Ernest François Eugène Douwes Dekker

Ernest François Eugène Douwes Dekker

Male 1879 - 1950  (70 years)    Has 4 ancestors but no descendants in this family tree.

Personal Information    |    Media    |    Notes    |    Event Map    |    All

  • Name Ernest François Eugène Douwes Dekker 
    Relationshipwith Francis Fox
    Born 8 Oct 1879  Java Find all individuals with events at this location 
    Gender Male 
    Died 8 Aug 1950  Bandoeng, Java, Indonesia Find all individuals with events at this location 
    Person ID I479086  Geneagraphie
    Last Modified 21 Feb 2007 

    Father Auguste Henri Edouard Douwes Dekker,   d. Yes, date unknown 
    Mother Louisa Margaretha Neumann,   d. Jul 1899 
    Siblings 3 siblings 
    Family ID F199580  Group Sheet  |  Family Chart

    Family 1 Clara Charlotte Deije,   b. 1885,   d. 1968  (Age 83 years) 
    Married 11 May 1903 
    Divorced 7 Jul 1920 
    Last Modified 2 Dec 2004 
    Family ID F199582  Group Sheet  |  Family Chart

    Family 2 Johanna Petronella Mossel,   d. Yes, date unknown 
    Married 22 Sep 1926 
    Divorced 21 Jun 1947 
    Last Modified 2 Dec 2004 
    Family ID F199583  Group Sheet  |  Family Chart

  • Event Map Click to display
    Link to Google MapsDied - 8 Aug 1950 - Bandoeng, Java, Indonesia Link to Google Earth
     = Link to Google Earth 
    Pin Legend  : Address       : Location       : City/Town       : County/Shire       : State/Province       : Country       : Not Set

