Kenau Simonsdr. Hasselaer

Kenau Simonsdr. Hasselaer

Female 1526 - 1588  (62 years)    Has 8 ancestors and more than 250 descendants in this family tree.

Personal Information    |    Media    |    Notes    |    All

  • Name Kenau Simonsdr. Hasselaer 
    Born 1526 
    Gender Female 
    Died 1588 
    Person ID I444826  Geneagraphie
    Last Modified 1 Jul 2010 

    Father Simon Gerritsz. Brouwer,   d. Aft Nov 1562 
    Mother Guerte Coenendochter Hasselaer,   b. 1504,   d. Bef Nov 1562  (Age 58 years) 
    Siblings 5 siblings 
    Family ID F176229  Group Sheet  |  Family Chart

    Family Nanning Gerbrantsz. Borst,   d. 1562 
    Married 1544 
    Children 
     1. Geertruid Borst,   b. 1545,   d. Yes, date unknown
     2. Margriet Borst,   b. 1548,   d. Yes, date unknown
     3. Lubbrich Borst,   b. 1552
     4. Gerbrant Borst,   b. 1555,   d. Yes, date unknown
    Last Modified 19 Apr 2003 
    Family ID F176230  Group Sheet  |  Family Chart

  • Photos
    Kenau Simonsdr. Hasselaer
    Kenau Simonsdr. Hasselaer
    Gravure door Frans Hogenberg (1538?-1590?), voorzien van Duitse tekst en gedicht, gesign.…

