Eduard Douwes Dekker

Eduard Douwes Dekker

Male 1820 - 1887  (66 years)    Has 2 ancestors and 4 descendants in this family tree.

Personal Information    |    Media    |    Notes    |    Event Map    |    All

  • Name Eduard Douwes Dekker 
    Relationshipwith Adam
    Born 2 Mar 1820  Amsterdam, NH, NL Find all individuals with events at this location 
    Gender Male 
    Died 19 Feb 1887  Nieder-Ingelheim Find all individuals with events at this location 
    Person ID I479087  Geneagraphie
    Last Modified 21 Feb 2007 

    Father Engel Douwes Dekker,   d. Yes, date unknown 
    Mother Sietske Eeltjes Klein,   d. Yes, date unknown 
    Married 1808  Ballum Find all individuals with events at this location 
    Siblings 1 sibling 
    Family ID F199581  Group Sheet  |  Family Chart

    Family 1 Baronesse Everdina Huberta van Wijnbergen,   b. 27 Sep 1819, Antwerpen, B Find all individuals with events at this location,   d. 13 Sep 1874, Venice, Italia Find all individuals with events at this location  (Age 54 years) 
    Married 10 Apr 1846  Tjandjoer Find all individuals with events at this location 
    Children 
     1. Jan Pieter Constant Eduard Douwes Dekker,   b. 1 Jan 1854, Amsterdam, NH, NL Find all individuals with events at this location,   d. 4 Mar 1930, Nice Find all individuals with events at this location  (Age 76 years)
     2. Elisabeth Agnes Everdine Douwes Dekker,   b. 1 Jun 1857, Soerabaya, Java, Indonesia Find all individuals with events at this location,   d. 11 Jun 1933, Capri Find all individuals with events at this location  (Age 76 years)
    Last Modified 3 Dec 2004 
    Family ID F199584  Group Sheet  |  Family Chart

    Family 2 Maria Frederika Cornelia Hamminck Schepel,   d. Yes, date unknown 
    Married 1 Apr 1875  Rotterdam, ZH, NL Find all individuals with events at this location 
    Last Modified 3 Dec 2004 
    Family ID F199585  Group Sheet  |  Family Chart

  • Event Map Click to display
    Link to Google MapsBorn - 2 Mar 1820 - Amsterdam, NH, NL Link to Google Earth
    Link to Google MapsMarried - 1 Apr 1875 - Rotterdam, ZH, NL Link to Google Earth
     = Link to Google Earth 
    Pin Legend  : Address       : Location       : City/Town       : County/Shire       : State/Province       : Country       : Not Set

  • Photos
    479087.jpg
    479087.jpg

  • Notes 
    • "Max Havelaar", "IdeeĆ«n".
      In 1856 werd hij aangesteld tot assistent-resident in Lebak; hij diende bij de resident van Bantam een aanklacht in tegen de regent van Lebak i.v.m machtsmisbruik en afpersing van de bevolking. Zijn ontactisch optreden leidde tot overplaatsing. Hij bood ontslag aan en keerde terug naar Europa. In Brussel schreef hij in 1857 de Max Havelaar, of de koffijveiling der Ned. Handelmij.

