Jhr. Mr. James Loudon

Jhr. Mr. James Loudon

Male 1824 - 1900  (75 years)    Has 9 ancestors and 12 descendants in this family tree.

Personal Information    |    Media    |    Notes    |    Event Map    |    All

  • Name James Loudon 
    Prefix Jhr. Mr. 
    Born 8 Jun 1824  's-Gravenhage, ZH, NL Find all individuals with events at this location 
    Gender Male 
    Died 31 May 1900  's-Gravenhage, ZH, NL Find all individuals with events at this location 
    Person ID I410249  Geneagraphie
    Last Modified 21 Feb 2007 

    Father Alexander Loudon,   b. 20 Nov 1789, Tannadice Find all individuals with events at this location,   d. 1839  (Age 49 years) 
    Mother Susanna Gaspardina Valck,   b. 10 Apr 1801, Kampen, Ov, NL Find all individuals with events at this location,   d. 1828  (Age 26 years) 
    Siblings 4 siblings 
    Family ID F163142  Group Sheet  |  Family Chart

    Family Jkvr. Louise Wilhelmine Françoise Felicite de Stuers,   b. 21 Jun 1835, Arnhem, Gld, NL Find all individuals with events at this location,   d. Yes, date unknown 
    Married 1850 
    Children 
    +1. Hugo Loudon,   b. 18 Jun 1860, 's-Gravenhage, ZH, NL Find all individuals with events at this location,   d. 06 Sep 1941, 's-Gravenhage, ZH, NL Find all individuals with events at this location  (Age 81 years)
     2. Jhr. Dr. John Loudon, Minister van buitenlandse zaken,   b. 18 Mar 1866, 's-Gravenhage, ZH, NL Find all individuals with events at this location,   d. 11 Nov 1955, Wassenaar, ZH, NL Find all individuals with events at this location  (Age 89 years)
    Last Modified 8 Dec 2002 
    Family ID F163141  Group Sheet  |  Family Chart

  • Event Map Click to display
    Link to Google MapsBorn - 8 Jun 1824 - 's-Gravenhage, ZH, NL Link to Google Earth
    Link to Google MapsDied - 31 May 1900 - 's-Gravenhage, ZH, NL Link to Google Earth
     = Link to Google Earth 
    Pin Legend  : Address       : Location       : City/Town       : County/Shire       : State/Province       : Country       : Not Set

  • Photos
    410249.jpg
    410249.jpg

  • Notes 
    • Jonkheer Loudon vanaf 18 feb 1884
      - advocaat en procureur bij de Hoge Gerechtshoven in Nederlands-Indië te Batavia, van 2 november 1846 tot 22 januari 1848
      - ambtenaar eerste klasse, vanaf 22 januari 1848
      - hield zich bezig met reizen en het beheer van industriële ondernemingen, van 1852 tot 1854
      - secretaris bij de gouvernements-commissaris tot het ontwerpen en voorstellen van wettelijke bepalingen in de buitengewesten, van 18 februari 1854 tot 22 december 1854
      - referendaris ter Algemeene Secretarie van Nederlands-Indië te Batavia, van 22 december 1854 tot 3 februari 1857
      - verlof in Nederland, vanaf 1857
      - ambtenaar ministerie van Koloniën, van 13 mei 1858 tot 28 mei 1859
      - fungerend secretaris-generaal ministerie van Koloniën, van 28 mei 1859 tot 14 maart 1861
      - minister van Koloniën, van 14 maart 1861 tot 31 januari 1862; benoeming bij K.B. van 12-03-1861
      - Commissaris des Konings in Zuid-Holland, van 1 maart 1862 tot 1 november 1871; benoeming bij K.B. van 11-02-1862
      - Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië, van 1 januari 1872 tot 26 maart 1875; benoeming bij K.B. van 04-05-1871, ontslag bij K.B. van 17-12-1874
      - Benoemde in 1861 de liberaal Sloet van de Beele tot Gouverneur-Generaal
      - Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, 26 december 1860
      - Commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw, 5 januari 1862
      - Grootofficier in de Orde van de Eikenkroon, 5 februari 1868
      - Grootkruis Orde van de Eikenkroon, 6 mei 1871
      - Ridder eerste klasse Orde van de Gouden Leeuw van het Huis van Nassau, 2 mei 1879

      bevorderde exploitatie van bossen en ontginning delfstoffen, en gaf concessies voor de aanleg van spoorlijnen. Hij ondertekende de oorlogsverklaring aan Atjeh. Verder voerde hij wijzigingen door op het gebied van bestuur, onderwijs, rechtspraak en geneeskunde.