  • Photos
    479086.jpg
    479086.jpg

  • Notes 
    • Deze achterneef van Multatuli, geboren in Pasaroean (Oost-Java), heeft een zeer actief politiek leven geleid. Zijn eigen mening was maatstaf, ook al botste die voortdurend met de hoogste autoriteiten.
      In 1900 gaat hij als vrijwilliger naar Zuid-Afrika om met de Boeren tegen de Engelsen te vechten. Als krijgsgevangene verblijft hij op Ceylon. In (waarschijnlijk) 1902 is Douwes Dekker terug in Nederlands-Indië.
      Vanaf 1907 is hij werkzaam voor het "Bataviaasch Nieuwsblad". Als Indo-Europeaan voelde hij zich hier thuis
      Ook in 1907 leert hij Soetomo kennen, de medeoprichter van Boedi Oetomo.
      Via z'n roman 'Siman den Javaan' (uit voorzorg in Nederland uitgegeven!) stelde hij wantoestanden op bepaalde particuliere ondernemingen aan de kaak. Na vragen in de Tweede Kamer leidde dit in 1910 tot aankoop door de Staat der Nederlanden van de betreffende particuliere gronden.
      In 1910 richtte hij met anderen de Indische Universiteitsvereniging op om te komen tot een universiteit in Nederlands-Indië. Pas in 1920 zou de Technisch Hogeschool in Bandoeng er komen.
      In 1910 gaat Douwes Dekker naar Europa, waar hij sprak met mensen die een kritische houding hadden t.o.v. de koloniën; tevens bezocht hij de universiteit in Algiers i.v.m. bovengenoemde vereniging. In 1911 weer terug op Java, vestigde hij zich in Bandoeng.
      In 1911 kwam hij met "Het Tijdschrift"; het hoofdthema was 'vrijheid in zelfstandigheid' en 'vrijheid tot arbeiden, scheppen en streven'. De schrijvers van artikelen kwamen uit vele landen.
      In 1912 richtte hij de radicale Indische Partij op die zich als doel stelde: een 'onafhankelijk volksbestaan': een nieuwe onafhankelijke staat, waarbij de grenzen van golden van Nederlands-Indië. Alle bevolkingsgroepen (ook Indische Nederlanders) moesten bij het bestuur worden betrokken, behalve totoks.
      In 1912 richtte hij het dagblad 'De Expres' op.
      In 1913 wil Gouverneur-generaal Idenburg de Indische Partij niet erkennen, vanwege het willen 'verbreken van de band met het moederland'. Hoewel de partij nu verboden is, worden de activiteiten voortgezet binnen de vereniging 'Insulinde'. Daarop moet Douwes Dekker, samen met Soewardi Soerjaningrat en Tjipto Mangoenkoesomo, als banneling naar Nederland. Meteen is hij actief met toespraken op SDAP-bijeenkomsten en het schrijven van artikelen en brochures.
      In 1914 begint hij een studie economie in Zwitserland, die hij bijna heeft afgemaakt. In Zwitserland en Berlijn heeft Douwes Dekker contacten met Indiase nationalisten.
      In 1916 kwam hij in verband hiermee terecht in Hongkong, waar hij door de Britten werd gearresteerd en naar Singapore overgebracht. Hij werd ter dood veroordeeld vanwege wapensmokkel voor het 'Nationaal Hindoe-Comité'. De uitvoering hiervan kon hij voorkomen door als getuige in San Francisco op te treden tegen genoemd comité. Terug in Singapore hoeft hij niet meer naar de gevangenis, maar moet aldaar wel blijven.
      In 1918 werd zijn verbanning officieel opgeheven en keerde hij terug naar Java. Via 'Insulinde' was hij opnieuw actief.
      In 1920 weer in de gevangenis, die hij in 1921 mocht verlaten.
      In 1923 wordt hij onderwijzer aan een particuliere MULO-school in Bandoeng. Hij maakt hier het Ksatrian Instituut van, gericht op westerse methoden en technieken ('het westen moest met westerse wapens worden bestreden'). Korte tijd heeft Soekarno er les gegeven.
      In 1937 wordt hij veroordeeld tot een boete van 300 gulden vanwege de pro-Japanse tendensen in een zelf geschreven schoolboek "Wereldgeschiedenis I, Oost-Azië". Bovendien werd zijn onderwijsbevoegdheid ingetrokken.
      Aanvang 1941 werd Douwes Dekker gearresteerd, mede vanwege het maken van economische rapporten voor Japanners.
      Januari 1942 werd hij met 145 anderen naar Suriname gebracht en daar gevangen gehouden.
      Juli 1946 vertrok de groep van nog 137 man naar Nederland, waar ze vrij waren, maar verplicht drie jaar in Nederland moesten blijven.
      December 1946 vertrekt hij illegaal (onder een andere naam) naar Indonesië, en komt uiteindelijk terecht in Djokjakarta, in de nabije omgeving van Soekarno.
      Mei 1947 wordt Douwes Dekker door Soekarno benoemd tot minister van Staat, zonder portefeuille, in 't derde kabinet Sjahrir. Verder is hij persoonlijk adviseur van Soekarno.
      Juli 1947 neemt hij ontslag (evenals Sjahrir): beiden zien nog wel ruimte na de ultimatieve nota van de Nederlandse regering na de ondertekening van het Linggadjati-akkoord, de rest van het Republikeinse kabinet niet.
      Aanvang 1948 werd hij adviseur van de Republikeinse commissie voor economie en financiën.
      December 1948 wordt hij tijdens de Tweede Politionele actie in Djokjakarta gearresteerd en naar Batavia gebracht.
      Februari 1949 weer in vrijheid gesteld.
      Oktober 1949 door Soekarno onderscheiden met de eerste Orde van Nationale Verdienste van de Republiek Indonesië.
      *********************************
      journalist, publicist en politiek activist
      Ernest - 'Nes' voor zijn vrienden - Douwes Dekker werd geboren als het derde kind en oudste zoon van Jan Douwes Dekker, de broer van de schrijver Multatuli. De omgeving
      waarin hij opgroeide, zijn Indo-Europese achtergrond en vooral zijn moeder van Duits-Javaanse afkomst waren voor zijn ontwikkeling belangrijker dan de geschriften van zijn
      beroemde oom. Max Havelaar (1860) en andere werken van Multatuli zou hij pas op latere leeftijd lezen.

