegevens hierover ontbreken echter; de pogingen zullen mislukt zijn. Op 9 december 1754 echter besluit de Rotterdamse vroedschap om de firma een lening van f 30.000 tegen 4% rente te verlenen ten behoeve van de negotiaties op plantages * ; dit kennelijk naar het voorbeeld van Amsterdam dat voor een gelijk bedrag had deelgenomen in de negotiatie van Deutz. Rotterdam zal overigens een jaar later ook de firma Wed. A. Hamilton en Meijners, die evenals Coopstad en Rochussen werkzaam was op het gebied van plantageleningen en slavenhandel, een lening verstrekken *
      De planter die in geldnood verkeerde zocht kontakt met een koopman in het vaderland die bereid was een lening uit te schrijven of te negoti zoals men zei * . Deze koopman, de directeur van de negotiatie, stelde een plan op waarop geldschieters konden inschrijven. De planter kon een lening krijgen tot maximaal 5/8 van de taxatiewaarde van zijn plantage waarop hij hypotheek moest geven. Een akte van willige condemnatie gaf de directeur en de obligatiehouders, die om belangen te behartigen een aantal commissarissen uit hun midden kozen, de mogelijkheid om bij wanbetaling van rente en aflossing snel tot executie over te gaan. Het aantrekkelijke voor de directeur was, naast het in sommige gevallen gevraagde eenmalige percentage van het genegotieerde kapitaal, het feit dat bedongen werd dat alle produkten van de plantage aan hem geconsigneerd werden, dat ook de bevoorrading van de plantage via hem geschiedde en dat hij de wissels betaalde en de assurantie bezorgde, allemaal zaken waarvoor hij commissie kreeg. De kapitaalverschaffers werden aangetrokken door de relatief hoge interest van 5 of 6%
      De betrekkingen tussen planter en directeur van de negotiatie noemde men correspondentie; het aanvaarden van zo'n correspondentie bleek niet zonder risico. Het lag natuurlijk in de bedoeling dat de directeur interest, aflossing, wissels en bevoorrading zou betalen uit de opbrengst van de produkten. Die opbrengst is echter lang niet altijd voldoende zodat de directeur in de problemen komt: er is geen geld, toch moet de plantage van het nodige - vooral dure slaven - voorzien worden om de produktiviteit in stand te houden of te verbeteren. Het gevolg is meestal dat ofwel de hypotheek verhoogd wordt ofwel de directeur uit eigen zak voorschiet. Nu was het verhogen van de hypotheek niet altijd zonder meer mogelijk omdat het te lenen bedrag gemaximeerd was op 5/8 van de taxatiewaarde. Daarom, en ook omdat de vraag naar plantages tot ca. 1770 groot was, bestond bij de uit de planterswereld afkomstige taxateurs - priseurs genaamd - de neiging om de plantage steeds hoger te waarderen, zodat de eigenaar een aanvullende hypothecaire lening kon aangaan of zonder veel bezwaar bij de directeur in het krijt kon staan tot 5/8 van de jongste taxatie. Dit riskante systeem bleef zonder ongelukken tot het begin der zeventiger jaren. Door misoogst in 1770, daling van de koffie- en cacaoprijzen in Holland, rebellie van slaven en bosnegers in 1771, gevolgd door de kredietcrisis op de Amsterdamse beurs van 1772/1773 is in de plantageleningen de klad gekomen.
      De twee belangrijkste door Coopstad en Rochussen uitgeschreven leningen staan bekend als de negotiatie van f 650.000 op tien plantages (uitgeschreven in 1765, gedateerd 1766, waarvan het exacte bedrag vermoedelijk f 670.000 was * en de negotiatie van 14 tonnen gouds op twintig plantages (uitgeschreven in 1767, gedateerd 1768, waarvan het exacte bedrag waarschijnlijk f 1.335.000 was) * . Aan de eerste waren onder andere verbonden de plantages Carelsburg, de helft van L'Embaras en Venlo, en Vreede; aan de tweede Toevlugt, Vriessenburg Nova en Dwingelo, Welgevallen, Zoelen, Zuijnigheid, Maagdenburg, La Ressource (identiek met Ma Ressource ?) en Maria's Hoop * .