      belandde in 1832 ook op Java en groeide op in Djokjakarta.
      Aangezien James' moeder al in 1828 was overleden ging het niet zo goed met de opvoeding daar in Djokjakarta. En dus werd James in 1837 weer teruggezonden, nu naar Zutphen. Na Zutphen studeerde James in Leiden. In 1839 overleed de op Java rijk geworden vader Loudon en het beheer van de erfenis kwam in handen van de Minister van Koloniën Baud, een huisvriend van de Loudons. (zie De Nederlandse expansie op Sumatra : op weg naar Atjeh... ) Door het kontakt met Baud was James dus al jong op de hoogte van alle "ins en outs" over Indië, wat hem op latere leeftijd zeer goed van pas kwam.
      Maar de erfenis raakte op daar in Leiden en op advies van Baud reisde James in 1846 weer naar Indië, onderweg verveelde hij zich vreselijk, maar gelukkig werd hij onder de hoede genomen van de toekomstige president van het Indische Hooggerechtshof, ook niet slecht voor zijn netwerk. Door al zijn relaties lukte het hem zelfs om ontvangen te worden door de Gouverneur-Generaal Rochussen, de Groote Heer oftewel Toean Bezaar. James werd advocaat. Zijn broer stichtte een suikerfabriek met de (toen James GG was (!), de latere Minister van Koloniën) Isaac Fransen van der Putte.
      Bij ziekte van Isaac moest James vervangen en dus allerlei werkzaamheden doen, waar hij letterlijk vuile handen van kreeg. Niets voor die al arrogante James die zich dus ver verheven voelde boven Isaac. Financieel leverde het werk op de suikerfabriek Isaac echter veel meer op dan James' werk als advocaat in Batavia en dat was natuurlijk niet bevoordelijk voor het image van Isaac bij James, Volgens James was Isaac dus een parvenu! En zo zou hij altijd over hem blijven denken en naar handelen, James vond zichzelf veel intelligenter dan zijn latere baas Isaac Fransen van der Putte.
      In de jaren 1850 treedt James in dienst van het Gouvernement. Hij miste wel een aantal diploma's, maar het netwerk van de gerenommeerde familie Loudon was machtiger. Hij treedt zelfs in het huwelijk met de dochter van de legercommandant. Helaas voor James : zijn vrouw moet voor haar gezondheid terug naar Den Haag en uiteindelijk belandt James weer op een goede positie op het Ministerie van Koloniën, want na 1 jaar wordt hij al benoemd tot Secretaris-Generaal ! Net als bij Fransen van der Putte was James weer zeer laatdunkend over zijn huidige baas, de Minister van Koloniën Rochussen.
      Zowel James als Rochussen hadden een aantal karaktertrekken gemeen : beiden waren zeer ijdel, maar ook zeer eigenwijs. James ging steeds meer zijn eigen weg, kritiek op zijn besluiten, ook van Rochussen, legde hij naast zich neer, hij wist er nu eenmaal meer van, aldus James. Volgens James leidde hij het Ministerie en niet de Minister, een houding die hij later ook aannam als Gouverneur-Generaal t.o.v. zijn "baas", de Minister van Koloniën !
      Rochussen werd ontslagen en James werd gevraagd hem op te volgend, wat hij, heel slim, weigerde, want het kabinet had niet lang meer te gaan.... In het nieuwe kabinet werd James dus wel Minister van Koloniën, maar nu, helaas voor de eerzuchtige James, viel dit kabinet binnen 1 jaar uit elkaar, ruzies in de Ministerraad....
      Tijdens zijn 1-jarig Ministerschap nam James ( pas 36 jaar ) allerlei vergaande besluiten, zoals je van hem kon verwachten. Waar het omging was wie de bevoegdheid had tot het opstellen van de Indische Begroting en wie was baas over wie, James wist niet van wijken en drukte zijn mening door. De Minister van Buitenlandse Zaken, een schoonzoon van Rochussen, moest wijken voor James en trad af. Ook in de relatie tot Koning Willem III, ook een heethoofd, trad James niet altijd taktvol op. Volgens Willem was hij door James uitgemaakt voor leugenaar : "De Koning begon te snuiven en te blazen van woede. Hij schreeuwde zo hard dat men hem (Willem) op straat kon horen schreeuwen" Maar James, we kennen hem nu wel, hield voet bij stuk en zelfs Willem III moest toegeven. James was diep beledigd door de behandeling van de Koning en vroeg ontslag aan, wat hij later wel weer introk.
      Bij het eerstvolgende kabinet had James er genoeg van, hij weigerde zeer arrogant om weer Minister van Koloniën te worden en weigerde zelfs de post van Minister van Buitenlandse Zaken,weliswaar een veel minder belangrijker post, maar het karakteriseert James ten voeten uit. Tot ieders verbazing werd de 37-jarige James vervolgens benoemd tot Commissaris van de Koning in Zuid-Holland ! Dankzij de vriendschap met Thorbecke hield James het zelfs 10 jaar vol !
