Graaf Johannes van den Bosch

Graaf Johannes van den Bosch

Male 1780 - 1844  (63 years)    Has 8 ancestors and 57 descendants in this family tree.

Personal Information    |    Media    |    Notes    |    Event Map    |    All    |    PDF

  • Name Johannes van den Bosch 
    Prefix Graaf 
    Relationshipwith Adam
    Born 2 Feb 1780  Herwijnen Find all individuals with events at this location 
    Gender Male 
    Died 28 Jan 1844  Boschlust, 's-Gravenhage Find all individuals with events at this location 
    Siblings 2 siblings 
    Person ID I440646  Geneagraphie
    Last Modified 21 Feb 2007 

    Father Dr. Johannes van den Bosch,   b. 1726, Waalwijk, NBr, NL Find all individuals with events at this location,   d. 3 Feb 1809, H.Dijkzicht, Tiel Find all individuals with events at this location  (Age 83 years) 
    Mother Adriana Ponningh,   c. 13 Jul 1749, Opijnen Find all individuals with events at this location,   d. May 1804, Herwijnen Find all individuals with events at this location  (Age ~ 54 years) 
    Married 20 May 1777  Opijnen Find all individuals with events at this location 
    Family ID F184660  Group Sheet  |  Family Chart

    Family 1 Catharina Lucretia de Sandol Roy,   b. 3 Dec 1786, Kaap de Goede Hoop, SA Find all individuals with events at this location,   d. 10 Feb 1814  (Age 27 years) 
    Married 2 Sep 1804  Batavia, N.O.I. Find all individuals with events at this location 
    • 3 zoons en 1 dochters (en 3 jong overleden dochters)
    Children 
     1. Jkvr. Gertrude Cornelie Adrienne van den Bosch,   b. 15 Aug 1805, Batavia, N.O.I. Find all individuals with events at this location,   d. 28 Mar 1890, Neuchâtel, CH Find all individuals with events at this location  (Age 84 years)
     2. Graaf Mr. Johannes Hendrik van den Bosch,   b. 28 Jan 1807, Batavia, N.O.I. Find all individuals with events at this location,   d. 23 Oct 1854, Buitenzorg Find all individuals with events at this location  (Age 47 years)
     3. Jhr. Hendrik van den Bosch,   b. 2 Jan 1812, Tiel Find all individuals with events at this location,   d. 19 Mar 1882, H.Jagtlust, De Bilt Find all individuals with events at this location  (Age 70 years)
     4. Jhr. Francois van den Bosch,   b. 15 Mar 1813, Zaltbommel, Gld, NL Find all individuals with events at this location,   d. 7 Jun 1882, Godesberg, Rheinland Find all individuals with events at this location  (Age 69 years)
    Last Modified 17 Dec 2003 
    Family ID F174266  Group Sheet  |  Family Chart

    Family 2 Rudolphina Wilhelmina Elizabeth de Sturlet,   d. Yes, date unknown 
    Married 28 Oct 1823  Vledder Find all individuals with events at this location 
    • 2 zoons
    Last Modified 17 Dec 2003 
    Family ID F184662  Group Sheet  |  Family Chart

  • Event Map Click to display
    Link to Google MapsMarried - 2 Sep 1804 - Batavia, N.O.I. Link to Google Earth
     = Link to Google Earth 
    Pin Legend  : Address       : Location       : City/Town       : County/Shire       : State/Province       : Country       : Not Set

  • Photos
    440646.jpg
    440646.jpg

  • Notes 
    • Officier, die functies bekleedde in Nederlands-Indië en een belangrijke rol speelde bij het verdrijven van de Fransen in 1813. Nadien bestuurder in West-Indië en Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië. Was dé initiatiefnemer tot invoering van het stelsel van gedwongen verbouw van landbouwproducten voor koloniale bestuur (het cultuurstelsel). Nam na zijn terugkeer in Nederland het initiatief tot de oprichting van opvoedingsgestichten in Drenthe. Minister van Koloniën onder Willem I, maar in 1839 door de Tweede Kamer ten val gebracht. Daarna nog Tweede-Kamerlid.