  • Notes 
    • Zij is een van de weinige heldinnen die de vaderlandse geschiedenis heeft opgeleverd en zij is nog steeds niet helemaal vergeten dankzij de betekenis van haar naam: een lastige, strijdbare, sterke vrouw. Toen de stad Haarlem in de maanden tussen december 1572 en juli 1573 door de Spanjaarden werd belegerd, zou Kenau door haar moedige optreden zijn opgevallen bij vriend en vijand. De overlevering wil zelfs dat zij driehonderd vrouwen zou hebben aangevoerd. Emanuel van Meteren (1535-1612), de eerste geschiedschrijver van de Tachtigjarige Oorlog, zegt in zijn Belgische ofte Nederlantsche historie van onsen tijden (1599) het volgende over haar:
      Die van binnen [Haarlem] hadden ooc een cloecke vrouwe ende eerbaer weduwe, omtrent XLVI jaren out, Kennau genoemt, die dander vrouwen in allen noot aenvoerde ende met eenighe andere veel manlycke daden boven vrouwen aert bedreef op ten vijant, met spiessen, bussen ende sweert, als een man haer behelpende in vrouwelycke habijt.
      Ook de Jezuiet Famianus Strada maakt in zijn De bello Gallico (in 1632 verschenen, maar geschreven rond 1602) melding van een heldin genaamd Kennava, ongeveer vijftig jaar oud, die leiding gaf aan een groep Haarlemse vrouwen die zich als ware krijgslieden gedroegen in het bespringen van de Spanjaarden, tot grote verwondering van de vijand. En Pieter C. Hooft (1581-1647), Nederlands beroemdste geschiedschrijver uit de Gouden Eeuw, noemt Kenau met naam en toenaam in zijn Nederlandsche historiën (1642). Hij spreekt van een 'moedighe mannin', weduwe van 46 jaar, Kenauw Simon Hasselaers geheten, van onbesproken gedrag en zeer goede huize, die ten tijde van het beleg leiding had gegeven aan meer dan driehonderd Haarlemse vrouwen. Zij schroomde niet om met spies, bus (geweer) en rapier (degen) - in vrouwengewaad - tegen de vijand te keer te gaan, aldus Hooft.
      Het woord 'mannin' was door Hooft niet negatief bedoeld. Hij wilde er alleen maar mee onderstrepen dat zij een vrouw was geweest met een mannelijk gemoed, en dat betekende dapperheid en onverschrokkenheid, eigenschappen die men in de zeventiende eeuw niet zo snel bij vrouwen verwachtte. Pas later zou de naam Kenau een louter negatieve bijklank krijgen. De meisjesnaam Kenau raakte in onbruik, en het woord 'kenau' werd na verloop van tijd alleen nog maar gebruikt als scheldwoord voor vrouwen met haar op hun tanden. Wanneer deze omslag heeft plaatsgevonden, is niet met zekerheid te zeggen, maar wel staat vast dat de naam al in de zeventiende eeuw ook negatieve bijklanken kende. Er is namelijk een brief uit 1662 overgeleverd waarin een inhalige koopvrouw uit Rotterdam, die haar schuldenaars meedogenloos voor het gerecht sleepte, wordt uitgemaakt voor een 'keno'. Kennelijk had Kenau al snel na haar heldhaftige optreden een ambivalente reputatie.
      Ongetwijfeld had men ook in de tijd van Van Meteren en Hooft moeite met vrouwen als Kenau, die de perken van hun vrouwenrol te buiten gingen en zich als man gedroegen. Maar nood breekt wet. De strijd tegen de Spanjaarden was nog steeds niet voorbij, en de herinnering aan de heroïsche jaren van verzet tegen Alva moest dan ook worden gekoesterd. Het verhaal van Kenau was heel geschikt om te onderstrepen wat de tirannie van de vijand zoal teweeg kan brengen bij onschuldige mensen die voor hun recht en vrijheid opkomen: zelfs vrouwen werden onder die omstandigheden gedwongen om naar de wapenen te grijpen. In de geschiedschrijving stond Kenau als het ware symbool voor de rechtvaardige strijd die de burgers van Haarlem hadden gevoerd ter verdediging van hun stad.
      Het was een ongelijke strijd geweest, want na een half jaar van dapper verzet had de intussen uitgehongerde stad zich alsnog aan de tiran Alva moeten overgeven.
      Kapitein van vrouwenvendels?
      Dankzij het werk van beroemde historici zoals Van Meteren en Hooft is Kenau de geschiedenis ingegaan als aanvoerster van de Haarlemse vrouwen. Van Meteren zat in Londen toen hij zijn notities maakte voor zijn Belgische ofte Nederlandsche historie, en Hooft pubiceerde zijn Nederlandsche historiën pas in 1642, zeventig jaar ná het bewuste beleg van Haarlem. Geen van beiden hadden het beleg zelf meegemaakt - Hooft moest toen zelfs nog geboren worden -, en beiden moeten hun informatie over deze legendarische heldin daarom uit tweede of derde hand hebben gehad. Nu was het niet zo moeilijk om aan informatie over de rol van Kenau te komen. In 1573 gingen de verhalen over het beleg van Haarlem als hot news door Europa; diverse ooggetuigeverslagen waren in de vorm van pamfletten gepubliceerd, en in sommige daarvan werd inderdaad melding gemaakt van het moedige optreden van een weduwe die luisterde naar de naam Kenau, Kenu, Konow, of hoe men haar naam ook spelde. In één van deze dagverhalen was als bijlage zelfs een afbeelding opgenomen van Kenau, met een bijschrift zowel in het Latijn als in het Nederlands: Haec Batava est Kennou, quam armat sic mascula virtus, Haec Mauros hybridas Harlemi exercet & urget.
      Dit is Capiteyn Kennou, de Hollandsce vrou, manlijck onversaecht, De Spaensce Mooren ontrou, bij Heerlem nou, dees oeffent en jaecht.