      Zoals vermeld was het gebruikelijk op de leningen te laten intekenen; voltekening van een lening van f 1,4 miljoen zal niet eenvoudig te verwezenlijken geweest zijn. De firma blijkt echter vindingrijk te zijn want Herman Oostendorp, zoon van Suzanna van Coopstad, zus van Herman, die bediende was op het kantoor van de firma blijkt op te treden als secretaris en vermoedelijk organisator van drie contracten van overleving, Een contract van overleving is een tontine, genoemd naar Lorenzo Tonti, die georganiseerd wordt door particulieren * , een vorm van speculatie waarvan het adagium zou kunnen zijn: de een zijn dood is de ander zijn brood. Een deelnemer koopt of meer 'porties' op het 'lijf' van zich zelf of iemand anders, vaak zijn kinderen. De koper deelt mee in de opbrengst zolang het door hem aangewezen lijf in leven is; overlijdt dat lijf dan worden de aanspraken verdeeld over de deelnemers wier lijven nog leven. Bij de rente-tontine wordt jaarlijks interest uitgekeerd van de totale inleg, te verdelen onder de aanwijzers van de levende lijven. Bij de kapitaal-tontine wordt, als de lijven uitgestorven zijn tot op een vastgesteld aantal, het gehele kapitaal met geaccumuleerde rente uitgekeerd, er zijn echter vele mengvormen bekend.
      Op 26 februari 1768 wordt de inschrijving opengesteld op een contract van overleving, waarbij als gecommitteerden van de deelnemers zullen fungeren Johan Gerbrand van Mierop, oudschepen, Bastiaan Molewater, schepen, en Paulus Gevers, bewindhebber der West-Indische Compagnie; als secretaris treedt op Herman Oostendorp * . In het contract wordt zoals gebruikelijk bepaald hoe het in te brengen kapitaal belegd moet worden: in dit geval is dat 'obligati uytgegeven door de heeren Coopstad en Rochussen te Rotterdam in de negotiatie van veertien tonnen gouds op twintig plantagi in de colonie van Surinamen, loopende tegens den interest van vijf ten hondert 'sjaers'. Het ligt voor de hand dat dit contract opgezet is om de firma aan geld te helpen. Oostendorp zal er niet veel aan verdiend hebben: het eerste jaar 1% van de inleg en voorts 1/4 %, maar daar moeten dan ook de onkosten uit betaald worden. In ieder geval is het aangeslagen want het volgende jaar zijn nog twee contracten afgesloten * ; de drie worden aangeduid met de letters A, B en C.
      Het bedrag dat per portie betaald moest worden was afhankelijk van de leeftijd van degene op wie ingezet werd. Bij contract A waren er tien leeftijdsklassen van 0 - 50 jaar en een elfde voor 50 jaar en ouder. Voor lijven van 0 - 5 jaar werd f 200,- ingelegd, wat met elke klasse f 10,- afnam, zodat voor 50-plussers f 100,- ingelegd moest worden. Op alle lijven werd een gelijk deel in de opbrengst uitgekeerd; als ze alle op vier na overleden zouden zijn, zouden de obligaties in volle eigendom worden overgedragen aan de participanten die op die lijven hadden ingetekend en zou het contract afgelopen zijn. Wanneer het contract ge is, is niet bekend; in ieder geval moet dat na 1838 zijn * . De contracten B en C waren verdeeld in vier klassen: 0 - 30, 30 - 40, 40 - 50 en 50 jaar en ouder, waarvoor resp. f 200,-, f 180,-, f 160,- en f 150,- gefourneerd moest worden. De obligaties zouden verdeeld worden onder de inschrijvers wier lijven op 1 januari 1800 nog in leven zouden zijn. Commissarissen en secretaris waren dezelfde heren als bij contract A. De totale inleg van deze drie contracten bedroeg f 116.800,-.