      conservatieven (voor 1848)
      in de periode 1830-1844: lid Tweede Kamer, minister, Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië, minister van Staat

      luitenant der genie, vanaf 1797
      luitenant der genie te Batavia (Ned.-Indië), van 1798 tot 6 februari 1801
      adjudant van Gouverneur-Generaal Van Overstraten, vanaf 6 februari 1801
      kapitein korps ingenieurs te Batavia, belast met directie Topografisch Bureau te Batavia (Ned.-Inië), van 1802 tot 15 mei 1804
      adjudant van Gouverneur-Generaal Siberg, van 15 mei 1804 tot 25 februari 1807
      adjudant-generaal van Gouverneur-Generaal Wiese, van 25 februari 1807 tot 18 mei 1808
      eervol ontslag, 18 mei 1808
      in Britse krijgsgevangenschap (op reis naar Nederland krijgsgevangen gemaakt), van 1810 tot 1812
      nam in naam van de Prins van Oranje Utrecht in, 23 november 1813
      adjudant van de generaal-majoor, gouverneur van Amsterdam Krayenhoff, vanaf 24 november 1813
      belast met innemen van Naarden, van 1813 tot 1814
      kolonel bij de Generale Staf belast met directie van alle zaken betreffende de troepen naar de koloniën, van 6 november 1814 tot 1 april 1815
      chef van de staf van luitenant-generaal De Constant Villars te Maastricht, van 1 april 1815 tot 1 januari 1819
      op non actief, 1 januari 1819
      administrateur voor de zaken der Nationale militie en schutterijen, ministerie van Binnenlandse Zaken en Waterstaat, van 28 september 1823 tot 12 oktober 1827
      commissaris-generaal in West-Indië, van 12 oktober 1827 tot 1 augustus 1828
      Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië, van 16 januari 1830 tot 2 juli 1833; op 24 juli 1829 uit Nederland vertrokken; keerde op 18 mei 1834 terug
      Commissaris-Generaal over Nederlandsch-Indië, van 17 januari 1832 tot 1 februari 1834
      minister van Koloniën, van 30 mei 1834 tot 1 januari 1840
      minister van Staat, 25 december 1839
      lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor de provincie Zuid-Holland, van 7 november 1842 tot 28 januari 1844

      luitenant der genie, van 1797 tot februari 1801
      kapitein, van 6 februari 1801 tot 15 mei 1804
      majoor, van 15 mei 1804 tot 25 februari 1807
      luitenant-kolonel, van 25 februari 1807 tot 18 mei 1808
      kolonel b.d., van 18 mei 1808 tot 24 november 1813
      kolonel, van 24 november 1813 tot 16 oktober 1828
      luitenant-generaal, van 16 oktober 1828 tot 24 november 1816
      generaal-majoor titulair, 24 november 1816

      In 1818 oprichter van de Maatschappij van Weldadigheid, die de koloniën Frederiksoord, Willemsoord en Wilhelminaoord en de gestichten Ommerschans en Veenhuizen stichtte
      Voerde in Nederlands-Indië het cultuurstelsel in
      De verwerping op 20 december 1839 door de Tweede Kamer van zijn wetsvoorstel inzake de aflossing van een voorschot bij de Nederlandsche Handel-Maatschappij op de verkoop van Indische producten, deed hem besluiten af te treden als minister
      Eigenaar der Pondok Gedeh-landen

      adressen
      's-Gravenhage, Huize Boschlust

      Ridder derde klasse Militaire Willemsorde, 8 juli 1815
      Commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw, 15 oktober 1828
      Grootkruis Orde van de Nederlandse Leeuw, 26 maart 1831

      baron, 17 juni 1835
      graaf, 25 december 1839

      publicaties
      "Atlas der overzeesche bezittingen van zijne majesteit den koning der Nederlanden: aan hoogst den zelven aangeboden" (1817)
      "Nederlandsche Bezittingen in Azië, Amerika en Afrika, in dezelver toestand en aangelegenheid voor dit Rijk wijsgeerig, staathuishoudkundig en geographisch beschouwd" (2 delen, met atlas, 1818)
      "Iets over finantiële aangelegenheden van het Rijk" (1840)