      Tijdens zijn Commissariaat had James alle tijd voor het opstellen van voorschriften hoe men hem moest benaderen, goede en overdreven korrekte omgangsvormen, daar draaide het om, aldus James, het zou hem later als Gouverneur-Generaal opbreken... James had zijn zinnen gezet op de post van Gouverneur-Generaal, maar net toen Thorbecke hem wilde voordragen, liet de nieuwe Minister van Koloniën Isaac Fransen van der Putte het kabinet vallen. Niet goed voor het al slechte beeld van James voor zijn rivaal (aldus James) Fransen van der Putte ! De volgende Minister van Koloniën De Waal ( zie Een historische herfst wandeling in 1869 in het Haagse Bos ) bood hem eerst nog de post van vice-president van de Raad van Indië aan, maar James ging hier vanzelfsprekend niet op in, het wachten was op zijn hoofdprijs. Zijn geduld werd, dankzij Thorbecke, beloond : op 4 mei 1871 werd James Loudon benoemd tot Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië. Zelfs Willem III vond het een goede keuze, eindelijk iemand die beslissingen durfde te nemen en ze ook doorduwde. Hadden zowel Thorbecke als Willem III geweten, welke ongelukkige besluiten James Loudon nagenoeg eigenmachtig zou nemen : Tjelaka, rampspoed, zou Indië ten deel vallen.Als een koning reisde James naar de Oost, hij reisde zelfs per Franse mailboot door het net geopende Suezkanaal, om al die, toen al lastige journalisten, te slim af te zijn, want die voeren natuurlijk altijd mee met een nieuwe GG en natuurlijk vooral met James Loudon, de nieuwe daadkrachtige GG.
      Een krant noemde hem zelfs bij voorbaat : 'den Max Havelaar op den Buitenzorgschen Troon'
      Loudon voelde zich zeer gevleid !
      Op 1 januari 1872 arriveert James Loudon in de haven van Batavia (de Kleine Boom) en neemt zijn intrek in Buitenzorg.
      Slechts 1 keer per maand onderneemt Loudon, met grote tegenzin, de treinreis naar Batavia. Afstand houden, niet alleen vanzelfsprekend tot de 'inlanders' , maar ook tot zijn eigen ambtenaren : in de ogen van Loudon is hij de Koning van Nederlands-Indië : men komt naar hem voor een audiëntie en graag steekt hij dan een monoloog af en gaat hierdoor diskussies uit de weg. Een van zijn ambtenaren schrijft : " Het is of wij allen doortrapte intriganten zijn, waarvoor hij niet genoeg op zijn hoede kan wezen" Loudon wenst met het vereiste respect te worden behandeld, zoals hij al had uitgeprobeerd als Commissaris van de Koning in Zuid-Holland!
      Van oudsher hadden de opeenvolgende Gouverneurs-Generaal, t.gv. de slechte communicatie met Den Haag, (een antwoord op een brief via Kaap de Goede Hoop.......) in heel veel zaken zich zeer zelfstandig opgesteld. Door de komst van de telegraaf, de stoomboot en, last but not least, de opening van het Suez kanaal probeerde ook Loudon als Minister van Koloniën meer grip te krijgen op de besluitvorming in en over Indië en dan natuurlijk vooral de financiële besluitvorming : wie is verantwoordelijk voor de Indische begroting : Batavia of Den Haag. Loudon als Gouverneur-Generaal week echter niet af van de manier van regeren van zijn voorgangers, ondanks het feit dat hij daar als Minister van Koloniën sterk op had aangedrongen. Net als veel van zijn voorgangers voelde ook en vooral Loudon zich de Koning van Indië, heimelijk had ook hij ongetwijfeld bewondering voor James Brooke die er in slaagde op Noord Borneo zich in 1841 te laten benoemen tot radja van Sarawak geheel onafhankelijk van Groot-Brittannië ( zie De Nederlandse expansie op Sumatra : op weg naar Atjeh... )
      In de eerste brieven naar zijn baas Fransen van der Putte (zie De mening van Multatuli over de Minister van Koloniën Fransen van der Putte (1822-1902) ) laat hij weten dat hij hoopt 'dat onze omgang opregt vriendelijk en loyaal zal zijn' Hij verzoekt ook 'ieders zelfstandigheid te eerbiedigen' (!) en verzoekt ook vriendelijk dat de beleefde omgangsvormen waar hij zo opstaat niet zullen worden verwaarloosd. Over Atjeh schrijft Loudon dat een onafhankelijk Atjeh een blijvende bedreiging vormt voor het Nederlandse gezag op Sumatra, dat vond hij al als Minister van Koloniën en hij werd hierin gesterkt door het in november 1871 afgesloten Sumatra tractaat. ( zie Een historische herfst wandeling in 1869 in het Haagse Bos ) In 1873 nam Loudon dan ook een vergaand besluit t.o.v. Atjeh, Den Haag werd weliswaar geinformeerd, maar kon er alleen nog maar mee in stemmen, want de eerste Nederlandse agressie oorlog tegen Atjeh was al door Loudon begonnen. Volgens Loudon had hij immers de bevoegdheid en de middelen om dit besluit te nemen. Zo was hij immers gewend te werken ?