      Helaas is niet met met zekerheid vast te stellen wanneer het dagverhaal met deze prent is verschenen. Volgens de titelpagina zou het in 1573 zijn gepubliceerd, en dat zou betekenen dat Kenau reeds in dat jaar als een soort icoon van het Haarlemse beleg naar voren werd geschoven. Onderzoek heeft echter uitgewezen dat de drukker van het betreffende boekje pas in 1581 actief was op het adres dat in deze druk wordt genoemd, en dat zou impliceren dat het prentje van Kenau van latere datum is dan het dagverhaal. Maar er zijn meer voorbeelden van eigentijdse prenten van de Haarlemse heldin Kenau, al dan niet afgebeeld met afgehouwen hoofden van Spanjaarden, wapens, en begeleidende teksten die haar heldenmoed bezingen.
      Waarschijnlijk zijn al deze prentjes en houtsnedes gekopieerd naar de 'oerprent' die de altijd zeer in de actualiteit geïnteresseerde graveur Frans Hogenberg (1538? -1590?) van Kenau heeft gemaakt.
      Hogenberg was aanvankelijk in dienst geweest van Margaretha van Parma - hij werkte in Mechelen-, maar was vanwege zijn geloof rond 1570 naar Keulen gevlucht, waar hij met zijn prenten de gebeurtenissen van de Opstand in de Lage Landen op de voet bleef volgen. Een exemplaar van zijn prent van Kenau gaat vergezeld van een Duits loflied van ene M. Q. (dit moet zijn leerling Mathias Quadus zijn geweest), gedateerd 1573, op 'der Amazonen Weiberstreit' en haar aanvoerster Kennow Iansen (sic!). Een begeleidende tekst legt uit dat het gaat om een Haarlemse burgeres op leeftijd, van beroep scheepstimmerman, actief in bijna alle mannelijke zaken zowel te land als ter zee, die tijdens het beleg het grootste stuk geschut dat op de wal stond, op Alva liet vuren. Het geschut was echter te hoog afgesteld, met het gevolg dat niet Alva zelf, maar alleen zijn hoed werd geraakt. Tot haar geluk, zo gaat de tekst voort, was zij niet in de stad aanwezig ten tijde van de overgave, want zij was toen net op een belangrijke missie naar de prins gestuurd; anders zou de tiran deze heldin wel tot ridder hebben geslagen (en haar natuurlijk vervolgens hebben laten afslachten, zoals met de andere krijgslieden was gebeurd). Haar luitenant was Dyver Claissen, een jong meisje met een lange roer. Op een andere - wederom Duitse - prent met hetzelfde jaartal 1573 heet zij 'Margret von Kennow, Hauptmännerin und oberster Anführerin der Weiber ... in der belägerten Stat Harleim'. Bij een Duitse prent die de bestorming van de stad aan de noordzijde moet verbeelden, is in een begeleidend gedichtje opgenomen waarin sprake is van de moed van de Haarlemse vrouwen, die zich als twee vendels hebben laten monsteren onder 'Margreit irem Capitain', en op 6 februari 1573 een storm van de Spanjaarden hebben weten af te slaan. Uit al deze voorbeelden kan worden afgeleid dat het verhaal van het heroïsche optreden van Kenau en haar vrouwenvendels onmiddellijk al tot de verbeelding gesproken moet hebben, ook al wist men soms niet precies hoe deze aanvoerster heette. Daarnaast waren er ook talloze bronnen die in meer algemene termen spraken van de inzet van de Haarlemse vrouwen bij de verdediging van hun stad. Meestal gaat het in deze passages om de hulp die vrouwen (en kinderen) hadden geleverd bij het versterken van de wallen, maar sommige bronnen noemen ook het feit dat vrouwen de Spaanse belegeraars met hete pek en kokend water hadden belaagd. Met name Duitste krijgslieden, die onder andere als huurlingen meevochten bij de verdediging van Haarlem, maken in hun 'Zeitungen' regelmatig melding van het onverzettelijke gedrag van de Haarlemse vrouwen. Zij beschrijven vol ontzag de 'mannhaftige Weiber' die met pektonnen, brandend stro, kokend water, stenen en dakpannen de Spanjaarden vanaf de stadsmuren zo'n schrik wisten aan te jagen dat zij op de vlucht sloegen. Eén van deze ooggetuigeverslagen draagt ook een verklaring aan voor dit manmoedige gedrag van de vrouwen van Haarlem: de vrouwen hadden gehoord hoe schandalig de Spanjaarden in andere steden met vrouwen waren omgegaan, en wisten wat hun te wachten stond.
      Daarom hebben zij zich 'künlich im Sturm gewehret'.
      Waarschijnlijk zullen we wel nooit precies te weten komen op welke bron of zegsman Van Meteren, Strada en Hooft zich hebben gebaseerd voor hun verhaal over Kenau als aanvoerster van andere vrouwen. Ongetwijfeld kenden zij dankzij het zojuist genoemde
      prentje of een van de vele kopieën het beeld van 'kapitein Kennou',
      en ongetwijfeld hadden zij de ooggetuigeverslagen van Duitse
      soldaten en anderen - ook onder de belegerden bevonden zich heel
      wat dagboekschrijvers - bestudeerd die melding maakten van de
      dappere vrouwen van Haarlem. Bekend is bovendien dat Hooft voor
      zijn boek uitgebreid heeft gesproken met Pieter Dirksz. Hasselaer, de
      neef van Kenau. Dat deze verhalen over de dappere vrouwen van
      Haarlem ten tijde van het beleg zelf al ruimschoots de ronde deden, is
      zeker. Zo noteerde broeder Wouter Jacobsz., een monnik uit Gouda
      die naar het nog koningsgezinde Amsterdam was gevlucht en daarmee
      als een onverdachte bron mag worden beschouwd, op 4 juni 1573 in
      zijn dagboek dat hij had gehoord dat er twee vendels vrouwen in
      Haarlem meevochten op de stadsmuren, 'als andere crijchsluyden in
      wapenen ..., seer stoutelic ende vroom, gheheel deze rebellicheyt
      toegedaen'. Het andere bewijs is een geuzenliedje dat dateert uit het
      jaar 1573 en waarschijnlijk in de tijd van Van Meteren en van Hooft
      nog in bredere kring gekend werd.