      S. Legêne, "Bosch, Johannes van den", in: Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland, dl.VIII, 12
      Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, dl.II, 221
      A.J. van der Aa, "Biografisch woordenboek der Nederlanden", dl.2-II
      Levensbericht door M. Siegenbeek, in: Levensberichten van leden van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, 1844, 13
      M.A. van Rhede van der Kloot, "Gouverneurs-Generaal en Commissarissen-Generaal van Nederlandsch-Indië, 1610-1888", 156
      J.J. Westendorp Boerma, "Johannes van den Bosch als sociaal hervormer. De Maatschappij van Weldadigheid" (1927)
      J.J. Westendorp Boerma, "Een geestdriftig Nederlander. Johannes van den Bosch" (1950)

      ******************************************
      initiatiefnemer van de Maatschappij van Weldadigheid
      Koning Willem I verhief Van den Bosch en zijn kinderen in 1835 in de adelstand met de erfelijke titel van baron en in 1839 met de titel van graaf.

      Van den Bosch begon zijn loopbaan in 1797 in het leger van de Bataafse Republiek als luitenant der genie en werd op eigen verzoek in 1798 uitgezonden naar Batavia. Het Nederlandse koloniale gezag in de Indonesische archipel was beperkt. De nadruk had tot dan gelegen op handhaving van het handelsbelang. Als adjudant verbleef Van den Bosch in de nabijheid van de opeenvolgende gouverneurs-generaal en was hij nauw betrokken bij het begin van de overgang van handelskolonialisme naar territoriale koloniale expansie. Zijn kennis hierover publiceerde hij in de Atlas der overzeesche bezittingen van zijne majesteit den koning der Nederlanden: aan hoogst den zelven aangeboden (Den Haag 1817), die behoorde bij zijn grote, tweedelige overzichtswerk Nederlandsche bezittingen in Azia, Amerika en Afrika, in derzelver toestand en aangelegenheid voor dit rijk, wijsgeerig, staatshuishoudkundig en geographisch beschouwd, met bijvoeging der noodige tabellen, en eenen atlas nieuwe kaarten (Den Haag 1818). In zijn vrije tijd wijdde Van den Bosch zich bovendien aan daadwerkelijke drainage en landontginning in de ommelanden van Batavia met inzet van slaven en vrije boeren. In 1808 raakte hij in conflict met de nieuwe gouverneur-generaal H.W. Daendels. Hij kreeg eervol ontslag uit de dienst met de rang van kolonel, legde zich toe op zijn landerijen, maar in 1810 stuurde Daendels hem met zijn gezin terug naar Europa. Onderweg namen de Engelsen hem gevangen. In 1813, nog voor de bevrijding van de Fransen, was hij echter al terug in Nederland. Tussen 1813 en 1815 maakte hij zich daar verdienstelijk bij de vestiging van het gezag van koning Willem I, met wie hij de volgende kwart eeuw doortastend zou samenwerken bij de opbouw van Nederland als moderne Europese en koloniale natie. Hij steeg verder in militaire rang en bracht het tot generaal-majoor. Maar in 1819 werd hij op eigen verzoek op non-actief gesteld, teneinde zijn plannen met de in 1818 opgerichte Maatschappij van Weldadigheid te kunnen uitvoeren. De oprichting van de Maatschappij geschiedde door een select gezelschap onder auspiciën van prins Frederik, de zoon van de koning. Van den Bosch bracht de bedoelingen ervan onder woorden in de brochure Verhandeling over de mogelijkheid, de beste wijze van invoering en de belangrijkste voordelen eener algemeene armeninrigting in het rijk der Nederlanden, door het vestigen eener landbouwende kolonie in deszelfs Noordelijke gedeelte (Amsterdam 1818). Hij wees op het gevaar dat de (kerkelijke) bedeling een groeiende groep armen afhield van arbeid, terwijl arbeid het enige middel was om armoede te bestrijden. Landarbeid was daarvoor in het bijzonder geschikt en met