      Na de lagere school in Pasoeroean te hebben doorlopen, ging Douwes Dekker naar de HBS, aanvankelijk in Soerabaja en later in Batavia. In 1897 behaalde hij zijn diploma,
      waarna hij naar Oost-Java terugkeerde om er in de buurt van Malang als opzichter op de koffieplantage 'Soember Doeren' te gaan werken. Hier trok hij zich het lot aan van de
      inheemse werknemers, wat hem in conflict bracht met de bedrijfsleiding. Spoedig vertrok hij daarom naar de suikerfabriek 'Padjarakan' bij Kraksaän op Oost-Java, waar hij
      werkzaam was als laborant. Ook hier protesteerde hij tegen vermeend onrecht. Zo stelde hij de malversaties bij de waterverdeling tussen de suikerfabriek en inheemse
      rijstboeren aan de kaak, waarbij hij het koloniale bestuur, dat dit gedoogde, niet spaarde. Het kostte hem uiteindelijk opnieuw zijn baan.

      Werkloos en door het overlijden van zijn moeder, in juli 1899, enigszins uit zijn evenwicht gebracht, besloot Douwes Dekker, na het uitbreken van de Boerenoorlog, als
      vrijwilliger naar Zuid-Afrika te gaan om er tegen de Britten te strijden. In mei 1900 zwoer hij in Pretoria de eed van trouw aan de Zuid-Afrikaanse Republiek Transvaal. Hij
      werd daarmee formeel staatsburger van deze staat. In juli van dat jaar werd Douwes Dekker door de Britten gevangengenomen en overgebracht naar een interneringskamp op
      Ceylon.

      Douwes Dekker deed van zijn belevenissen in Zuid-Afrika en op Ceylon verslag in verschillende brieven, die werden gepubliceerd in Het Nieuws van den Dag en het Bataviaasch Nieuwsblad. Multatuli's
      achterneef bleek een vlotte journalistieke pen te bezitten en besloot daarom na zijn vrijlating en terugkeer op Java in 1903 zijn geluk te beproeven bij de Semarangse courant De Locomotief om uiteindelijk
      vanaf juni 1907 carrière te maken bij het Bataviaasch Nieuwsblad . Ondertussen ontwikkelden zijn politieke standpunten zich in de richting van een radicaal antikolonialisme, dat ten dele zijn oorzaak vond in
      de achterstelling van de Indo-Europeanen door de 'volbloed' Nederlanders. Belangrijk waren tevens zijn contacten met Indische studenten van de School tot Opleiding van Indische Artsen te Batavia, die door
      de nog jeugdige journalist werden geïnspireerd en die op hun beurt Douwes Dekker inspireerden. Zijn huis werd voor de studenten een clubhuis, leeszaal en bibliotheek tegelijk. In enkele artikelen, die onder de
      titel 'Hoe kan Holland het spoedigst zijn koloniën verliezen?' in mei 1908 in de Nieuwe Arnhemsche Courant verschenen, verkondigde hij dat, hoe ruimhartig de ethische politiek ook zou worden uitgevoerd,
      Nederlands-Indië onherroepelijk afstevende op politieke chaos indien het niet spoedig volledig zelfbestuur zou worden verleend.

      Douwes Dekker was zich intussen bewust geworden van het werk en het belang van Multatuli. Eveneens in 1908 probeerde hij nadrukkelijk in diens voetsporen te treden door de publicatie van Het boek van
      Siman den Javaan . Een roman van rijst, dividend en menschelijkheid , waarin verslag wordt gedaan van allerlei misstanden op de particuliere landerijen in West-Java. Het boek eindigde met een heus
      'J'accuse!' waarin het Nederlandse volk ervan werd beschuldigd de Javaan te mishandelen. De literaire waarde van het boek was geringer dan het belang van de politieke boodschap.