      Proces-verbaal der buitengewone vergadering van
      den Raad van Indie op Zondag 20 April 1873.
      Tegenwoordig : Zijne Excellentie de Gouverneur-Generaal van Nederlandsch Indie, mr. J. Loudon, Voorzitter ; de leden van den Raad van Nederlandsch Indie : mr. W. Rappard, H. M. Andrée Wiltens, mr. T. H. der Kinderen en mr.G.G. van Harenkarspel.
      De vergadering wordt bijgewoond door: Zijne Excellentie den Vice-Admiraal 0. A. Uhlenbeck, Kommandant der Zeemagt en Chef van het Departement der Marine, Zijne Excellentie den luitenant-generaal N. H. W. S. Whitton, Kommandant van het leger en Chef van het Departement van Oorlog in Nederlandsch Indie, en den generaal-majoor G. M. Verspijck; en bijgestaan door den algemeenen-secretaris mr. H. D. Levyssohn Norman.
      De vergadering wordt geopend door den voorzitter met de mededeeling dat hij deze bijeenkomst belegd heeft ter bespreking der ongunstige berigten, weinige uren te voren van den Gouvernements-Commissaris voor Atjeh ontvangen.
      Hij doet daarop voorlezing van het telegram van den Commissaris dd. 17 April jl. met het bijbehoorend proces-verbaal van eene op dien dag gehouden vergadering van hem Gouvernements Commissaris, den opperbevelhebber kolonel van Daalen, den bevelhebber der maritieme middelen den kapitein ter zee Koopman, en den chef vanden staf bij de expeditie den kolonel Egter van Wissekerke; luidende een en ander als volgt :