ontginning van de 'woeste' gronden in Drenthe zouden twee vliegen in één klap geslagen worden. De armen leerden gedisciplineerd voor zichzelf te zorgen en het Nederlandse landbouwareaal nam in omvang toe. Aan dit koloniale ideaal werd, in navolging van de onderwijspedagoog J.H. Pestalozzi, een opvoedingsstrategie voor verweesde of gederailleerde jeugd verbonden, gericht op contact met 'de akker' en met buitenlucht. Lichamelijke oefening gold als voorwaarde voor een evenwichtige geestelijke ontwikkeing. De Maatschappij van Weldadigheid stichtte in Drenthe de 'vrije' koloniën Frederiksoord, Willemsoord en Wilhelminaoord en de gestichten Ommerschans en Veenhuizen. Vele steden werkten mee aan het onderbrengen van 'hun' armen. Ondanks alle idealen is er weinig terecht gekomen van Van den Bosch' uitgangspunt van verheffing van de armen door hen op te voeden tot arbeidzame boeren. Zij die een boerenbedrijf toegewezen kregen, begonnen met een enorme schuld aan de Maatschappij, die ze geacht werden met hun eigen landbouwopbrengsten gaandeweg in te lossen, tot ze vrije boer zouden zijn. Het lukte maar weinigen om uit de spiraal van schulden, betutteling, gedwongen winkelnering, degradatie en straf te ontsnappen. Van den Bosch had zijn militaire contacten en nauwe relatie met de koning gebruikt om middels fondsenwerving onder particulieren een draagvlak te realiseren voor het opzetten van de koloniën. De Maatschappij gaf een blad uit, De Star, en stelde in tal van steden commissies in met leden, honorair leden en corresponderende leden, die geld bijeenbrachten ter ondersteuning van de koloniën. Ook vanuit de Oost en de West meldden zich contribuanten aan. De betere kringen beschouwden steun aan het initiatief als een concrete bijdrage aan de opbouw van Nederland, dat na de Franse bezetting voor het eerst een eenheidsstaat vormde. Maar er was van meet af aan ook kritiek. Isaac da Costa fulmineerde in zijn Bezwaren tegen de geest van de eeuw (1823) tegen particuliere 'weldadigheid' buiten kerkelijke kaders: 'voor vijftig of zestig stuivers 's jaars kan ieder, die maar wil, een weldadig en verlicht menschenvriend heeten, en niemand aarzelt een zoo fraaien koop te sluiten'. Ook uit meer verlichte hoek kwamen bezwaren. Van den Bosch maakte zich geen illusies over de geneigdheid van mensen tot hard werken en baseerde het dagelijks regime in de koloniën en gestichten op discipline en tucht: 'Ik meen te mogen aannemen dat de grondslag van allen arbeid, boven en behalve dien welken de onmiddellijke vervulling der dierlijke behoeften vordert, het gevolg is van dwang', stelde hij in 1829. Die dwang ging de utopisch socialist Robert Owen, geïnteresseerd in het experiment van de landbouwkoloniën met het oog op eigen Quaker-nederzettingen in Amerika, te ver. 'De generaal schijnt over zeer onbeperkte macht te beschikken', schreef hij tijdens een studiereis in 1824 over Van den Bosch. Hij prees echter diens betrokkenheid bij het ideaal van verheffing der armen en deelde diens uitgangspunt dat verbetering van de fysieke toestand van de armen een voorwaarde was voor mentale en morele verbetering. Van den Bosch heeft zich alleen in de beginjaren met hart en ziel aan dit project kunnen wijden. Hij vestigde zich in Frederiksoord en werkte hard aan de realisatie van de koloniën zonder de overzeese koloniën uit het oog te verliezen. In 1825 werd hij buitengewoon lid van de Commissie tot de Zaken der Protestantsche Kerk in Nêerlands Oost- en West-Indië.