      Onder zijn pseudoniem Multatuli schreef Douwes Dekker veel en kritisch over de
      Nederlandse samenleving in de negentiende eeuw. Voor velen betekende het lezen
      van zijn opmerkingen een ontdekking en een bevrijding uit het harnas van
      maatschappelijke regels en gewoonten. Als schrijver stond hij op een internationaal
      niveau, als persoon was hij in het 'fatsoenlijke' Nederland van zijn eigen tijd
      omstreden. Hij zou veel invloed krijgen op mensen die actief waren in de
      Nederlandse arbeidersbeweging en op vrouwen die streefden naar emancipatie.
      Douwes Dekker was een van de zes kinderen van een vroom, orthodox
      doopsgezind echtpaar, waarvan de vader afkomstig was uit de Zaanstreek en de
      moeder van Ameland. Zij trouwden in 1808 te Ballum in de zeer eenvoudige
      'vermaning' van de Jan Jacobsgezinden, ingezegend door de lekeprediker Cornelis
      P. Sorgdrager. Deze groepering werd gerekend tot de orthodoxe doopsgezinde
      stroming van Oude Vlamingen. Tien jaar later keerden de ouders terug naar
      Amsterdam, waar hun drie jongste kinderen -onder wie Eduard - werden geboren.
      Zij gaven hun kinderen een goede opleiding. De oudste werd na het doorlopen van
      de Latijnse School en de doopsgezinde kweekschool predikant. De tweede zoon
      bezocht net als zijn vader de kweekschool voor de zeevaart. Douwes Dekker was
      weer bestemd voor het predikambt maar verliet na drie klassen de Latijnse School
      wegens gebrek aan roeping. Een opleiding op een handelskantoor was evenmin een
      succes. Meegaan naar Oost-Indiƫ op een schip waarvan zijn vader kapitein en zijn
      broer stuurman was, leek een goede oplossing. In september 1838 zeilde de
      achttienjarige als lichtmatroos via Kaap de Goede Hoop naar de tropen. In januari
      1839 bereikte hij Batavia (= Djakarta), de residentie van de Gouverneur-Generaal
      en het centrum van het binnenlands bestuur over Nederlandsch Oost-Indiƫ. Na een
      korte proefperiode kreeg hij vast werk bij de Rekenkamer. Hij vierde tamelijk
      uitbundig zijn pas verworven vrijheid en zijn vader gaf hem enige geldelijke steun. In
      Indiƫ ging het contact met oude vrienden en de familie evenwel te loor. Zijn
      jeugdvriend P. Bleeker schreef aan een bekende in het vaderland dat Douwes
      Dekker in Batavia nog de oude was met 'hetzelfde vurige wilde onbuigzame
      onbedwingbare karakter ... niet geschikt voor Indiƫ en nog minder voor de
      Europeanen in Indiƫ'. Douwes Dekker werd in 1840 verliefd op Caroline
      Versteegh en liet zich, ook voor haar, in augustus 1841 te Batavia katholiek dopen.
      Hij solliciteerde naar een plaats als controleur in Natal op de Westkust van
      Sumatra, een onlangs 'gepacificeerd' gebied. Hij werd daar geplaatst (1843) maar
      zag zich opnieuw, en nu officieel, afgewezen als schoonzoon. Wegens onzorgvuldig
      financieel beheer schorste de militaire resident generaal A.V. Michiels Douwes
      Dekker en dwong hem bijna een jaar zonder inkomsten in Padang te blijven. In
      1844 werd Douwes Dekker teruggeroepen naar Batavia. Hij kreeg enkele
      tijdelijke functies op Java en leerde daar zijn latere vrouw Everdina van Wijnbergen
      kennen, met wie hij in 1846 trouwde. In 1848 verleende het gouvernement hem
      met 150 anderen het 'radicaal', een examenbul die voor ambtenaren van het
      binnenlands bestuur verplicht was geworden nadat in 1843 voor hen een opleiding
      in Delft was ingesteld. Achtereenvolgens was Douwes Dekker commies te Bagelen
      (Java), secretaris te Menado (Noord Celebes) en assistent-resident te AmboĆÆna.
      Hoewel hij nog geen vijftien jaar in gouvernementsdienst was, en dus nog geen
      recht op Europees verlof had, vroeg hij dit toch aan in verband met de slechte
      gezondheidstoestand van zijn vrouw en hemzelf. Begin 1853 kwam het gezin terug
      in Nederland, bezocht alle familieleden en bezorgde opdrachten van vrienden.
      Douwes Dekker tracteerde Leidse studenten, Amsterdamse weeskinderen en oude
      vrouwtjes. Zonder succes bracht hij zelfbedachte goksystemen in praktijk in Bad
      Homburg en Spa. In Gorkum werd hij meestervrijmetselaar en in 1854 Prins van
      het Rozenkruis, een vrijmetselaarsgraad. Het geld dat hij voor het verlof had
      uitgetrokken, was vroegtijdig op. Beladen met een indrukwekkende last van
      schulden, onder meer bij het ministerie van Koloniƫn, keerde hij met vrouw en
      zoontje naar Indiƫ terug. Zij kwamen daar in september 1855 aan.
      Gouverneur-Generaal A.J. Duymaer van Twist plaatste Douwes Dekker als
      assistent-resident op West-Java, te Bantam in het district Lebak met als hoofdstad
      Rangkas-Bitoeng. Zijn verhouding daar - officieel naast, maar eigenlijk boven de
      oude, eerbiedwaardige arme regent die veel familieleden te onderhouden had, was
      niet gemakkelijk. Douwes Dekker ontdekte dat er sprake was van corruptie,
      knevelarij en misbruik van de zijde van de inlandse hoofden ten koste van een
      verarmde bevolking die zijn woonplaats in Lebak zoveel mogelijk ontvluchtte,
      meestal wegens hongersnood. Vanaf januari 1856 bestudeerde hij de interne
      dienstrapporten dat van de latere Gouverneur-Generaal J.J. Hasselman met gelijke
      kritiek kreeg hij niet onder ogen en stelde ten slotte schorsing van de regent door
      de resident voor. Toen in plaats daarvan de Gouverneur-Generaal hemzelf berispte
      en overplaatste, vroeg hij ontslag. Dit werd hem op 4 april 1856 verleend.