      Men sach Haerlem bestormen
      Met macht vielen de Spaengiaerts an
      Daer laghen so veel int velt ghestorven,
      Viermael sijnse gheslaghen daer van
      Want de vrouwen quamen soo stoutelick an,
      Met steenen, peckreepen, vier [vuur] ende vlam,
      Wierpense de Spaingiaerts van de mueren
      Sy kreten als leelicke dieren.
      ...
      Sestien Vaendel knechten ghetrouwen
      Sijn te Haerlem binnen ghewent
      En twee Vaendels ghemonsterde Vrouwen
      Hebben so menighen Spaengiaert gheschent,
      Int stormen doen zy grooten ghewelt
      En draghen dat Vendlijn als een Heldt,
      Soo lustelick in haer handen
      Duc dalve [Alva] tot sijnder schanden.

      Samen met de dagboekaantekening van Broeder Wouter en de
      Duitse bron die sprak van de twee Haarlemse vrouwenvendels onder
      ene kapitein Margreit, is dit liedje de enige bron uit de tijd van het
      Haarlems beleg zelf waarin expliciet sprake is van twee vendels
      gemonsterde vrouwen. Ervanuitgaande dat een vendel uit hondervijftig
      man bestond, kan Hooft zo op zijn driehonderd vrouwen zijn
      uitgekomen. Erg overtuigend is zo'n geuzenliedje natuurlijk niet als
      bewijsvoering, en daarom worden de militaire operaties van Kenau en
      haar vrouwenvendels tegenwoordig als mythevorming afgedaan. Het
      is echter de vraag of we daarom het hele verhaal over Kenau en de
      rol van de Haarlemse vrouwen bij de verdediging van hun stad naar
      het rijk der fabelen moeten verwijzen. De zojuist aangehaalde auteur
      van het Duitse verslag van de gebeurtenissen in Haarlem had in ieder
      geval gelijk: gelet op de manier waarop de Spanjaarden gedurende
      hun strafexpeditie van 1572 de bevolking van de steden Mechelen,
      Zutphen en Naarden hadden behandeld, hadden de vrouwen van
      Haarlem redenen te over om, georganiseerd of niet, uit hun
      traditionele vrouwenrol te stappen en de handen uit de mouwen te
      steken voor de verdediging van hun stad.
      na het overlijden van haar echtgenoot is Kenau niet bij de pakken neer gaan zitten, maar heeft het bedrijf
      van haar overleden echtgenoot als zelfstandige onderneemster
      voortgezet. Tussen 1562 en 1571 zijn er zestien scheepsbrieven op
      haar naam genoteerd. Steeds gaat het om de aanbesteding van
      zogenaamde 'karveelschepen', een voor die tijd modern schip dat
      vooral geschikt was voor de binnenvaart, maar ook op de Europese
      zeeën werd gebruikt. In waarde varieerden de schepen van 150 tot
      700 carolus guldens. Haar klanten waren schippers uit tal van
      plaatsen: Woensdrecht, Amsterdam, Harderwijk, Hasselt, Leiden,
      Alkmaar, Amersfoort, Beverwijk. De laatste scheepsbrief op haar
      naam vóór het beleg is van 19 juni 1571.
      Het beeld van Kenau als de harde zakenvrouw wordt onder andere
      gewekt door de vasthoudendheid waarmee zij juridische procedures
      uitvocht tegen enkele schuldenaars en waarmee zij deze schuldenaars
      bleef achtervolgen, ongeacht oorlog en beleg. Eén zo'n procedure
      betrof de schuld die een Edamse scheepstimmerman had bij Kenau
      voor geleverd hout. Hij had zijn schuld (178 goudguldens en 24
      stuivers) voor Kerstmis 1571 moeten voldoen, maar was inmiddels
      overleden, met achterlating van een half afgebouwd schip. Kenau liet
      onmiddellijk beslag leggen op dit halve schip en het hout dat daarin
      nog niet was verwerkt, en trof vervolgens een schikking met de man
      die het schip had besteld, ene Jan Cornelisz. uit Oostzaan. Toen deze
      op zijn beurt ook in gebreke bleef, ondernam Kenau diverse pogingen
      om hem in gijzeling te laten nemen. Het interessante van dit geval is
      dat zij deze juridische strijd ook gedurende het beleg voerde. Zo
      werd Jan Cornelisz. onder andere op 30 maart 1573, dus middenin
      de tijd van het beleg, gesommeerd te verschijnen in een herberg in
      Delft. Onduidelijk is waarom het Delft moest zijn, maar het lijkt
      aannemelijk dat de aanwezigheid van zwager Junius in deze stad een
      verklaring biedt. Zou hij als procureur voor Kenau hebben
      opgetreden? Of was ze misschien zelf meegegaan? We weten het niet.
      In totaal heeft Kenau deze schuldenaar vier keer gedaagd, maar hij is
      nooit verschenen. Uiteindelijk deed het Hof van Holland op 6 oktober
      1574 uitspraak: Kenau werd in het gelijk gesteld.
      Een andere kwestie die over vele jaren speelde, betrof een in 1571
      door Kenau verstrekte lening van tweehonderd gulden aan ene Simon
      Lenertsz. voor het kopen van een huis in de Anegang. Cornelis
      Meynertsz., scheepmaker, en Gerrit Coenen, schipper, stonden borg.
      Bij de grote brand van 1576 brandde het huis af, maar dit weerhield
      Kenau en haar dochters er niet van om de borgen onder druk te
      zetten toen bleek dat Simon Lenertsz. de aflossing van de
      hypotheekrente niet betaalde. In mei 1578 stuurde Kenau zelfs een
      deurwaarder af op de weduwe van een van de twee borgen (Gerrit
      Coenen was inmiddels overleden), want zij weigerde te accepteren
      dat de tegenpartij in de gelegenheid werd gesteld om te zoeken naar
      andere borgen. Uiteindelijk trok Kenau ook in deze kwestie aan het
      langste eind. Ze had appel aangetekend bij het Hof van Holland, dat
      in 1580 tot een uitspraak kwam. De tegenpartij had een beroep
      gedaan op het octrooi van de Staten van Holland van mei 1577, dat
      aan Haarlemmers uitstel van betaling gaf op de rentes die rustten op
      de huizen en erven die oorlogsschade hadden opgelopen. Dat
      argument werd aanvaard, en kennelijk heeft het Hof daarop besloten
      dat het aan Kenau verschuldigde bedrag uit de gelden voor de
      schadeloosstelling moest worden betaald.
      Kenau moet in de jaren vlak voor het beleg in redelijk goeden doen
      zijn geweest. Dat blijkt niet alleen uit haar optreden als geldschieter
      voor mensen die een huis wilden kopen, maar ook uit het feit dat zij in
      1571 een boerenwoning kocht in Overveen. Overigens moest ze
      hiervoor wel zelf geld lenen. Het is onbekend of zij deze aankoop
      deed als geldbelegging, of dat zij van plan was hiervan later een soort
      van buitenverblijf voor haarzelf en haar gezin van te maken. In de
      jaren na het beleg zou ze ook over deze aankoop een juridisch
      gevecht voeren: ze eiste dat de koopsom naar beneden moest omdat
      de voormalige eigenaar, Jonkheer Hendrik van Assendelft, haar niet
      op de hoogte had gesteld van de onderhoudsverplichtingen
      (servituten) die erop rustten. In 1578 werd deze kwestie uiteindelijk
      voor een Leidse notaris geregeld met de weduwe van de Jonkheer,
      Dieuwer van der Laen, en het is dankzij deze kwestie dat we
      beschikken over een handtekening van Kenau. Hoe het ook zij, in
      1571 nam Kenau ter voldoening van de koopsom voor dit huis een
      bedrag van 250 gulden op bij de kapelmeester aan de Langebrug, die
      destijds wel vaker als bank fungeerde, tegen een jaarlijkse rente van
      vijftien en een halve gulden. Deze rentebrief zou later nog een
      belangrijke rol gaan spelen in de strijd die Kenau had uit te vechten
      met het Haarlemse stadsbestuur.