      In 1909 maakte Douwes Dekker samen met zijn Duitse echtgenote Clara een studiereis naar Europa, dat voor hem de bakermat was van het onderdrukkende kolonialisme en de thuisbasis van de door hem
      steeds meer gehate totoks. Van zijn belevenissen deed hij verslag in 'Brieven van een barbaar uit de beschaafde wereld', die in 1910 in het tijdschrift Jong-Indië verschenen. 'Mijn pen gruwt ervan', zo schreef
      hij, 'dat in mij een ontzettenden twijfel heeft doen geboren worden of deze westersche beschaving wel de beschaving is, die wij noodig hebben' (Jong Indië 3 (1910/11) 42). Na zijn terugkeer in Indië richtte
      Douwes Dekker in 1911 Het Tijdschrift op, een veertiendaags periodiek waarin hij - zonder veel resultaat - probeerde intellectuelen van zijn ideeën te overtuigen. In maart 1912 richtte hij met meer succes het
      dagblad De Expres op.

      In de strijd tegen de koloniale heerschappij vestigde Douwes Dekker zijn hoop vooral op de Indo-Europeanen, die hij in één politieke beweging wilde samenbrengen. Bestaande bewegingen als Boedi Oetomo,
      de Indische Bond en de Vereeniging Insulinde achtte hij hiertoe niet radicaal genoeg. Vandaar dat hij op 6 september 1912 een nieuwe en - naar hij hoopte - politiek actievere organisatie oprichtte: de Indische
      Partij. Zij werd daarmee de eerste Indonesische politieke beweging die openlijk naar onafhankelijkheid van Nederland streefde. Douwes Dekker hoopte alle 'beheerschten' in Indië, van welke achtergrond of
      herkomst dan ook, voor zijn partij te winnen en reisde hiertoe over geheel Java. Met zijn activiteiten bereikte hij echter vrijwel uitsluitend Indo-Europeanen die zich door de 'volbloed'-Nederlanders
      gediscrimineerd voelden. In maart 1913 claimde de partij ongeveer 7000 leden te hebben, onder wie circa 5500 Indo-Europeanen en 1500 Indonesiërs. De Indische Partij zou overigens geen lang leven
      beschoren zijn. Aangezien zij in de ogen van het gouvernement de openbare orde bedreigde, werd de partij in maart 1913 verboden.

      Douwes Dekker -'D.D.' voor zijn aanhangers - riep hierop de leden van zijn partij op lid te worden van de Vereeniging Insulinde en vertrok voor korte tijd naar Europa. Bij terugkeer in augustus 1913 werd hij
      door het koloniale gouvernement gearresteerd vanwege de ideeën die hij bleef publiceren. Hem werd vervolgens de keuze geboden tussen internering in een buitengewest van de Indische archipel of de kolonie
      verlaten. Douwes Dekker koos voor de tweede mogelijkheid en reisde via Japan en Rusland naar Nederland. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog bevond hij zich in Zwitserland, waar hij zich liet
      inschrijven aan de Universiteit van Zürich. Later zou hij beweren er in 1915 te zijn gepromoveerd; sindsdien gebruikte hij ten onrechte de doctorstitel. Vanuit Zwitserland onderhield hij contacten met radicale
      nationalisten uit Brits-Indië die zich in Duitsland ophielden. Tegen betaling was hij bereid voor hen als koerier op te treden. Eind 1915 arresteerden de Britse autoriteiten Douwes Dekker echter op een van zijn
      tochten in Hongkong. Zij brachten hem over naar Singapore, maar, na te hebben beloofd ter plaatse van iedere politieke activiteit af te zien, werd hij niet vervolgd.