      In 1827 haalde de koning Van den Bosch weg bij de Maatschappij van Weldadigheid, teneinde als commissaris-generaal de bestuurlijke controle vanuit Nederland over Suriname en de Nederlandse Antillen te herstellen. In december 1827 arriveerde Van den Bosch op Curaçao. Na een tocht langs de andere eilanden kwam hij in april 1828 in Suriname aan. In augustus 1828 voer hij terug naar Nederland. In die acht maanden nam hij een aantal (weinig effectief gebleken) initiatieven inzake de handel en het bankwezen, gericht op vergroting van de economische bedrijvigheid en armslag van de koloniën. Het belangrijkst waren zijn pogingen in te grijpen in de verlopen bestuurlijke en sociale verhoudingen in Suriname, waarbij de kwestie van slavernij een voorname rol speelde. Van den Bosch had in 1818 in zijn Nederlandse bezittingen betoogd dat het verbod op slavenhandel een gunstig effect zou hebben op de levensomstandigheden van slaven, doordat men voorzichtiger met hen zou zijn, hen minder wreed zou behandelen en minder zwaar zou belasten. Ook zag hij een economisch gunstig effect. Om orde op zaken te kunnen stellen introduceerde Van den Bosch in juli 1828 in Suriname een 137 artikelen tellend Reglement op het beleid der regeering van de Nederlandsch West-Indische bezittingen (gedateerd 21 juli 1828). Het reglement verbond het bestuur van de kolonie expliciet aan de Nederlandse grondwet, stipuleerde gelijke burgerrechten voor alle vrijen, ongeacht godsdienst of kleur (artikel 116) en stelde dat de in Nederland geldende verordeningen over het armenwezen, onderwijs en kerkelijke zaken ook in de West-Indische bezittingen vorm moesten krijgen (artikel 111). Ten aanzien van het stelsel van slavernij als zodanig nam Van den Bosch een gematigd standpunt in, al greep hij het reglement aan om ook de positie van de slaven te verbeteren. Zo werd in artikel 117 bepaald dat slaven 'in rechten' niet langer als zaken zouden worden beschouwd maar als personen. Als mens verhielden slaven zich tot hun eigenaars als een onmondige tot een curator / voogd, die gemachtigd was vaderlijke tucht uit te oefenen. De overheid werd geacht misbruik en mishandeling van slaven tegen te gaan en de eigenaars hadden de plicht hun voeding, kleding en werktijden te verbeteren (artikelen 115 en 118). Zij kon echter niet verhinderen dat onwillige planters artikel 117 in 1832 weer afschaften. Van den Bosch' reglement werd geformuleerd in een periode, waarin vooral in Engeland de slavernij onder toenemende openbare kritiek kwam te staan. Daarbij kritiseerden J.G. Stedman en later C.E. Lefroy ook het gedrag van de slavenhoudende en bestuurlijke elite in Suriname. Van den Bosch aanvaardde het beschermheerschap van een Surinaamse Maatschappij van Weldadigheid, een initiatief uit kringen van de middenstand, kleurlingen en joden, die geen toegang tot die elite hadden. Het belangrijkste resultaat dat Van den Bosch in Suriname wist te bereiken was de oprichting, tijdens zijn aanwezigheid in Paramaribo in 1828, van een Maatschappij ter Bevordering van het Godsdienstig Onderwijs onder de Slaven en Kleurlingen in de Colonie Suriname. In de praktijk betekende dit initiatief een effectieve strategie om de zwakke stemmen in Nederland vóór afschaffing van de slavernij tot zwijgen te brengen met een beroep op kerstening als voorwaarde voor emancipatie. Het politieke klimaat in Nederland veroorzaakte voor de slaven van Suriname en de Antillen een status quo, waarbij emancipatie naar een verre toekomst werd geschoven. De Maatschappij ter Bevordering van het Godsdienstig Onderwijs kreeg in 1829 een pendant in Nederland (in de wandeling de Haagsche Maatschappij genoemd), die qua organisatiestructuur sterk geleek op de Maatschappij van Weldadigheid. In tal van steden werd geld ingezameld onder vaste donateurs (vaak dezelfde mensen), die zich tevens konden abonneren op Berichten uit de Heidenwereld.