      Douwes Dekker probeerde eerst in Indiƫ aan de slag te komen maar dit liep tegen.
      Hierna keerde hij in april 1857 alleen naar Europa terug. Hij trok via de weg van
      de landmail en bereisde vanuit Egypte Frankrijk en Duitsland. Toen de nood hoog
      was - zijn vrouw en twee kinderen hadden zich in Belgiƫ bij hem gevoegd - schreef
      hij najaar 1859 in zeer korte tijd in Brussel zijn Max Havelaar of de
      Koffieveilingen van de Nederlandsche Handelmaatschappij. Dankzij
      bemiddeling van zijn broer Jan en de literator Jacob van Lennep verscheen het
      boek in mei 1860. Het deed, zoals dominee W.R. van Hoƫvell - zelf een criticus
      van het cultuurstelsel in Indiƫ - in de Tweede Kamer opmerkte, een 'zekere rilling'
      door het land gaan, al gold dat slechts voor een culturele elite. Het boek was een
      sleutelroman met binnen een raamvertelling een roman en verschillende verhalen,
      zoals over Saidjah en Adinda. Van Lennep had het boek onherkenbaar gemaakt
      door het schrappen van aardrijkskundige namen en jaartallen met de bedoeling dit
      het karakter van een fictieve roman te geven. Het boek bleef echter een aanklacht
      wegens de mishandeling van de Javanen. Het slotwoord noemde Nederland een
      'roof-staat aan de zee tusschen Oost-Friesland en de Schelde'. Mocht zijn protest
      niet helpen, dan zou Douwes Dekker het boek vertalen in de in Indiƫ gangbare
      talen en zijn 'klewangwettende krijgszangen slingeren in de gemoederen van de
      arme martelaren wien ik hulp heb toegezegd'. 'Redding en hulp, op wettelyken weg,
      waar het kan ... op wettigen weg van geweld, waar het moet', hetgeen zeer
      nadelig voor de koffieveilingen van de Nederlandsche Handelmaatschappij zou zijn.
      Aan het slot deed hij een beroep op koning Willem III, 'Keizer van het prachtig ryk
      van Insulinde dat zich daar slingert om den evenaar, als een gordel van smaragd',
      maar waar de 'Havelaars worden bespat door den modder van Slymeringen en
      Droogstoppels' en waar 'meer dan dertig millioenen onderdanen worden
      mishandeld en uitgezogen in Uwen naam'. Behalve een kritiek op het cultuurstelsel
      was de Max Havelaar een aanklacht tegen de handeldrijvende Hollanders, in
      Dekkers ogen vooral een duf en bekrompen, zelfgenoegzaam en op winst belust
      volkje dat hij verpersoonlijkte in de makelaar in koffie Batavus Droogstoppel. Net
      als andere door Douwes Dekker bedachte termen en namen zou Droogstoppel een
      scheldwoord voor bepaalde Nederlanders worden. Het boek maakte diepe indruk
      maar meer in literair opzicht dan als politiek pamflet. Door manipulatie van de
      uitgever verloor Douwes Dekker het auteursrecht. Pas toen zijn latere uitgever G.L.
      Funke in 1874 het auteursrecht had weten te kopen, kon Douwes Dekker in de
      vierde druk (1875) veranderingen aanbrengen. Zijn visie op de gebeurtenissen zette
      hij in 1858 ook uiteen in een brief aan Duymaer van Twist. Deze antwoordde
      echter niet. De brief werd gepubliceerd als Brief aan den gouverneur-generaal in
      ruste (eerst in 1860 afgedrukt in De Tijdspiegel, daarna apart uitgegeven: Arnhem
      1860). Verdere gegevens verwerkte Douwes Dekker in de Minnebrieven
      (Amsterdam 1861). In de jaren na 1860 hoopte hij op eerherstel door toekenning
      van zijn pensioenrechten en verlening van een hoge positie bij het binnenlands
      bestuur. Dit gebeurde niet (zijn contact met koningin Sophie betrof haar interesse in
      zijn schrijverschap). Wel verhoogde de Nederlandse regering de betaling van de
      inheemse hoofden. Om zijn visie op Indiƫ te kunnen uiten probeerde Multatuli,