      a. Berigt van den Gouvernements-Commissaris.
      Opperbevelhebber vermeent dat bij de goed gewapende en versterkte overmagt des vijands van een langer voortzetten onzer onderneming niets anders is te wachten dan een geleidelijk wegsmelten onzer troepen, vooreerst alleen door de wapenen des vijands, maar verder ook door ziekten ten gevolge van aanhoudende vermoeijenissen en ontberingen. Gesteld dat twee bataillons ter versterking worden gezonden, zou één daarvan alleen reeds noodig zijn tot aanvulling der geleden verliezen, en het andere geen genoegzame krachtsvermeerdering opleveren. De vijand verzet, verdedigt zich met ongeëvenaarden moed en standvastigheid, wordt gestadig door nieuwen toevoer van volk aangevuld, en beschikt daarbij over tal van zeer sterke werken. Willen wij Atjeh nemen, dan achten de militaire autoriteiten thans, nu zij eenmaal eenige kennis van wezenlijken toestand opdeden, daartoe geheel andere magtsontwikkeling dan de tegenwoordige noodig. Men moet er dan niet tegen behoeven op te zien om des noods een geheel bataillon aan een storm op te offeren. Dit en verdere motieven, aangevoerd in eene conferentie waarvan proces-verbaal is opgemaakt dat tegelijk met dit telegram wordt overgeseind, heeft den opperbevelhebber bewogen mij een terugtrekken van hier voor te stellen. Ik heb mij niet bevoegd geacht daarin te treden zonder daaromtrent eerst de bevelen van Uwe Exellentie te hebben vernomen. Ik veroorloof mij die thans in te roepen, daarbij aanteekenende dat voorschreven stap volgens mijne meening ons prestige gevoelig zal schokken, niet alleen hier maar in den geheelen archipel, terwijl zoo wij hier na verloop van eenige maanden met eene expeditie van bij voorbeeld tien bataillons terugkeeren, de vijand inmiddels gelegenheid zal hebben gehad zich verder te versterken en welligt ook om zich van de thans ontbrekende wapens van latere vinding te voorzien, als getrokken kanonnen, achterladers enz. Na al hetgeen ik in bovenbedoelde conferentie moest vernemen, kan ik intusschen niet ontkennen dat onze tegenwoordige positie langer onhoudbaar is en geen halve maatregelen kunnen strekken om daarin gewenschte verandering te brengen. De stoomer Telegraaf, die dit telegram overbrengt, wacht te Pinang op Uwer Exellentie's beslissing.
      Soerabaija, Atjeh, 17 April 1873. Gouvernements-Commissaris, Nieuwenhuyzen.