      Waagmeester van Arnemuiden

      Tijdens het beleg kwam het bedrijf van Kenau stil te liggen, en na de
      overgave van de stad aan de Spanjaarden moet zij de stad al snel
      hebben verlaten.Wat Kenau precies heeft gedaan in de maanden van
      het beleg, valt uit de primaire bronnen niet op te maken. Het enige dat
      met zekerheid kan worden vastgesteld, is dat zij al vrij vroeg in het
      beleg een grote hoeveelheid hout heeft geleverd aan de stad voor het
      maken van een galei waarmee de Spanjaarden op het
      Haarlemmermeer konden worden bestreden. Haar werd toen door
      de bestuurders van de stad beloofd dat de stad te zijner tijd de
      rentebrief van 250 gulden aan de kapelmeester van de Langebrug zou
      overnemen. Kennelijk ging men er vanuit dat het bezit van deze
      katholieke geestelijken toch op korte termijn wel geconfisqueerd zou
      worden. Het liep anders: onder het Spaansgezinde stadsbestuur van
      na de overgave was er natuurlijk geen sprake van dat Kenau en de
      haren het geleverde hout nog vergoed kregen, en in de jaren na het
      beleg hebben de dochters van Kenau dan ook onder protest - de
      overeenkomst was immers aangegaan door hun moeder, niet door
      hen - de schuld aan de kapelmeester van de Langebrug ingelost. Dit
      alles weten we zo precies omdat Kenau na haar terugkomst in
      Haarlem gerechtelijke stappen ondernam om alsnog het geld van de
      rentebrief en de overige waarde van het door haar geleverde hout van
      de stad terug te krijgen, maar daarover straks meer.
      Tussen 1573 en 1578 duikt Kenau's naam op in Delft, Arnemuiden,
      en Leiden. Ook nu zijn haar sporen weer hoofdzakelijk te danken aan
      de conflicten die zij met deze en gene had. In de eerste maanden na
      haar vertrek moet zij in Delft hebben gezeten, want daar had zij, zo
      blijkt uit latere processtukken, in april 1574 granen en bier ingekocht
      met een Delftse brouwer, David Jansz., voor de lieve som van
      vijftienhonderd gulden. Interessant is trouwens dat zij het graan
      hadden gekocht van een schipper genaamd Willem Thaemsz., een
      naam die ook voorkomt als Haarlemse klant van Kenau in de
      scheepsbrieven van 1565. Was zij misschien met hem naar Delft
      gekomen, of was het gewoon een oude bekende met wie zij zaken
      kon doen? Tegelijk heeft het er alle schijn van dat Kenau er steeds
      voor zorgde, in de buurt van haar zus en zwager te zijn. Junius zat
      immers in Delft. Niet lang na haar aankomst in Delft vertrok Junius en
      zijn gezin naar Middelburg; prompt blijkt ook Kenau naar Zeeland te
      vertrekken. In september 1574 werd Kenau door de Staten van
      Holland benoemd tot beëdigd waagmeester en collecteur van de
      impost op turf van Arnemuiden, een betrekking die in die tijd voor
      een alleenstaande vrouw bepaald niet gangbaar genoemd kan worden
      en waarvoor Kenau ook - het wordt eentonig - naar de rechter heeft
      moeten stappen omdat de baljuw van Arnemuiden aanvankelijk
      weigerde haar benoeming te accepteren. Hoe zij aan dit eervolle én
      lucratieve ambt is gekomen, blijft onduidelijk. Historici hebben
      eeuwenlang verondersteld dat deze betrekking haar door de Staten
      van Holland of door Willem van Oranje zelf werd verleend uit dank
      voor haar manmoedige optreden ten tijde van het Haarlemse beleg,
      maar in de negentiende eeuw werd dit door de Haarlemse historicus
      Ekama in twijfel getrokken. Bij het officiele aanstellingsbesluit wordt
      namelijk gesproken van een positieve beschikking op het request
      (verzoek) van Kenau Simonsdr. zelf. Zij kreeg deze post dus op eigen
      verzoek, zo redeneerde Ekama. Sedertdien wordt ervan uitgegaan
      dat Kenau deze post op eigen initiatief heeft verworven, en het ambt
      niet gezien mag worden als een beloning voor bewezen diensten. Het
      blijft niettemin een van de raadsels rond Kenau, want hoe komt een
      weduwe die haar stad heeft moeten ontvluchten op het idee om te
      solliciteren naar het waagmeesterschap in een wildvreemde stad? Ik
      acht het nog steeds veel aannemelijker dat Kenau dit ambt in
      Arnemuiden wel degelijk op voorspraak van anderen heeft
      verworven; dat men daarbij gevoelig was voor de inspanningen die zij
      zich - naar men zei - bij de verdediging van haar stad had getroost,
      ligt dan wel erg voor de hand. Daarbij zal zij ongetwijfeld gebruik
      hebben gemaakt van de goede contacten waarover zij via haar zuster
      beschikte. Wellicht heeft haar zwager Junius, die in diezelfde tijd
      vereerd werd met het ambt van stadsgeneesheer te Middelburg, een
      goed woordje voor haar gedaan bij de heren Staten, of zelfs bij
      Willem van Oranje zelf. Het maakt de unieke benoeming van een
      vrouw op deze post in ieder geval iets minder onverklaarbaar.
      Vanuit Arnemuiden - waar zij als poorteres werd ingeschreven -
      moest zij zich verdedigen tegen de gerechtelijke stappen die de zojuist
      genoemde brouwer David Jansz. uit Delft inmiddels tegen haar had
      ondernomen. Hij had het grootste deel van hun aankopen
      voorgefinancierd, en maakte zich na haar vertrek naar Zeeland
      ongerust over de tweehonderd gulden die hij nog van haar te goed
      had. In de zomer van 1574 noemde hij Kenau 'te kwader trouw'
      omdat zij naar zijn zeggen bepaalde posten had verzwegen toen zij bij
      zijn afwezigheid met zijn huisvrouw had afgerekend. Kenau op haar
      beurt beweerde dat hij haar kwitanties afhandig had gemaakt, met het
      gevolg dat zij haar gelijk niet kon bewijzen. In juli en augustus 1574
      heeft Kenau vanwege de aantijgingen van haar voormalige
      compagnon zelfs enkele malen vastgezeten in de gevangenis van Delft.
      Het conflict kon in dat jaar niet worden opgelost, en het heeft er alle
      schijn van dat Kenau zich daarna maar beter niet meer in Delft kon
      vertonen. Toen zij in juni 1576 weer in Delft was, werd zij op last van
      David Jansz. prompt weer opgepakt en vastgezet. Toch trok Kenau
      ook dit keer aan het langste eind: ze werd in het gelijk gesteld, David
      ging in beroep bij het Hof van Holland, dat verwees de zaak naar
      commissarissen, en deze besloten op 31 januari 1581 dat Kenau te
      goeder trouw had gehandeld.
      Het is ondoenlijk om hier alle juridische kwesties te bespreken die
      Kenau moeten hebben beziggehouden in deze jaren van haar verblijf
      buiten Haarlem. In de drie jaar dat ze in Arnemuiden verkeerde
      (1574-1576) komt haar naam maar liefst zestien keer voor in de
      gerechtelijke archieven aldaar. Ze liet bijvoorbeeld beslag leggen op
      het scheepsgereedschap van een schipper omdat zij hem boter en
      kaas ter waarde van 22 gulden had geleverd, en ze maakte ruzie over
      een overkleed (een 'bouwen') die ze had besteld in Middelburg en
      haar bij ontvangst niet beviel: ze wilde haar geld terug. Eén keer werd
      Kenau zelf veroordeeld tot een boete van twaalf stuivers omdat zij
      haar poortersplicht verzuimd had om, zoals dat heette, een man ter
      wacht te stellen. Een poorteres was namelijk verplicht om haar
      bijdrage aan de schutterij te voldoen, ook al was zij een vrouw. Men
      stuurde ter vervanging een man of kocht haar plicht af. Het is ironisch
      dat Kenau, zo vaak voorgesteld als een gewapende kapitein,
      uitgerekend voor het verzaken van deze plicht werd beboet.