      zoals Van Hoƫvell, in de Tweede Kamer te komen. Hij schreef daartoe een
      pamflet, maar noch de kiezers van Tiel noch van Amsterdam of Leeuwarden
      stemden in 1860 en 1862 op hem. Anders dan 'jonge' liberalen als I.D. Fransen
      van de Putte wees hij 'vrije arbeid' als oplossing van de problemen in Indiƫ af. In
      twee brochures over vrije arbeid (Over vrije arbeid in Nederlandsch-Indiƫ en de
      tegenwoordige koloniale agitatie, Amsterdam 1862, en Nog eens: vrije arbeid
      in Nederlandsch-Indiƫ, Delft 1870) betoogde hij dat een betere toepassing van
      het cultuurstelsel de gedwongen aanplant van koffie, suiker, peper, indigo en andere
      produkten voor het gouvernement te verkiezen was boven de openstelling van Java
      voor Vrije arbeid, dat wil zeggen voor de geldzuchtige liberale ondernemers met als
      gevolg een nog grovere uitbuiting. Na 1870 kwamen de 'jonge' liberalen op
      leidinggevende posten en bouwden het cultuurstelsel af. Douwes Dekker was
      somber gestemd over deze toekomst. Hij voorzag volksopstanden die de
      Nederlanders uit Indiƫ zouden verjagen en vreesde voor chaos en Amerikaanse
      flibustiers (zeeschuimers). Als enige uitweg zag hij een gedisciplineerd leger met
      ijzeren tucht onder een dictator. Op deze oproep reageerden alleen enkele meisjes,
      zodat Douwes Dekker meende dat het een legioen vrouwen moest worden. Tot dit
      leger van goedwillenden rekende hij ook de FranƧaise EugƩnie en de Duitse Ottilie
      Coss. Met zijn nichtje Sietske Abrahamsz, dochter van zijn overleden oudere
      zuster, had Douwes Dekker in 1861 een hartstochtelijke relatie. Zij zou, naar
      Sumatraans opvolgingsrecht, als zusterskind hertogin van Sumatra worden en een
      van de eerste vrouwelijke leden van de Amsterdamse vrijdenkersvereniging De
      Dageraad zijn. Andere vrouwen die onder zijn betovering kwamen, waren de
      domineesdochter uit Bloemendaal Charlotta de Graaff en Mimi Hamminck
      Schepel, met wie hij later zou samenwonen en trouwen. De Graaff leende hem geld
      van haar moederlijk erfdeel en logeerde een tijdlang in Brussel bij Dekkers vrouw.
      Ook Marie Anderson, die tot zijn vertrouwde vriendinnen behoorde en af en toe
      onder het pseudoniem dr Alex. Dondorp in De Dageraad schreef, hoorde bij het
      legioen. Waarschijnlijk beheerste deze droom Douwes Dekker in het begin van de
      jaren zestig, maar was zij ook later nog steeds aanwezig. Dergelijke nauwe
      persoonlijke betrekkingen droegen bij tot de emancipatie van deze meisjes, een
      loskomen van thuis en het werken voor een examen, bij voorbeeld van
      onderwijzeres. ThugatĆØr (= dochter) in de achtste geschiedenis van gezag in de
      Minnebrieven uit 1861 was een waarschuwend voorbeeld hoe een vrouw zonder
      ontwikkeling er door vaders en broers onder werd gehouden. Hier propageerde
      Dekker de emancipatie van vrouwen, te bereiken door ontwikkeling. In het
      algemeen had hij bijzonder veel charme voor vrouwen. De omgang was des te
      aantrekkelijker omdat het ontmoeten vaak in het geheim moest gaan en vaders
      bezwaar tegen de omgang maakten. Zelden echter werden de persoonlijke banden
      lang aangehouden. Voor velen was de invloed van Dekker te dwingend en
      overheersend. Latere trouwe vriendinnen waren Titia van der Tuuk, de manke
      onderwijzeres uit Lochem die openlijk zou schrijven dat zij vrijdenker was
      geworden, en de musicienne Marie Berdenis van Berlekom. Als een meteoor
      kwam ook Mina KrĆ¼seman in zijn leven. Zij rustte niet voordat zij (in 1875) zijn
      toneelstuk Vorstenschool met zichzelf als koningin Louise in de hoofdrol had
      gespeeld.