      b. Proces-verbaal van den krijgsraad.
      Des voormiddags te 10 ure van den 17den April 1873 waren aan boord van Zr. Ms. raderstoomschip Soerabaija vergaderd de Gouvernements-Commissaris voor Atjeh, de heer Nieuwenhuyzen, de opperbevelhebber der land- en zeemagt bij de expeditie tegen het rijk van Atjeh, de kolonel der infanterie Van Daalen, de bevelhebber der maritieme middelen in de wateren van Atjeh, de kapitein ter zee Koopman, adjudant des Konings in buitengewone dienst, de chef van den staf bij voormelde expeditie de kolonel bij het wapen der genie Egter van Wissekerke, terwijl de adjudant van den opperbevel-hebber en van den bevelhebber der maritieme middelen, de luitenants ter zee der 1ste klasse Marinkelle en Berends en de secretaris van den Gouvernements-Commissaris, Canter-Visscher, de vergadering bijwoonden. De vergadering wordt ingeleid door den opperbevel-hebber, den kolonel van Daalen voornoemd, met eene verwijzing tot het geringe succes dat bij zijne aanvaarding van het opperkommando op 14 April jl. van de krijgsoperatiën was verkregen en met eene korte mededeeling van hetgeen sedert door de troepenmagt is verrigt. Den 15den April was namelijk eene verkenning uit de genomen missigit in eene zijwaartsche rigting van den kraton des Sultans gedaan, ten einde te beproeven of de voor-gelegen benting niet kon worden omgetrokken. Daarbij werden de troepen hevig door den vijand bestookt en kwam men tevens tot de overtuiging dat het terrein, waarop men zich bewegen moest, voor de troepen zoo goed als onbegaanbaar was. Dientengevolge meende men de aangevangen operatiën door een aanval op bedoelde benting te moeten voortzetten. Daartoe begaf zich in den vroegen morgen van den 16den April het 3de bataillon met het 9de bataillon als reserve op marsch naar de benting, die denkelijk in de rigting van den Kraton gelegen is, terwijl de missigit door de overige troepenmagt bewaakt bleef. Het duurde niet lang of de helft der reserve moest zich bij de voorste troepen aansluiten, zonder dat dit echter tot eenig gunstig gevolg leidde, daar de tegenstand van de zijde des vijands buitengewoon was. Dienvolgens werd na een verlies van ruim l00 dooden en gekwetsten tot de retraite besloten, welke in de beste orde werd volbragt en uitstekend slaagde. In den middag van dien dag werd daarop een krijgsraad belegd, wanrbij de chefs der verschillende korpsen, diensten en staven tegenwoordig waren en de volgende vragen werden gesteld. Eerstens of van een hernieuwden aanval eenig succes te verwachten en of het raadzaam was daartoe over te gaan. Deze vraag werd in verband met de door den vijand aan den dag gelegde krachtsontwikkeling en ingenomen positie en in verband met onze eigene beschikbare strijdmagt eenstemmig ontkennend beantwoord, op grond waarvan door den opperbevelbebber werd besloten niet tot een hernieuwden aanval over te gaan. Tweedens in hoever het, op den voorgrond stellende dat de thans ingenomen positie, welke derhalve niet meer dient tot punt van uitgang voor een aanval op het object (den kraton), verlaten moet worden, overweging verdient nog dienzelfden dag tot de ontruiming over te gaan. Omtrent deze vraag waren de gevoelens verdeeld, hebbende zich twee der aanwezige chefs voor een onverwijld terugtrekken verklaard. Door den opperbevelhebber werd evenwel beslist met het terugtrekken tot den volgenden dag te verwijlen, als wanneer de met de geblesseerden vertrekkende koelies terug zouden gekeerd zijn, zoo mogelijk nog vermeerderd met een honderdtal, ten einde bij het retireeren naar de operatie basis (het strand) niets te behoeven achter te laten. Aan dit terugtrekken is dan ook in den ochtend van den 17den door de gezamenlijke magt in de beste orde gevolg gegeven, en is daarna de opperbevelhebber met den chef van den staf aan boord gekomen ten einde met den Gouvernements-Commissaris te aboucheeren. Na de mededeeling van een en ander, en na van den Gouvernements - Commissaris op de vraag, of de politieke onderhandelingen welligt eene gunstige wending hadden genomen, ten antwoord te hebben bekomen dat van zoodanige onderhandelingen hoegenaamd geen sprake meer is geweest, stelde de opperbevelhebber