      Top
      Ruzie in Leiden

      In januari 1577 kon vanwege de pacificatie van Gent (1576) de
      zogenaamde satisfactie van Haarlem worden gesloten. Deze hield in
      dat de Spanjaarden Haarlem zouden verlaten en er door het nieuwe,
      prinsgezinde stadsbestuur een godsdienstvrede in de stad zou worden
      ingevoerd. Op 1 maart verlieten de koninklijke troepen de stad, en
      aan het einde van die maand konden de burgers van Haarlem hun eed
      op de Pacificatie afleggen. Vanaf dat moment konden de ballingen
      weer terugkeren. Wanneer Kenau precies terug is gekeerd naar haar
      geboortestad, is niet helemaal met zekerheid te zeggen. Bekend is dat
      er in mei 1577 een andere waagmeester in Arnemuiden functioneerde
      - dit keer weer gewoon een man - en dat de naam van Kenau in
      oktober van datzelfde jaar weer genoemd wordt in één van de
      schepenvonnissen van Haarlem.
      Toch heeft Kenau in deze tijd waarschijnlijk eerst nog een tijd in
      Leiden gewoond. Dat weten we zo nauwkeurig dankzij twee - het
      wordt eentonig - gerechtelijke kwesties die Kenau in die tijd in Leiden
      had lopen. Ten eerste was dat de kwestie van de aankoop van het
      huis van Overveen, die Kenau in het voorjaar van 1578 in Leiden wist
      af te handelen. Uit deze stukken is op te maken dat Kenau in mei van
      dat jaar woonde aan de Vliet in Leiden. Ten tweede was er de ruzie
      met ene Margriete Pietersdr., die Kenau in diezelfde maand mei voor
      het Leidse gerecht uitvocht. Deze affaire bevestigt de indruk dat
      Kenau inderdaad, zoals we al vermoedden, geen frêle dametje was.
      De man van Margriet getuigde namelijk dat Kenau dagelijks voor zijn
      deur kwam roepen en schelden, alleen omdat zijn vrouw haar nog 42
      gulden schuldig zou zijn, hetgeen volgens hem niet waar was. Hij eiste
      dat men Kenau 'een ewich silentium' zou opleggen. Kenau zelf had
      een ander verhaal. Margriet was haar een jaar geleden op de vismarkt
      met een bezemstok te lijf gegaan en had haar daarbij lelijk gekwetst,
      een zaak die door de schout was gecompenseerd. Daarna was
      Margriet opnieuw begonnen met haar aan te vallen, haar in het
      aangezicht grijpende en met een opsteker dreigende, zeggende 'Waer
      es nu u hes? Ende diergelijcke vileynich ende smadelijck sprekende,
      al 't welck om geen goet ter werelt te lijden en staet.' Kenau eiste dat
      zij met rust gelaten zou worden en dat de tegenpartij vanwege de haar
      toegebrachte kwetsuren een boete zou krijgen van zes pond Vlaams
      voor de armen van Haarlem (!) en Leiden. Opmerkelijk is dat zij niet
      sprak over de 42 gulden die Margriet haar nog schuldig zou zijn. Zou
      ze die inmiddels al hebben gekregen? Of was ze dit keer mild voor
      haar schuldenaars? Hoe het ook zij, Kenau werd - ook nu weer - in
      het gelijk gesteld.

      Terug in Haarlem

      In het begin van het jaar 1579 wordt Kenau's naam voor het eerst
      weer vermeld in de Haarlemse registers van scheepsbrieven, nadat in
      de tussenliggende jaren een enkele scheepsbrief op naam van haar
      zoon Gerbrant gesteld is geweest. Ze gebruikte kennelijk ook haar
      nieuwe netwerk, want haar klanten - elf in totaal - komen, afgezien
      van degenen uit de buurt (Haarlem, Schalkwijk, Amsterdam), uit de
      contreien waar Kenau in de tussenliggende jaren heeft gezeten:
      Zwartsluis, Delft, Zierikzee, Beierland en Dordrecht. Opmerkelijk is
      de klant uit Delft die in 1580 bij Kenau een karveelschip ter waarde
      van 530 Carolusguldens bestelde: deze Jan Jelisz. Sincksteen was de
      vader van Soetge Sincksteen, het meisje waarmee Kenau's zoon
      Gerbrant in 1584 zou trouwen.
      Natuurlijk had Kenau ook in deze jaren allerlei juridische procedures
      lopen, maar veel daarvan waren voortzettingen van al langer lopende
      zaken, en de nieuwe zaken werden grotendeels door anderen
      aangespannen. Zo lijkt het erop alsof Kenau zich in deze Haarlemse
      jaren wat meer gedeisd hield en zelf niet al te snel naar de rechter
      stapte, tenzij het ging om oude schulden (zoals die van Simon Lenerts,
      daterend uit 1571). In die gevallen beschikte zij over een lange adem
      en weinig clementie. Toch had ze ook in deze laatste jaren van haar
      leven nog een aantal nieuwe conflicten uit te vechten. Eén ervan begon
      als een zakelijke tegenslag dat een akelig staartje zou krijgen. Een
      schipper genaamd Geryt Thonisz. was in juli 1587 voor haar naar
      Noorwegen gevaren om hout in te kopen, maar op de terugweg had
      hij ook nog Calais aangedaan, en toen was hij door zeerovers van
      Grevelingen overvallen. Kenau moest nu losgeld betalen om hem uit
      Calais vrij te kopen. Nadat dat eind augustus was gelukt - het kostte
      haar vierhonderd Carolus guldens - eiste Geryt van Kenau een
      vergoeding voor de tijd dat hij had vastgezeten, en dus geen geld had
      kunnen verdienen. Hij verweet haar kennelijk te lang gewacht te
      hebben met hem los te kopen. In februari 1588 deden de schepenen
      van Haarlem een uitspraak in deze zaak ten nadele van Kenau. Zij
      nam daar natuurlijk geen genoegen mee en tekende appel aan bij het
      Hof van Holland. Maar dat niet alleen. Uit een notariele akte van die
      tijd blijkt dat zij zich ook bijzonder boos had gemaakt. Ze had de
      procureur van Geryt op het stadhuis uitgescholden voor een
      'bancroets boef, dief en schelm', waarop deze Mr Jacob van
      Medemblik tot haar had gezegd dat zij 'een tovenaerster' was,
      hetgeen hij wel twee tot drie keer had herhaald.
      Ook Kenau's dochters hadden een dergelijke reputatie. Mannen, zo
      werd er gefluisterd, zouden in hun omgeving niet veilig zijn. Nu moet
      worden gezegd dat het ook inderdaad een wat curieus
      vrouwenhuishouden was dat Kenau sedert haar terugkeer in de
      Spaarnwouderstraat voerde en dat later door de drie zussen werd
      voortgezet. De oude Guerten verliet het ouderlijk huis pas in 1591 (ze
      trouwde op haar 46ste en was in 1598 als weduwe alweer terug).
      Griete trouwde in 1582 (ze was toen 34), maar moet als weduwe
      alweer na twee jaar thuis zijn gekomen; in 1589 hertrouwde zij, maar
      dit huwelijk was zo slecht dat zij in 1592 al niet meer onder een dak
      woonden. De jonge Guerten is nooit getrouwd geweest en is altijd
      thuis blijven wonen. Gerbrant tenslotte trouwde in 1584, 29 jaar oud.
      Zolang de moeder nog leefde, werd de vrede onder de kinderen nog
      wel bewaard, maar al snel na haar dood ging het helemaal mis. In
      januari 1589 brak er ruzie uit ten huize van Kenau. Huurders die in
      het achterhuis woonden (waren de Hasselaers in minder goede
      doen?) getuigden dat Gerbrant amok had gemaakt. Hij had met veel
      geweld de huissleutels in zijn zak gestoken en geroepen: 'alle
      tmansvolck, die met U omgaen, die brengt ghy om hals. Wat doot es
      mijn vader gesturven, wat doot es mijn auweloom gesturven ende wat
      doot es mijn swager (menende des voors. Grietgen Nanninx man)
      gesturven?' Toen Griete hem de sleutels had willen afpakken, had hij
      'moort, moort' geroepen. In augustus 1589 gooide Soetge hun
      opnieuw voor de voeten dat zij niet alleen hun eigen vader, maar ook
      hun oom en de man van Griete om zeep hadden geholpen, en dat
      Gerbrant en Griete's tweede echtgenoot binnenkort wel aan de beurt
      zouden zijn. Later zouden de gezusters Hasselaer nog regelmatig voor
      tovenaarsters en 'koolrijdsters' worden uitgemaakt. Maar liefst acht
      notariele akten zijn in het Haarlemse archief aangetroffen waarin vrede
      gesticht moest worden tussen de gezusters Hasselaers en dergelijke
      kwaadsprekers. Opmerkelijk is dat nog in 1608 ook Kenau ('hun
      moeder') werd uitgemaakt voor tovernaarster. Ze was toen al bijna
      twintig jaar dood. Het zegt iets over haar slechte reputatie onder de
      Haarlemmers.