      Een andere kring waar Douwes Dekker veel aanhang kreeg, bestond uit
      vrijdenkers. Hij leerde de leden van de vereniging De Dageraad in Amsterdam
      kennen door bemiddeling van de voorzitter, de boekhandelaar en uitgever R.C.
      d'Ablaing van Giessenburg. Deze gaf later van hem de Ideƫn I en II (1862 - 1863)
      op fraaie wijze uit. Bij de boekhandelaar F.C. GĆ¼nst kon Douwes Dekker naar
      interessante boeken snuffelen. Waarschijnlijk lichtte deze hem als redacteur van het
      blad De Dageraad in over wie er achter alle pseudoniemen schuil gingen (door
      Dekker met lof in de IdeĆ«n 126 en 482 genoemd). GĆ¼nst publiceerde de
      Minnebrieven toen Douwes Dekker hiervoor geen uitgever kon vinden. In 1859
      was van Dekker in De Dageraad zijn 'Geloofsbelijdenis' verschenen, ook wel
      'Lijstermannetje' genoemd. In 1861 verscheen in hetzelfde blad zijn beroemde
      'Gebed van den Onwetende', dat eindigde met de woorden 'O God, er is geen
      God!'. De ontwikkeling van Douwes Dekker van gelovige jongen tot atheĆÆst was
      zeer geleidelijk verlopen. Uit een brief van zijn jeugdvriend Abraham des Amorie
      van der Hoeven uit 1846 blijkt dat Dekker gelovig was, ook al was hij dat niet
      volgens doperse lijnen. Een brief van 24 februari 1851 aan A.C. KrĆ¼seman, een
      andere jeugdvriend, toont dat hij moeite had met het probleem van de volmaakte
      God en Christus. In 1851 ontkende Dekker christen te zijn en in 1855 schreef hij
      zijn vrouw aan de goede God te twijfelen. In zijn 'Geloofsbelijdenis' noemde hij het
      goed-doen-aan-anderen het belangrijkste en in zijn Ideƫn, zoals in het verhaal over
      de wezen in Elberfeld en over de godsdiensttwisten in de vijftigste eeuw, bestreed
      hij de 'goddienerij' geestig en dodelijk. Volgens O. Noordenbos was Douwes
      Dekker meer gevoelsmatig dan rationeel tot atheĆÆst geworden. Met enkele
      vrijdenkers maakte Douwes Dekker persoonlijk kennis, zoals met dr. J. van Vloten
      en zijn gezin en met F. Feringa (Muricatus), die Democratie en Wetenschap
      publiceerde. Als personen vielen zij hem ten slotte tegen. Hij vond hen grof.
      Douwes Dekker werd erelid van De Dageraad, kreeg geschenken en zijn buste
      sierde vergaderingen van de vereniging op. Voor de leden hield hij in 1864 een
      reeks lezingen, gratis omdat zij niet rijk waren. In deze kring had hij de
      houtzaagmolenaarsknecht Klaas Ris leren kennen, even oud, doopsgezind en
      afkomstig uit Westzaan. In Idee 306 uit 1862 had hij al gedoeld op het conflict dat
      Ris had met de stad Amsterdam over een bluspremie. In Idee 451 verwerkte
      Douwes Dekker het gezinsbudget van Ris als illustratie van de nood onder de
      arbeiders. Hij deed dit in een vergelijkende beschouwing van de door P.G.F. le
      Play verzamelde buitenlandse budgetten. Aanknopend bij een brief uit januari 1864
      aan Jacques Hotz, directeur van de ijzerfabriek De Prins van Oranje in Den Haag,
      constateerde hij dat de toestand van de Nederlandse arbeiders in zedelijk,
      verstandelijk en stoffelijk opzicht slecht was. In Idee 452 ontwikkelde hij het
      denkbeeld van een 'vlees-partij' voor waarheid en recht. Zelf zou hij optreden als
      spreekbuis voor het volk. De slechte toestand van het volk schreef hij toe aan de
      staatsinstellingen en in het bijzonder aan het liberalisme van J.R. Thorbecke en zijn
      kieswet. Waarschijnlijk doelend op onethisch handelen en omkoperij sprak hij over
      'verrotting' in de staat. Na de kritiek op Thorbecke volgde die op de orthodoxe
      dominee Carl Schwartz en op moderne dominees als W. Muurling en J.C.
      Zaalberg. Douwes Dekker vergeleek hun preken met pasteigebakjes met
      slaapstroop of opium. Vooral de goddienerij leidde volgens hem tot berusting in de
      ellendige situatie van het volk. In Idee 482 noemde hij de vrijdenkers, internationaal
      en nationaal, de wegbereiders voor een betere tijd. De vriendschap met d'Ablaing
      van Giessenburg liep in 1866 ten einde, toen deze hem vroeg om een bijdrage aan
      zijn blad Omnibus, terwijl d'Ablaing weigerde Dekker te steunen in de uitgave van
      een eigen blad. Dat d'Ablaings vriendschap voor de familie Douwes Dekker
      bekoelde, hield ook verband met het feit dat deze lange tijd op diens kosten bij
      d'Ablaing op zolder woonde en dat zijn vrouw en een van de kinderen (het andere
      kind verbleef elders) er bleven wonen terwijl hij zelf in Duitsland was. Na een klap
      aan enkele bezoekers in een varietƩtheatertje in de Nes gegeven en de daarop
      gevolgde rechtszaak met als resultaat een boete en veertien dagen gevangenis, zag
      Dekker zich genoodzaakt buiten Nederland te verblijven (1866-1868). In een brief
      aan Ris van 13 februari 1867, waarvan onzeker is of Ris deze heeft ontvangen,
      reageerde Douwes Dekker op enkele brochures van Ris in verband met diens
      opvattingen over arbeidersverenigingen, de toenmalige benaming voor
      arbeiders-coƶperaties. Hierin kwam de 'vlees-partij' niet meer voor. De werklieden
      moesten nu om hoger loon te krijgen, zichzelf ontwikkelen en zich meer
      kundigheden eigen maken. In dezelfde geest als eerder Dekkers raad voor
      ThugatĆØr zou Ris bij voorbeeld goed moeten leren spellen. Van coƶperaties voor
      de gezamenlijke inkoop van waren verwachtte Douwes Dekker weinig of geen heil.
      De werkgevers moesten concurrerend werken en waren daardoor niet vrij in het
      geven van loonsverhoging. Bovendien zou verhoging van loon maar tijdelijk helpen
      door de depreciatie van het geld. Douwes Dekker lijkt hier de 'ijzeren loonwet' van
      F. Lassalle aan te hangen. Ondanks deze afstandelijkheid ten opzichte van het
      arbeidersbelang koos hij wel partij wanneer hij meende dat er grof onrecht plaats
      had. Dit was het geval bij de onderwijzer Jacob de Vletter, die zich het lot van de
      armen aantrok en na een oproer in Rotterdam in 1868 tien jaar gevangenstraf had
      gekregen. Hoewel Dekkers sympathie in de binnenlandse politiek eerder lag bij
      conservatieven als J.J. Rochussen dan bij de liberalen, was hij toch wel zo bekend
      en gewaardeerd bij de arbeidersklasse dat, toen hij in Mainz honger leed, de
      bladen De Werkman (Amsterdam) namens het Internationaal Werklieden Verbond
      (de Eerste Internationale) en De Werker (Antwerpen) voor hem een
      inzamelingsactie begonnen. In Amsterdam ging dit uit van mensen als W. Ansing,
      H.G. Kalshoven, J.W. Wertwijn en J.E. Keller. De giften uit Belgiƫ overtroffen het
      Nederlandse bedrag in geld. Ook De Dageraad probeerde te helpen. Sinds 1865
      was H.H. Huisman voorzitter, een gewezen catechiseermeester die ook onder het
      pseudoniem Sentot publiceerde. Hij was voor Douwes Dekker een band met
      Nederland en hield hem op de hoogte van uitgekomen boeken en recensies.