      Net terug in Nederland benoemde de koning Van den Bosch nog in 1828 als gouverneur-generaal van Nederlandsch-Indië. Daar richtte Van den Bosch vanaf 1830 zijn beleid voor de derde keer in zijn loopbaan op de landbouwproduktie. De paternalistische dwang die ten grondslag lag aan de verkassing van armen en bedelaars uit de steden naar de landbouwkoloniën in Drenthe, verkeerde op Java in een stelsel van pure uitbuiting, ingegeven door een abstract staatsbelang en mogelijk ook door zijn persoonlijke ervaringen als grootgrondbezitter op Java. Nadat zijn bevoegdheden in 1833 door zijn benoeming als commissaris-generaal waren uitgebreid, slaagde hij er in korte tijd in om de koloniale begroting sluitend te maken door de invoering van het zogenoemde cultuurstelsel. Dit verplichtte de Javaanse boeren om een vijfde deel van hun landbouwgronden te bebouwen met exportgewassen, zoals koffie, suiker en indigo. In eerste instantie presenteerde Van den Bosch dit als voordelig voor zowel Nederland als de betrokken boeren, omdat in ruil voor de leveranties de grondrente zou worden afgeschaft. In de praktijk gebeurde dat laatste echter niet en werd het toezicht op de verplichte leveringen zo georganiseerd dat de boeren onder steeds grotere produktiedwang kwamen te staan. Van den Bosch combineerde de invoering van het cultuurstelsel met een doelgericht beleid ter bevordering van de fabrieksmatige katoenproduktie in Oost-Nederland, die mede tot doel had nieuwe werkgelegenheid te scheppen voor de groeiende onderklasse in de steden. Terug in Nederland, waar hij in 1834 minister van Koloniën werd, stelde hij steeds hogere eisen aan de financiële resultaten van Nederlandsch-Indië. Het beleid van Van den Bosch in Nederland, Suriname en Nederlandsch-Indië had telkens weer direct invloed op de levensomstandigheden van de meest kwetsbare groepen van de bevolking: van paupers in Hollandse steden, slaven op Surinaamse plantages en boeren in de Javaanse desa's. Het ging hem daarbij niet zozeer om individuele lotsverbetering, maar hij relateerde de belangen van deze naamloze massa's steeds aan het particuliere economische initiatief en het staatsbelang. Op het hoogtepunt van zijn loopbaan ging dat laatste voor hem zwaarder wegen dan de belangen van de landarbeiders en slaven. In 1839 accepteerde de Kamer niet langer de ondoorzichtigheid in het leningenbeleid tussen de overheid en de Nederlandsche Handel-Maatschappij, waarbij miljoenen uit de koloniale winsten heen en weer werden geschoven. Van den Bosch aanvaardde de verantwoordelijkheid en trad af als minister. In zijn laatste redevoering als minister verklaarde hij: 'Doet de bronnen van den kolonialen bloei opdroogen, en de welvaart van ons vaderland verschroeit, onze scheepvaart, onze thans zo bloeiende handel zinken in het niet terug, en vele voorname takken van ons volksbestaan gaan teniet'. Hij stond toen al ver af van zijn oorspronkelijk engagement bij verbetering van de landbouw als tweesnijdend zwaard dat zowel de omgeschoolde pauper als de natie ten goede kwam. In 1842 keerde hij terug als lid van de Tweede Kamer namens Zuid-Holland. Na een korte ziekte overleed hij in januari 1844. De herinnering aan Johannes van den Bosch als oprichter van de Maatschappij van Weldadigheid wordt levend gehouden in het hedendaagse bezoekerscentrum in Frederiksoord, waar computers toegang geven tot een database die de vele kolonisten van de Maatschappij van Weldadigheid met naam en toenaam traceerbaar maakt in archieven. Die archief-erfenis is een kenmerk van de grote projecten van Van den Bosch in Nederland, in de Oost (de boekhouding van het cultuurstelsel) en in de West (slavenregisters).