      In juli 1918 kreeg Douwes Dekker toestemming vanuit Singapore naar Nederlands-Indië terug te keren. In gedachte zag hij zich al aan het hoofd van de Indonesische nationalistische beweging staan, maar hij
      merkte spoedig min of meer overbodig te zijn geworden. De leiding van de Vereeniging Insulinde nam zijn ideeën niet over, terwijl de Indo-Europese bevolkingsgroep in het Indo-Europees Verbond (IEV)
      onderdak had gevonden. Wel slaagde Douwes Dekker er nog in de Vereeniging Insulinde om te vormen tot de Nationaal Indische Partij, maar de bemoeienissen van deze partij met stakingen van boeren in
      Soerakarta zorgden ervoor dat hij in januari 1920 in preventieve hechtenis werd genomen. Uiteindelijk zou hij een jaar gevangenzitten, wat hem in 1921 ook zijn huwelijk kostte.

      Deze ervaringen brachten Douwes Dekker ertoe zich uit het politieke leven terug te trekken. In 1922 ging hij in Bandoeng op een lagere school lesgeven. Twee jaar later werd hij hoofd van de school, die hij
      vervolgens omdoopte tot het Ksatrian Instituut. Dit instituut breidde zich uit met enkele middelbare opleidingen en werd in 1926 officieel door het gouvernement erkend. In hetzelfde jaar huwde Douwes Dekker
      met een van de leraressen van zijn school, de Indo-Europese Johanna Mossel. Het onderwijs op het Ksatrian Instituut had een sterk Indonesisch-nationalistisch karakter, wat vooral tot uiting kwam in het vak
      geschiedenis, waarvoor Douwes Dekker zelf het lesmateriaal vervaardigde. Zijn tussen 1935 en 1938 verschenen Vluchtig overzicht van de geschiedenis van Indonesië was daarbij in feite de eerste
      nationalistische geschiedenis van de Indonesische archipel. Ook als onderwijzer zou Douwes Dekker vaak met de koloniale machthebbers in conflict komen, met als dieptepunt het verbod in 1936 van het eerste
      deel van zijn - in de ogen van de autoriteiten - antiwesterse Wereldgeschiedenis . Hoewel aanvankelijk ook nog eens tot drie maanden cel veroordeeld kwam hij er uiteindelijk vanaf met een geldboete en de
      intrekking van zijn lesbevoegdheid.

      Een verbitterde Douwes Dekker hoopte hierna dat Japan snel een einde zou maken aan de Nederlandse koloniale heerschappij. Vanaf september 1940 voorzag hij een Japanse agent op Java van informatie
      over de economische situatie in Indië. Naar aanleiding hiervan werd hij in januari 1941 gearresteerd en uiteindelijk overgebracht naar Suriname, waar hij gedurende de Tweede Wereldoorlog in enkele
      interneringskampen zijn dagen zou slijten, zijn echtgenote noodgedwongen in Indië achterlatend. In de zomer van 1946 werd hij vervolgens - erg verzwakt - vanuit Suriname overgebracht naar Nederland.
      Vermomd als een Indonesische landbouwer slaagde hij erin naar Indonesië te ontsnappen.

      In januari 1947 bereikte Douwes Dekker het gebied van de Republiek Indonesië, waar hij met open armen werd ontvangen. Hij werd er als minister van Staat opgenomen in het derde kabinet-Sjahrir (oktober
      1946 - juni 1947) en werd bovendien lid van het Indonesische parlement, het Komité Nasional Indonesia Poesat. Tijdens een conferentie van Indo-Europese aanhangers van de Republiek Indonesië, die van 1
      tot 3 februari 1947 in Djokjakarta werd gehouden, riep hij de aanwezigen op in alles één met de Indonesiërs te worden. Zelf gaf hij het voorbeeld door afstand te doen van zijn naam en zich vanaf februari 1947
      Danoedirdja Setiaboeddhi - wat 'krachtige stof, trouwe geest' betekent - te noemen. Ook hulde hij zich vervolgens in Indonesische kledij en bekeerde hij zich tot de islam. Een van degenen die hem hierin
      volgden, was de Indo-Europese Nelly Alberta Kruymel. Als Haroemi Wanasita zou zij op 8 maart 1947 met Douwes Dekker - tweeënhalve maand vóór de echtscheiding van zijn tweede echtgenote - in een
      islamitische huwelijksceremonie worden verbonden.