      In verband met een heruitgave van zijn Ideƫn stelde Douwes Dekker bij de
      correctie van Idee nummer 451 in 1871 vast dat de inhoud ervan eigenlijk
      achterhaald was. Hoewel de toestand van de werklieden nog even ellendig was als
      destijds, drongen deze nu op verbetering aan. Hij hoopte nog eens 'loisir' te hebben
      om de sociale kwestie apart te behandelen, maar vreesde dat, anders dan in 1864,
      de tijd voor een 'onbloedige oplossing' voorbij was. In een brief aan zijn vriend
      S.E.W. Roorda van Eysinga van 28 januari 1872 over Idee 451 betreurde hij zelfs
      de arbeiderskwestie te hebben aangeroerd, 'daar ik nu inzie haar niet magtig te zijn.
      Ik weet niet'. Misschien las hij in deze tijd Das Kapital van Karl Marx, waarin hij
      echter naar eigen zeggen bleef steken. In 1873 probeerde de vrijdenker en Eerste
      Internationaleman E.Ph.H. van der Ven, bekend onder zijn pseudoniem Jac.
      Rademacher, Douwes Dekker opnieuw bij de beweging te betrekken. In 1872
      was het blad De Toekomst, Orgaan der democratie in Nederland ten onder
      gegaan. Als opvolger stichtte Van der Ven in augustus van dat jaar Het Vrije Volk,
      dat hij tot het enige arbeidersorgaan wilde maken met als ondertitel 'orgaan der
      democratie in Noord- en Zuid-Nederland'. Om dit en andere problemen te
      bespreken organiseerde Van der Ven, naar een idee van Cycloop (= Ansing), het
      Derde Nederlandsche Werklieden-Congres te Amsterdam op 1 en 2 juni 1873.
      Naar Douwes Dekker stuurde hij het nummer met de oproep voor het congres en
      nodigde hem ook persoonlijk uit dit bij te wonen. Het negatieve antwoord in een
      brief van 29 mei 1873 was niet mals. Douwes Dekker verweet de democraten dat
      zij hem in de kou hadden laten staan en niet tegen de 'behouders' gesteund hadden.
      Uit de brief sprak teleurstelling over het gebrek aan weerklank en het doodzwijgen
      van de 'verrotting' in de Nederlandse staat. Bovendien had hij een afkeer van
      vergaderingen, debatten en 'parlementarij'. Het volk was door frazen bedorven en
      zou door frazen niet genezen worden. 'Ik kan nog beter met 'n redevoerende
      minister overweg, dan met 'n werkman die aan 't raisonneeren slaat, zegge:
      dƩraisonneeren gewoonlijk.' Ook de opvattingen over vrijheid onder democraten
      en republikeinen deelde hij niet. Ervan uitgaande dat het stichten van een republiek
      een programmapunt van de democraten was, maande hij tot discipline en tucht en
      raadde de minderbegaafden en arbeiders aan, tijdelijk afstand te doen van alle
      vrijheid en onvoorwaardelijk te buigen voor dictatuur. Anderen moesten de macht
      uitoefenen. Mocht men hem in die strijd nodig hebben, dan kon hij geen andere
      betrekking dan die van dictator aannemen. Na de uitvoering zou hij zich weer
      terugtrekken, want 'eerzucht in gewonen zin, heb ik niet. Daartoe ben ik te misselijk
      van de wereld, van de zoogenaamde democratische niet minder dan van de eerste'.
      Voor deze vergaande opvattingen verwees hij naar zijn Millioenen-Studiƫn
      (1873), Vorstenschool en zijn brochure Een en ander over Pruisen en
      Nederland (Amsterdam 1867). De laatste had hij geschreven na de overwinningen
      van Pruisen als reactie op een brochure van professor J. Bosscha. Deze probeerde
      de Nederlanders die angst voor verovering door Pruisen hadden gekregen, gerust
      te stellen. Dekker toonde aan dat dit niet anders dan frazen waren. Hij verwachtte
      binnen afzienbare tijd de verovering van Nederland door Pruisen. Niet alleen
      deugde de defensie niet, ook de geestkracht ontbrak, zeker bij het volk dat er
      slecht aan toe was. Douwes Dekker wees dus de oppositie uit vroeger jaren, de
      'volksmannen' of 'democraten' af, zoals in 1873 onder anderen jonkheer Mozes
      Salvador. Verrassender misschien nog was dat Dekker ook doelde op de laatste
      bladzijden van de Max Havelaar met de oproep tot het bevrijden van het schone
      Insulinde, een plan dat hij nog vĆ³Ć³r het einde van de eeuw wilde uitvoeren. Dat zou
      inhouden dat hij terug wilde naar Indiƫ, waar de al door hem voorspelde
      Atjehoorlog zich zou uitbreiden. Al hield Douwes Dekker afstand tot de
      arbeidersbeweging, enkele naaste vrienden of bewonderaars kwamen in aanraking
      met het socialisme of werden lid van de Sociaal-Democratische Bond, zoals H.C.
      Muller, D.R. Mansholt en F. Domela Nieuwenhuis. Tot de vele socialisten die
      Dekker zou beĆÆnvloeden, horen onder anderen V. Bruinsma, J.A. Nieuwenhuis,
      J.H.A. Schaper, Tj. Luitjes, B. Bymholt, P.J. Troelstra, K. ter Laan, J.P. Hommes
      en A.H. Gerhard. Ondanks zijn sympathie voor hun streven naar verbetering was
      Douwes Dekker geen socialist. Domela Nieuwenhuis, die hem in november 1884
      en zomer 1886 in Nieder-Ingelheim bezocht, noemde hij 'braaf' en 'een zeer
      beminnelijk mensch'. Maar hij vreesde dat Domela bekneld zou raken tussen
      bezitters en geestverwanten die allerlei wensen hadden: 'en wie zal dat betalen?' De
      middelen tot herstel die Domela voorsloeg, zo schreef hij aan C. Vosmaer, waren
      'gekkenwerk'. Zelf stond hij inkrimping van de bemoeiingen van staat en regering
      voor. Blijkbaar was hij toch bang voor inlijving door de socialisten na zijn dood of
      kreeg hij teveel vragen over zijn standpunt. In elk geval liet hij, na eerder in dezelfde
      geest aan de Groninger werklieden geschreven te hebben, een advertentie plaatsen
      in het Rotterdamsch Nieuwsblad en blijkens het facsimile bij Joan Nieuwenhuis
      ook in het Groninger Weekblad (20.11.1886, 2), geschreven te Nieder-Ingelheim
      en gedateerd 12 november 1886. Hierin verklaarde hij 'dat de meeningen der
      Sociaal-demokraten over de middelen ter verbetering van den treurigen toestand
      waarin 'n zeer groot gedeelte der bevolking van Europa verkeert, my voorkomen in
      hoofdzaak onjuist te zijn. Multatuli'.