als zijne meening op den voorgrond, waarin door den chef van den staf geheel werd gedeeld, dat staking der krijgsverrigtingen alleszins wenschelijk is, niet slechts wegens het groote aantal gesneuvelden en gewonden, bedragende dit voor de landmagt alleen reeds ruim 400 man, als vooral ook uit hoofde der feitelijk gebleken onvoldoendheid der middelen waarover op dat oogenblik tegen een overmagtigen en hoogst verwoeden vijand te beschikken valt, terwijl ook dan, wanneer nog zoo spoedig mogelijk versterking mogt kunnen worden gezonden, hiermede in elk geval zooveel tijd zou verloopen, dat het seizoen, hetwelk reeds bij de uitrusting der expeditie als het alleen geschikte werd aangegeven, feitelijk zou zijn verstreken, en men dus de krijgsverrigtingen in het ongunstige seizoen zou moeten op nieuw aanvangen ; voorts mogt zijns inziens niet worden uit het oog verloren dat de voorraad hooi voor de artillerie- en cavaleriepaarden zelfs bij verminderd ration slechts voor een acht hoogstens tien dagen zou kunnen strekken, en volgens verklaring vaa den paardenarts het voeder van gaba en rijst op den duur niet van voldoende gehalte zou zijn. Den ernstigen toestand waarin de troepenmagt zich thans bevindt ten volle beseffende en de hooge beteekenis der door den opperbevelhebber geopperde bezwaren erkennende, meende de Gouvernements-Commissaris evenwel onder de aandacht te moeten brengen welken hoogst ongunstigen indruk eene staking der expeditie en een terugkeer der troepen uit den aard der zaak zouden moeten maken.
      Bij de overweging van dit punt werd de vraag ter sprake gebragt of gedurende den kwaden moesson de reede van Atjeh eene veilige ligplaats voor de schepen zou blijven aanbieden en de gemeenschap van de reede met het strand niet verbroken zou worden. Deze vraag meende de kommandant der maritieme middelen in algemeenen zin ontkennend te moeten beantwoorden; zijns inziens maakt de in de maand April ingevallen kwade moesson het liggen ter genoemde reede aan groote bezwaren onderhevig, met het oog op de hooge zeeën en de hevige branding, welke het behoud van de tegenwoordige ankerplaats nabij het strand niet doenlijk zoude maken, terwijl de buijen uit het noord-westen dikwerf elke gemeenschap met den wal afsluiten. Na deze toelicbting oppert de Gouvernements-Commissaris de vraag of de marine bij magte is om in afwachting der komst eener eventuële tweede expeditie herwaarts Atjeh's kusten met vrucht te bekruisen, ten einde den invoer binnen 'slands van wapens en ammunitie enz. te beletten. Naar het oordeel van den bevelhebber der maritieme middelen zou de kwade moesson de uitoefening der politie ter zee zeer bemoeijelijken, en zouden ook de vaartuigen, in verband met de hierboven genoemde bezwaren van nautischen aard, de kusten niet genoeg kunnen naderen om op afdoende wijze tegen invoer van contrabande te waken. Bovendien werd door gemelden bevelhebber gewezen op den bekenden slechten staat der ketels van Zr. Ms. stoomschepen Djambi, Marnix en Coehoorn, welke het die bodems ondoenlijk maakt steeds stoomklaar te blïjven en het noodige drinkwater te distilleeren, terwijl eindelijk bij gebreke van dat water het heen en weêr stoomen naar en van Pinang, om zich van die levensbehoefte te voorzien, een grooten voorraad steenkolen eischt, welken het onzeker is ter gemelde plaats steeds in genoegzame mate te zullen aantreffen, Alsnu, na al die punten in ernstige beschouwing te hebben genomen, terugkomende op het vraagstuk der al dan niet staking van de ondernomen krijgsverrigtingen en den terugkeer der troepenmagt, gaf de Gouvernements-Commissaris te kennen dat dien-aangaande alleen door de Regering kan worden beslist, waarna door den opperbevelhebber het voorstel werd gedaan om al voort van den tegenwoordigen stand der zaken en van het in overweging genomen vraagpunt aan den Gouverneur-Generaal mededeeling te doen en Zijner Excellentie's welmeenen te vragen hoedanig verder ten deze behoort te worden gehandeld. Daarop telegram vastgesteld, heden morgen per Hornet naar Pinang verzonden. Aldus opgemaakt door Nieuwenhuyzen, van Daalen, Koopman, Egter van Wissekerke.
      Gouvernements-Commissaris Nieuwenhuyzen.