      Een oude rekening

      Toen Kenau in Haarlem terugkeerde, had zij nog een oude rekening
      met de stad Haarlem te vereffenen: ze had minstens 250 gulden van
      de stad te goed voor het hout dat zij tijdens het beleg had afgestaan
      voor het bouwen van een galeischip. Eigenlijk ging het om een hoger
      bedrag. Het hout, zo blijkt uit een latere verklaring, was namelijk wel
      416 gulden waard geweest, maar Kenau had de steden Delft en
      Rotterdam in de tussentijd bereid gevonden om 'uit de gemeene
      middelen' het bedrag van 166 gulden te vergoeden. Kenau was er
      kennelijk al bij voorbaat vanuit gegaan dat ze van de stad Haarlem
      niet meer terug zou krijgen dan het bedrag van 250 gulden, zijnde het
      bedrag van de rentebrief aan de kapelmeester. Die kapel was, zoals
      alle geestelijke goederen, na 1577 in handen van de stad gekomen ter
      vergoeding van geleden oorlogsschade. Daarop, zo moet Kenau
      geredeneerd hebben, kon ook zij een beroep doen, ook al was die
      schuld van 250 gulden in de tussenliggende jaren allang door haar
      dochters voldaan. Dat was gebeurd 'na de restauratie van de
      papistenreligie', in de jaren direct na het beleg dus, toen alles in de
      stad 'met rigeur ende niet met justitie toeginck', en Kenau zich buiten
      de stad bevond 'onder protectie van zijne excellentie de Prins van
      Oranje', zo zouden Kenau's dochters veel later zeggen om te
      verklaren waarom zij zo braaf hadden betaald.
      In 1579 liet Kenau een verklaring opstellen door oud-burgemeesters
      Woerden van Vliet en Stuver over het door haar geleverde hout,
      waarbij een mondelinge afspraak was gemaakt dat de stad haar
      schuld aan de kapelmeester zou overnemen. Had Kenau gedacht dat
      ze daarmee haar geld wel zou krijgen?
      Waarschijnlijk wel; ze had zelfs 23 Karolus guldens aan de stad
      afgestaan als haar aandeel aan de kosten die de stad moest maken
      om van de Staten van Holland een schadeloosstelling voor de
      Haarlemse burgerij los te krijgen, hetgeen ook was gelukt. Het bleek
      een grove misrekening van Kenau: de stad weigerde haar het geld
      terug te geven waarop Kenau recht meende te hebben. Het duurt tot
      1586 voordat er weer een document betreffende deze kwestie is
      overgeleverd. Het is een deemoedig verzoekschrift van Kenau aan de
      burgemeesters, schepenen en vroedschappen van de stad Haarlem.
      Ze laat zich er in dit stuk wel op voorstaan dat ze een goede patriot is
      geweest, maar zegt verder niets over haar doen en laten tijdens het
      beleg. Letterlijk staat er dat ze:

      mede ijverlicken tegens den allen gemeenen vianden den Spanjaerden ... als
      een goede patriot deser stadt Haerlem heeft helpen sustineren ende houden
      totten lesten toe, dat de stadt met accoort overgegaen es aen de alle gemeene
      vianden - God betert.