      Om in het levensonderhoud van zijn gezin en zichzelf te voorzien schreef Douwes
      Dekker feuilletons en columns voor verschillende bladen. Hiertoe horen zijn
      'Japansche gesprekken' voor het Nieuw Amsterdamsch Handels- en
      Effectenblad in 1862, de rubriek 'Van den Rijn' in de Opregte Haarlemsche
      Courant (1866 1869) verkregen dank zij voorspraak van C. Busken Huet, waarin
      Dekker zijn eigen commentaar gaf met behulp van aanhalingen uit de (niet
      bestaande) 'Mainzer Beobachter' of 'een Mainzer blad' 'Causeriƫn' in De
      Locomotief uit Semarang (1869), 'Millioenen-Studiƫn' in het liberale dagblad Het
      Noorden (1870) - die hij moest afbreken omdat de lezers die volgens de redactie
      niet begrepen en ten slotte 'Divagatiƫn' in het blad Nederland (1870) over een
      zeker soort van liberalisme. Nadat zijn gevangenisstraf hem was kwijtgescholden,
      ging hij in 1868 op tournee in het land om met spreekbeurten wat te verdienen. Zijn
      persoonlijk leven verliep vrij chaotisch. Na 1866 woonde hij grotendeels
      gescheiden van vrouw en kinderen in de Rijnstreek, meestal samen met Mimi
      Hamminck Schepel. Zij leden honger en armoede, nadat hij haar erfenis had
      verspeeld. Een mariage Ć” trois in Den Haag mislukte (1869-1870). Voor en na
      1866 probeerde Douwes Dekker vrouw en kinderen te steunen in Brussel, Den
      Haag en na 1870 in Italiƫ. Na 1870 ging Douwes Dekker met Hamminck Schepel
      in Wiesbaden wonen. Literair Nederland was in deze tijd eerder bereid zijn vrouw
      en kinderen in Italiƫ te steunen dan hemzelf. Zijn werk was tamelijk uitzonderlijk en
      zijn uitgevers, eerst d'Ablaing van Giessenburg, later Chr. van Helden, die in 1871
      failliet ging, en J. Waltman jr. in Delft waren niet kapitaalkrachtig genoeg om hem
      enigszins geregeld voor geleverde kopy te betalen. Er kwam langzamerhand echter
      verbetering in zijn persoonlijke omstandigheden. De uitgever, boekverkoper en
      oprichter van het Nieuws van den Dag (1870 -1923) G.L. Funke kocht in 1869
      van d'Ablaing ondershands het copyright van de werken van Multatuli, met
      uitzondering van de Max Havelaar. Om zijn onkosten er uit te krijgen bracht hij al
      in 1870 een herdruk van de Ideƫn I en II. Daarna stelde hij zich met Douwes
      Dekker in verbinding, bracht nieuwe, van aantekeningen voorziene bundels Ideƫn
      op de markt en trof voor Dekker gunstige regelingen door hem te laten meewerken
      aan het correctiewerk van nieuwe uitgaven. Douwes Dekker noemde de Ideƫn 'de
      Times van mijn ziel' en publiceerde daarin, eigenlijk tegen de zin van Funke, ook
      werken als Vrije Studie (in III) en Vorstenschool (in IV). Bijzonder geliefd bij de
      lezers raakte het verhaal van Woutertje Pieterse, dat door alle delen heen is
      gevlochten. De analyse van Amsterdamse geledingen in Idee 381 geeft een knappe
      plaatsbepaling van de familie Pieterse in het sociale leven van die tijd. Ondanks
      gebruik van eigen ervaringen is dit zeker geen autobiografie. Zijn moeder leek
      allerminst op Juffrouw Pieterse. De laatste tien jaar van zijn leven hield Douwes
      Dekker zich vooral bezig met noten en verbeteringen in herdrukken van al
      gepubliceerd eigen werk. De kritiek van J. van Vloten in 1875 in Onze Tolk en als
      boek, die Douwes Dekker onder meer 'onwaarheid', 'zelfverheerlijking',
      'zelfvertroeteling', onzuiver Nederlands en te veel vreemde woorden verweet, lijkt
      een minder grote rol te spelen in het gebrek aan inspiratie dan wel gedacht is.
      Eerder zal teleurstelling over de geringe invloed van zijn werk hem verhinderd
      hebben te schrijven, overtuigd als hij was van het zinloze hiervan omdat het de stem
      van een roepende in de woestijn was. In zijn laatste jaren belemmerde bovendien
      een vermoeidheid hem bij het schrijven. Om zijn inkomsten aan te vullen maakte hij
      na de opvoering van Vorstenschool in 1875 en in de jaren 1877 1881 grote reizen
      door Nederland, waar hij soms elke avond optrad om te spreken. Hij sprak
      gemakkelijk, soms welsprekend een hele avond lang. Voor de organisatie zorgden
      de leden van de toneeldirectie van Legras, Haspels en W. van Zuylen. Om hem te
      steunen organiseerden vrienden of bewonderaars inzamelingsacties, zoals in 1866,
      1868-1872, 1878-1882 (Tandem, door Dekker zelf opgezet) en in 1882 het
      Huldeblijk, bedoeld om hem een jaarlijks pensioen te bezorgen. Eigenlijk viel de
      opbrengst hem altijd tegen. Soms ook wilden de gevers / commissieleden hem aan
      banden leggen omdat zijn faam in de eigentijdse roddel niet best was. In 1881
      stelde bewonderaar J. ZĆ¼rcher hem in staat in Nieder-Ingelheim een eigen huis te
      kopen.