      ARCHIEF: Persoonsarchief J. van den Bosch in Algemeen Rijksarchief , Tweede Afdeling (Den Haag).

      PUBLIKATIES: Brief, inhoudende eenige onpartijdige aanmerkingen, op eene memorie, onlangs in het licht verschenen, onder den titel van: Staat der Nederlandsche Oostindische bezittingen, onder het bestuur van den gouverneur generaal Herman Willem Daendels, ridder, luitenant-generaal, &c. in den jaren 1808-1811 (Den Haag 1815); De la Colonie de Frederiks-oord et de ses moyens de subvenir aux besoins de l'indigence par le defrichement des terres vagues et incultes (Gent 1821); Algemeen verslag wegens den staat der Maatschappij van Weldadigheid, harer kolonien, enz. (Den Haag 1827); Iets over de financiële aangelegenheden van het rijk (Den Haag 1840); Onderzoek naar de beginselen, waaraan de bezuinigingen en hoogere belastingen, aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal voor 1844 en 1845 voorgedragen, behooren getoetst te worden, en naar doelmatige middelen, die deze zouden kunnen vervangen (Den Haag 1843); Vervolg van het onderzoek naar de beginselen, waaraan de bezuinigingen en hoogere belastingen, aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal voor 1844 en 1845 voorgedragen, behooren getoetst te worden, en naar doelmatige middelen, die deze zouden kunnen vervangen (Den Haag 1843); Tweede vervolg van het onderzoek naar de beginselen, waaraan de bezuinigingen en hoogere belastingen behooren getoetst te worden, en naar doelmatige middelen, die deze zouden kunnen vervangen (Den Haag 1844); Mijne verrigtingen in Indië. Verslag over 1830-1833, waarin de grondslagen en eerste uitkomsten van het kultuurstelsel vergeleken worden met de vroeger gevolgde regeringsbeginselen, enz. (Amsterdam 1864); B. de Gaay Fortman (red.), Brieven van den commissaris-generaal voor de (Nederlandsche) West-Indische bezittingen, J. van den Bosch, aan den minister voor de marine en de kolonien (1827-1829) (Utrecht 1930); J.J. Westendorp Boerma (red.), Briefwisseling tussen J. van den Bosch en J.C. Baud, 1829-1832 en 1834-1836 (Utrecht 1956) 2 delen; F.C. Gerretson, W.Ph. Coolhaas (red.), Particuliere briefwisseling tussen J. van den Bosch en D.J. de Eerens, 1834-1840, en enige daarop betrekking hebbende andere stukken (Groningen 1960); G.J.W. de Jongh, Beschrijving van een verzameling stukken afkomstig van Johannes van den Bosch en enige van zijn nakomelingen (Den Haag 1968); H. Peschar, Aanvulling op de inventaris van een verzameling stukken afkomstig van Johannes van den Bosch en enige van zijn nakomelingen (Den Haag 1977).


Home Page |  What's New |  Most Wanted |  Surnames |  Photos |  Histories |  Documents |  Cemeteries |  Places |  Dates |  Reports |  Sources