      De laatste dramatische gebeurtenis in Douwes Dekkers leven was zijn arrestatie door een Nederlandse legereenheid tijdens de tweede politiële actie in december 1948 in een ziekenhuis te Djokjakarta. Enkele
      maanden later werd hij vanwege zijn slechte gezondheid weer vrijgelaten en kon hij zijn oude huis in Bandoeng betrekken. Hier schreef Douwes Dekker, met behulp van zijn echtgenote, het boekje 70 jaar
      konsekwent (1950), een 'autohagiografie' waarin hij zijn leven en werk belangrijker en meeslepender beschreef dan ze in werkelijkheid waren geweest. Op zijn zeventigste maakte hij tot zijn grote genoegen de
      formele overdracht van de soevereiniteit aan Indonesië mee. Hij stierf acht maanden later.

      Douwes Dekker was een in wezen tragisch figuur. Reeds vroeg ijverde hij voor een onafhankelijk Nederlands-Indië, maar als Indo-Europeaan vond hij niet gemakkelijk aansluiting bij de Indonesische
      nationalisten, terwijl hij de eigen Indo-Europese minderheid weinig instemming met zijn streven aantrof. Hoewel hij hiermee zijn tijd ver vooruit was, werd hij later door de loop van de geschiedenis op een
      zijspoor gezet. Zelf zag hij zich graag als de vader van het Indonesische nationalisme en als een groot denker, wat hij echter maar zeer ten dele was. Het beeld dat Douwes Dekker van zichzelf had en de
      miskenning die hem ook in nationalistische kring te beurt viel, zorgden ervoor dat hij zich buitengewoon ijdel gedroeg en zich soms onnodig radicaal opstelde. Het maakte hem in koloniale kring extra gehaat.
      Toch moet zijn belang voor de ontwikkeling van het Indonesische nationalisme niet worden onderschat. Door zijn activiteiten aan het begin van de 20ste eeuw en zijn streven naar een onafhankelijk Indonesië gaf
      hij een voorbeeld dat door verscheidene nationalisten zou worden nagevolgd.

      P: Behalve de in de tekst genoemde publicaties, vele brochures en artikelen, waarvan de belangrijkste worden genoemd in 70 jaar konsekwent (Bandoeng 1950) 148-169.

      L: Behalve een necrologie door D.M.G. Koch in Oriëntatie (juli 1950) 56-64: Nota betreffende de geschriften van Douwes Dekker (2 dln.; Batavia 1913) 146-168; Paul W. van der Veur, 'E.F.E. Douwes
      Dekker. Evangelist for Indonesian political nationalism', in The Journal of Asian Studies 17 (1958) 551-566; Margono Djojohadikoesoemo, Notities uit vergeelde papieren. Dr. E.F.E. Douwes Dekker
      (Djakarta [1974]); C. de Jong, 'Lotgevallen van drie broers Douwes Dekker in de Anglo-Boerenoorlog, 1899-1902', in Historia. Amptelike orgaan van die Historiese Genootschap van Suid-Afrika 24
      (1979) II, 32-43, 25 (1980) I, 32-55 en 28 (1983) II, 14-26; Kees Snoek, 'E.F.E. Douwes Dekker: beeldenbreker en opvoeder op de grens van twee tijden', in Bzzlletin 25 (1995) afl. 228 (sept.) 22-32;
      Holger Warnk, 'Ernest François Eugene Douwes Dekker (Danudirdja Setiabudhi): Journalist, Politiker, Nationalheld', in Kolonialismus und Literatur III. Beiträge zur Multatuli-Forschung . Onder red. van
      Bernd Schenk. Mitteilungen der Internationalen Multatuli-Gesellschaft Ingelheim V (Fernwald 1995) 39-69; Frans Glissenaar, D.D. Het leven van E.F.E. Douwes Dekker (Hilversum 1999).


Home Page |  What's New |  Most Wanted |  Surnames |  Photos |  Histories |  Documents |  Cemeteries |  Places |  Dates |  Reports |  Sources