      Douwes Dekker was een slanke, beweeglijke man, niet groot (ongeveer een meter
      vijfenzestig) die zorgvuldig gekleed ging. Hij had asblond haar en een getekend
      gezicht met zeer lichte blauwe ogen. Hij was nogal wisselend van stemming en
      overgevoelig op het neurotische af. Zijn liefhebberijen waren vliegeren, timmeren,
      correspondentie-schaken en wiskundige vraagstukken oplossen. Hij schreef in een
      betoverende stijl met humor en sarcasme, met onverwachte sprongen en
      uitweidingen, al naar gelang van zijn gedachtenassociaties. Charmant en geestig was
      hij ook in de omgang met vertrouwden. Velen hielden hem voor excentriek en een
      beetje gek, waarschijnlijk door zijn spontane goedgeefsheid aan mensen die in
      moeilijkheden verkeerden. Hij ging sterk op zijn indrukken, gevoelens en intuĆÆtie af.
      Nervositeit en lichtgeraaktheid maakten hem voor correspondenten die hem voor
      het eerst ontmoetten, soms moeilijk te begrijpen. Douwes Dekker leed in de latere
      jaren van zijn leven aan astma en is daaraan overleden. Hij was de eerste
      Nederlander die zich liet cremeren, in een tijd dat dit in Nederland nog onmogelijk
      was. Bij de crematie in Gotha waren uit Nederland aanwezig: ZĆ¼rcher, Willem
      Paap, de broer van Mimi Hamminck Schepel, F.M. Wibaut met zijn vriend uit
      Middelburg C.M. Ghijsen en mevrouw G.C. de Haas-Hanau uit Rotterdam.
      Hamminck Schepel werd begeleid door N. Braunius Oeberius, een oude vriend
      van haar en haar man. De invloed van Douwes Dekker laat zich niet makkelijk
      meten. Jonge mensen in opleiding zoals studenten, onderwijzers en leraren, wellicht
      ook aankomende theologen verloren door hem hun 'geloof'. Velen ondergingen het
      horen en lezen van zijn werk als bevrijdend. Schrijvers vroegen hem om raad, zoals
      Frederik van Eeden en Willem Paap, die hij aanraadde goed te studeren. Franc van
      der Goes, die zijn invloed onderging, noemde hem in aanleg een Nederlandse
      Lassalle. Hij zou vrijwel alle Multatuli-herdenkingen bijwonen, ondanks het feit dat
      hij net als Henriette Roland Holst - die in navolging van Van der Goes Multatuli de
      geestelijke vader van de Nederlandse anarchisten noemde - uiteindelijk een adept
      van de sociaal-democratie werd, hetgeen naast waardering een scherpe afwijzing
      van Multatuli's ideeƫn meebracht. Domela Nieuwenhuis op zijn beurt vond het lezen
      van Multatuli eigenlijk ongeschikt voor de Nederlandse arbeiders die nog maar
      nauwelijks waren ontwaakt. De structuur van zijn werk en de vele vreemde
      woorden maakten dat hij voor arbeiders moeilijk te begrijpen was. Behalve bij
      onderwijzers was de invloed van Multatuli - meer dan bij de sociaal-democratische
      arbeiders merkbaar bij de anarchistische en syndicalistische arbeiders. Deze
      immers waren het die de herdenkingen van Douwes Dekker bijwoonden of
      organiseerden, of hun vergaderingen besloten met het citeren van passages uit de
      Vorstenschool. De sociaal-democratische bijeenkomsten werden besloten door
      het zingen van een toepasselijk lied of het declameren van dichtregels van Roland
      Holst. Douwes Dekker inspireerde telkens weer nieuwe generaties. Ed. du Perron
      die vanuit zijn Indische achtergrond in hem geĆÆnteresseerd raakte, schreef enige
      boeken gebaseerd op archiefonderzoek in het toenmalige Batavia. In diens gevecht
      met de Kappelmannen en Droogstoppels herkende hij zijn eigen strijd tegen Jan
      Lubbes. Na de Tweede Wereldoorlog pakten de letterkundige Garmt Stuiveling en
      de uitgever Geert van Oorschot Du Perrons plan om te komen tot een volledige
      uitgave van de werken van Douwes Dekker op. Samen brachten zij deze uitgave
      een heel eind op streek maar beleefden niet meer de voltooiing ervan. De
      Nederlandse overheid zag hierbij van subsidie af, alleen de Belgische overheid en
      de stad Amsterdam waren hiertoe bereid. Van Oorschot was ook de drijvende
      kracht achter het plaatsen van een door H. Bayens gemaakt borstbeeld op de
      Torensluis in Amsterdam. Op de Noordermarkt staat bovendien sinds 1971 een
      beeldje van Woutertje Pieterse en Femke, gemaakt door Frits Sieger. De
      Multatulianen vormen een heterogeen gezelschap, Ć©Ć©n in bewondering voor deze
      uitzonderlijke schrijver. Zij zorgden en zorgen voor zijn nalatenschap, sinds 1910 in
      de Vereeniging 'Het Multatuli-Museum', sinds 1946 in het Multatuli-genootschap.
      Het Multatuli-Museum is gevestigd in het geboortehuis van Douwes Dekker in
      Amsterdam (Korsjespoortsteeg 20). Vanaf 1978 verschijnt bij uitgeverij Huis aan
      de Drie Grachten het tijdschrift Over Multatuli, dat twee keer per jaar verschijnt
      en in zekere zin de opvolger is van de Geschriften van het
      Multatuli-genootschap (1953 - 1977).


Home Page |  What's New |  Most Wanted |  Surnames |  Photos |  Histories |  Documents |  Cemeteries |  Places |  Dates |  Reports |  Sources