      Herman van Coopstad was kennelijk tevreden over zijn neef en bediende, want op 30 oktober 1769 sluit hij een contract van compagnieschap * met hem, dat op 1 januari van het volgende jaar in werking zou treden. Doel van deze firma Herman van Coopstad en Oostendorp is het drijven van handel, met uitzondering van die handel op Suriname die verband houdt met de negotiaties van Coopstad en Rochussen. Oostendorp zal de boeken bijhouden en de brieven schrijven. Coopstad beheert de kas. Op 28 april 1775 - Coopstad is inmiddels op 16 september 1772 overleden - sluit Isaac Jacobus Rochussen met dezelfde Herman Oostendorp een contract van compagnieschap * , met terugwerkende kracht tot 28 februari 1773, uitsluitend voor de twee negotiaties van Coopstad en Rochussen, de firma waarvan de naam gehandhaafd blijft. De compagnons houden voor eigen rekening hun aandelen in schepen die ter slavenhandel of op de Middellandse Zee varen, Oostendorp zal dit wel gedaan hebben op eigen naam of op naam van Coopstad en Oostendorp, Rochussen vermoedelijk onder de firma Rochussen en Zoonen die we in dit jaar voor het eerst tegen komen en die zich inderdaad met slavenhandel blijkt bezig te houden * .
      Inmiddels gaat het niet goed met de negotiaties; wat er precies mis is horen we niet, maar het is duidelijk dat de planters niet aan hun verplichtingen kunnen voldoen. Dit blijkt bijvoorbeeld uit een in 1778 met de eigenaar van de plantage Vreede gesloten transactie * die daarbij een deel van zijn schuld krijgt kwijt gescholden. In 1776 steken de obligatiehouders de koppen bij elkaar en machtigen enigen van hen om de gezamenlijke belangen te behartigen * . Deze 'geauthoriseerden" eisen, met inachtneming van de opzegtermijn van 1 jaar, hun geld terug. Op 28 februari 1777 worden Joan Osy, Pieter Stumpus en Pieter van der Wallen van Vollenhoven gemachtigd door Esther Hudig, die hiertoe procuratie heeft van haar man en van Herman Oostendorp, om alle zaken van Rochussen priv Coopstad en Rochussen en Rochussen en Zoonen te dirigeren * .
      Het blijkt voorts dat Oostendorp op 3 maart 1777 alle boeken en papieren betreffende de negotiaties onder zich genomen heeft, terwijl Rochussen zich van alle bemoeienis daarmee onthoudt * . De geauthoriseerden dringen echter bij herhaling aan op de overgave van de directie * , wat tenslotte bij contract op 4 augustus 1777 geschiedt * . Het is inmiddels niet meer duidelijk welke plantages onder welke negotiatie vallen, zodat de geauthoriseerden van beide daarover tot overeenstemming moeten komen * , wat des te gemakkelijker lukt doordat de directie van beide negotiaties, hoewel die afzonderlijk beheerd moeten worden, wordt opgedragen aan Gerard Boom * . Het offici einde van de firma Coopstad en Rochussen volgt op 4 en 6 december 1779 wanneer Rochussen en Oostendorp hun compagnieschap ontbonden verklaren * . In 1897 verscheen echter in de N.R.C. een oproep aan houders van obligaties in de negotiatie van 14 ton gouds om hun obligaties te verzilveren. Uit het krantebericht blijkt dat de firma Pieter Wachter & Zoonen de negotiatie over had genomen van de Coopstad & Rochussen .


Home Page |  What's New |  Most Wanted |  Surnames |  Photos |  Histories |  Documents |  Cemeteries |  Places |  Dates |  Reports |  Sources