      Verderop stelt ze dat zij bij die transactie in de veronderstelling was
      geweest dat de stad ieder moment zou worden ontzet (hetwelk, God
      betert, anders was gelopen), en dat zij vanwege de overgave van de
      stad '... mede als andere getrouwe burgers alle haer havelycke
      goederen ende dvoors haer vaderlycke stadt heeft moeten
      abandonneren ende verlaten ...', en nu heeft gemerkt dat haar oude
      buren wel een schadeloosstelling hebben gekregen, en zij niet.
      Daarom verzoekt zij 'zeer ootmoedelycken' dat de edele heren het
      gelieven, haar suppliante te gunnen om haar 250 gulden te mogen
      innen. Het is een toon die we eigenlijk niet van haar gewend zijn, en
      wekt des te meer bevreemding als we ons realiseren dat het hier gaat
      om DE heldin van het Haarlemse beleg. Waarom moest Kenau zo op
      haar knieën? En een nog prangender vraag: waarom kreeg zij niet
      haar gelijk? Als beschikking op haar verzoek staat nuchter en kort in
      de marge genoteerd: 'nihil'.
      Kenau heeft het hier niet bij laten zitten. Zoals we van haar gewend
      zijn, wendde zij zich ook in deze kwestie tot het Hof van Holland, en
      opnieuw zou zij aan het langste einde trekken. Zelf zou zij echter de
      financiële genoegdoening van de stad Haarlem niet meer meemaken.
      Na haar dood zetten haar dochters de strijd voort, stuk op stuk
      producerend om hun gelijk te bewijzen. Onder deze stukken bevond
      zich niets minder dan een brief van Prins Maurits aan de Haarlemse
      burgemeesters van 21 juli 1589 waarin hij hen 'van wegen de hoge
      overicheyt' ordonneert het verschuldigde bedrag onmiddellijk aan de
      erven van wijlen Qenou Symonsdr. te betalen, of anders de redenen
      van hun weigering binnen twee weken schriftelijk aan het Hof te
      verklaren. Het Haarlemse stadsbestuur zal met deze brief niet blij zijn
      geweest. Uiteindelijk moest het 1596 overstag gaan en betalen, nadat
      de stad in 1593 hiertoe officieel door het Hof was gesommeerd. De
      gerechtigheid had lang op zich laten wachten, en het blijft de vraag
      waarom? Nam men Kenau haar roem als Haarlemse heldin misschien
      kwalijk? Was men afgunstig omdat zij geprofiteerd had van haar
      connecties met Willem van Oranje? Nam men het haar kwalijk dat ze
      de stad verlaten had en goed had geboerd terwijl de stad leed onder
      het Spaanse garnizoen? Had zij wel goed geboerd? Was Kenau
      misschien in slechte doen geraakt, en dwong ze daarom nog maar
      weinig respect af? Of was Kenau gewoon gehaat omdat zij een inhalig
      en lastig mens was, een 'ware kenau'? Er moet iets geweest zijn dat
      Kenau bij haar eigen stadsbestuurders bijzonder impopulair heeft
      gemaakt, maar het blijft een raadsel wat dat geweest is.

      In handen van zeerovers

      Kenau moet in 1588, ongeveer 62 jaar, gestorven zijn. Zij stierf in het
      harnas, zij het niet in dat van kapitein Kenau die had gevochten op de
      Haarlemse wallen, maar in dat van de onderneemster Kenou
      Simonsdr. die handelde in hout. Bovendien waren de omstandigheden
      waaronder zij stierf zo vreemd en mysterieus, dat er weer - hoe kan
      het ook anders - alle aanleiding was voor een stevig juridisch gevecht,
      dit keer aangegaan door haar dochters. Volgens hen was hun moeder
      in handen gevallen van zeerovers. Ze wisten het zeker, want het schip
      waarmee hun moeder in de zomer van 1588 was uitgevaren, hadden
      ze met eigen ogen in de haven van Hoorn zien liggen. Ze spanden dan
      ook onmiddellijk een zaak aan tegen de schipper die zei de eigenaar
      van het schip te zijn, ene Lieven Hanss uit Denemarken.
      Wat was er aan de hand? In juni 1588 was Kenau op haar eigen
      schip uitgevaren naar Noorwegen om hout in te kopen. Dat weten we
      zo zeker dankzij een brief van Kenau die haar dochters bij de
      rechtzaak tegen de stad Haarlem inbrachten om te bewijzen dat zij
      deze zaak alleen maar wilden voortzetten omdat hun moeder definitief
      was verdwenen en daarom hoogstwaarschijnlijk dood was. Deze
      laatste brief (die nu alleen nog in kopie is overgeleverd) had Kenau op
      21 juni 1588 op Vlieland geschreven. Het is een nogal cryptische
      brief, waarin onder andere staat te lezen dat zij is meegevaren omdat
      haar schipper (Cornelis) zijn bemanning niet mee had gekregen uit de
      herberg. Letterlijk staat er:

      ick ben mede gevaren, om dat ick sache omdat sy in harbarch bleven, Cornelis
      seyde conse nyet opcrygen dus veere van syn goet ende bij sijn scha.
      Ges[chreven] mitter haest Maendach voor Sint Jansdage op Vlielandt int schip.


      Uit de brief valt trouwens ook op te maken dat Kenau behoorlijk in
      geldnood zat. Ze drukt haar dochters op het hart: neem van niemand
      rente, want daar komt alleen maar ellende van, en ziet dat gij wat
      binnen krijgt, want ik heb niets om van te leven dan hetgeen gij mij
      meegaf, waar ik het schip mee laden zou. Het heeft er alle schijn van
      dat Kenau in zeer slechte doen was geraakt. Er stonden sedert 1586
      ook al geen scheepsbrieven meer op haar naam. Was de affaire van
      de zomer van 1587, toen ze Geryt Thonisz. voor veel geld had
      moeten vrijkopen en ongetwijfeld ook haar vracht was kwijtgeraakt,
      misschien de gena


Home Page |  What's New |  Most Wanted |  Surnames |  Photos |  Histories |  Documents |  Cemeteries |  Places |  Dates |  Reports |  Sources