      De Gouverneur-Generaal stelt hierop de vraag, wat in de gegeven omstandigheden te doen valt: de reeds uitgeruste versterking, bestaande in twee bataillons infanterie en eenige artillerie met den bereids aangewezen nieuwen opperbevelhebber, generaal-majoor Verspijck, met den meesten spoed naar Atjeh te doen vertrekken, dan wel gevolg geven aan de eenstemmige inzigten van de vergadering voor Atjeh en de expeditie te doen wederkeeren om haar met de voor een succes onmisbaar blijkende magtsontwikkeling te hervatten in een gunstiger seizoen.
      Van alle zijden wordt op den voorgrond gesteld dat het niet doorzetten der expeditie een zoo treurig uiterste zou zijn, dat niet dan wanneer de omstandigheden dit volstrekt gebieden daartoe mogt besloten worden.
      Doch tevens moest na ernstige overweging der gerezen moeijelijkheden met het diepste leedwezen worden erkend, dat die omstandigheden aanwezig waren ; dat, zooals de Gouvernements-Commissaris dit uitdrukt, de positie onhoudbaar is en geen halve maatregelen dien ten goede kunnen keeren.
      Het eerste, alles afdoende bezwaar was het even vroeg als krachtig doorkomen van het ongunstig seizoen. Met de uitspraak van den kommandant der maritieme middelen, dat weldra de reede van Atjeh geen veilige ligplaats voor schepen meer zal aanbieden en de gemeenschap van de reede met het strand ernstig bedreigd wordt, stemt de Vice-Admiraal Uhlenbeck volmondig in en hij verklaart het in de eerste twee maanden onmogelijk om de gemeenschap met den wal te onderhouden, terwijl daarna de regenmoesson met kracbt intreedt.
      Hij vraagt hoe het mogelijk zal zijn om te voorzien in de voeding van de expeditionaire magt, in den geregelden aanvoer van drinkwater, in het evacuëren der gewonden en in zooveel andere eischen en behoeften, die geen uitstel gedoogen ? De troepen, van alle zijden bestookt door een talrijken vermetelen vijand, zouden alsdan aan onbeschrijfelijke ellende ten prooi zijn ; in één woord er zou niets van teregt komen.
      Ook de Kommandant der Landmagt vindt den toestand hagchelijk.
      Volgens een door hem, staande de vergadering, van den opperbevelhebber ontvangen telegram, is de stemming der troepen gedrukt en zijn alle omstandigheden even ongunstig, met het vooruitzigt van verergering met den dag, al naar mate de slechte moesson in hevigheid toeneemt. Dan zal ook door ziekte, menigeen worden weggemaaid, onder de aanhoudende regens het opereeren uiterst moeijelijk wezen, om nog niet eens te gewagen van de alles afdoende bezwaren door den Vlootvoogd in 't midden gebragt.
      Van welke zijde hij de zaak ook beschouwt, ziet hij voor 't oogenblik geen enkel lichtpunt, en bij volharding niets dan het geheel wegsmelten onzer troepenmagt in 't verschiet.
      De thans ontvangen tijdingen zijn naar zijn oordeel van dien aard, dat hij het zenden van 2 bataillons beschouwt als een halven maatregel, waarvan de uitkomst naar menschelijke berekening niet anders kan zijn dan het lijden van een nieuw, maar veel gevoeliger échec, - een échec dat een vrij wat pijnlijker indruk te weeg brengen, vrij wat ongunstiger terugslag voor ons gezag hebben zou, dan wanneer thans geweken wordt voor de elementen en de expeditie tot een beter jaargetijde uitgesteld. De nu gedane stap is in elk geval niet als een verloren werk te beschouwen; we weten nu dat wij te doen hebben met een onversaagden, tegen ons in den hoogsten graad verbitterden vijand; diens middelen van tegenweer, de omvang zijner strijdkrachten, waar-omtrent wij in volslagen duisternis verkeerden, zijn thans vrij goed bekend geraakt ; met het terrein, de locale gesteldheid is dit evenzeer het geval. Kortom, er is thans op groote schaal eene verkenning gedaan, wier resultaten de basis zullen zijn van alle volgende operatien.
      De Vice-admiraal brengt nog te berde den treurigen toestand onzer maritieme middelen, voor wie bij eene expeditie als deze eene zoo belangrijke rol is weggelegd.
      Ook is de voorraad marine-amunitie, hier te lande aanwezig, te gering om iets van beteekenis te ondernemen.
      De generaal-majoor Verspijck was aanvankelijk van meening dat eene hervatting der agressieve beweging nog wel te beproeven zou zijn, al zette hij ook zelf voorop dat de kansen op succes allerongunstigst stonden.
      Op de vraag echter, door den voorzitter hem met den meesten ernst gedaan, of de luttele kans op succes tegen zoo vele slechte gewaagd mag worden, of hij, zoo hij de verantwoordelijkheid eener beslissing te dragen had, onze brave soldaten aan de mogelijkheid, ja ! waarschijnlijkheid zou durven blootstellen van aan het strand van Atjeh weg te sterven op de droevigste, voor ons prestige meest fatale wijs, geeft de Generaal Verspijckeen bepaald ontkennend antwoord.
      Nu alle militaire en maritieme autoriteiten, zoo voor Atjeh, als in de vergadering aanwezig, om verschillende zeer gewigtige redenen, doch vooral om het ongunstig jaargetijde, hierin overeenstemmen dat dadelijk behoort te worden wedergekeerd, geven ook de leden van den Raad van Nederlandsch-Indie, hoe noode ook, als hun gevoelen achtereenvolgens te kennen, dat niets anders overblijft dan terug te trekken, met alle beschikbare middelen de Atjehsche wateren door onze oorlogstoomers te doen bekruisen en de kust te blokkeeren, en bij de intrede van het gunstige jaargetijde de krijgsbedrijven te lande te hervatten, met zulk eene magt en zoodanig uitgerust, dat eene glansrijke overwinning vooraf zoo goed als verzekerd zij.
      Aan deze eenstemmige zienswijze sluit de Gouverneur-Geueraal zich met volle overtuiging aan, niet slechts uit een oogpunt van goede staatkunde, om namelijk de groote kans te vermijden van eene tweede, in hare gevolgen veel noodlottiger nederlaag,
      maar bovenal uit diep gevoeld besef van wat hij aan onze dappere krijgers verschuldigd is.
      Dezen nutteloos op te offeren, terwijl, naar vertrouwd wordt, eene eervolle retraite nog uitvoerbaar is, ware een daad van onmenschelijkheid, eene Nederlandsche Regering onwaardig ; eene daad, die een veel treuriger weerklank zou hebben, zoo in lezen archipel, als daar buiten, dan van een tijdelijke staking der vijandelijkhelen te lande te verwachten is.
      De Gouverneur-Generaal deelt mede, dat hij nog dienzelfden avond tot den terugkeer der expeditie den Gouvernements-Commissaris zal magtigen ; waarop, na een kort debat over het tijdelijk versterken onzer strijdkrachten in het Gouvernement van Sumatra's West-kust en in de residentie Riouw, de vergadering door den voorzitter gesloten wordt.

      De Gouverneur-Generaal van Nederlandsch lndie,
      (w. g.) J. LOUDON.

      In kennisse van mij,
      De Algemeene Secretaris,
      (w. g.) Levyssohn NORMAN.


Home Page |  What's New |  Most Wanted |  Surnames |  Photos |  Histories |  Documents |  Cemeteries |  Places |  Dates |  Reports |  Sources