Hubert Marie Luns

Hubert Marie Luns

Male 1881 - 1942  (60 years)    Has 8 ancestors and 8 descendants in this family tree.

Personal Information    |    Notes    |    Event Map    |    All

  • Name Hubert Marie Luns 
    Relationshipwith Adam
    Born 6 Jun 1881  Parijs Find all individuals with events at this location 
    Gender Male 
    Died 24 Feb 1942  Amsterdam, NH, NL Find all individuals with events at this location 
    Buried Amsterdam, NH, NL Find all individuals with events at this location 
    Person ID I371528  Geneagraphie
    Last Modified 21 Feb 2007 

    Father Theodorus Bernardus Johannes Luns,   b. 31 May 1847, Amsterdam, NH, NL Find all individuals with events at this location,   d. 4 Oct 1927, Amsterdam, NH, NL Find all individuals with events at this location  (Age 80 years) 
    Mother Elisabeth Maria Johanna Frederika Christina Wilhelmina Wijs,   b. 10 Aug 1853, Amsterdam, NH, NL Find all individuals with events at this location,   d. 6 May 1928, Amsterdam, NH, NL Find all individuals with events at this location  (Age 74 years) 
    Married 24 Jul 1878  's-Gravenhage, ZH, NL Find all individuals with events at this location 
    Siblings 1 sibling 
    Family ID F147162  Group Sheet  |  Family Chart

    Family Harriet Anna Paula Maria Louvrier,   b. 12 Jan 1889, Tongeren Find all individuals with events at this location,   d. Yes, date unknown 
    Married 14 Apr 1909  Etterbeek, Bruxelles Find all individuals with events at this location 
    Children 
     1. Théodore Marie Hubert Luns,   b. 22 Jun 1910, Rotterdam, ZH, NL Find all individuals with events at this location,   d. Yes, date unknown
     2. Joseph Antoine Marie Hubert Luns, Minister van buitenlandse zaken,   b. 28 Aug 1911,   d. 17 Jul 2002, Brussel, Brabant, B Find all individuals with events at this location  (Age 90 years)
     3. Hubertus Franciscus Bernardus Luns,   d. Yes, date unknown
     4. Georges Albert Luns,   d. Yes, date unknown
     5. Franciscus Maria Hubertus Luns,   d. Yes, date unknown
     6. Elisabeth Cornélie Luns,   b. 1 Jul 1928, Amsterdam, NH, NL Find all individuals with events at this location,   d. Yes, date unknown
    Last Modified 6 Feb 2007 
    Family ID F147151  Group Sheet  |  Family Chart

  • Event Map Click to display
    Link to Google MapsMarried - 14 Apr 1909 - Etterbeek, Bruxelles Link to Google Earth
    Link to Google MapsDied - 24 Feb 1942 - Amsterdam, NH, NL Link to Google Earth
    Link to Google MapsBuried - - Amsterdam, NH, NL Link to Google Earth
     = Link to Google Earth 
    Pin Legend  : Address       : Location       : City/Town       : County/Shire       : State/Province       : Country       : Not Set

  • Notes 
    • derde kind

      kunstschilder te Brussel,
      hoogleraar te Amsterdam (1908),
      directeur van de kunstacademie te 's-Hertogenbosch (1918-1923),
      directeur van de Rijksnormaalschool te Amsterdam (1923-1931) en
      hoogleraar aan de T.H. Delft (1931)

      1908 hoofdleeraar aan de Academie voor Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen te Rotterdam
      1923 directeur der Rijksnormaalschool (na de dood van W. B. G. Molkenboer)
      31 Maart 1931 bij Koninklijk Besluit tot hoogleeraar aan de Technische Hoogeschool te Delft als opvolger
      van Prof. A. F. Gips tot docent in het handteekenen en de geschiedenis der schilder- en beeldhouwkunst werd benoemd. Dit
      hoogleeraarschap was de bekroning van zijn ambtelijke loopbaan. (tot 1942)

      De faculteit Bouwkunde beschikt over een behoorlijke collectie kunstwerken. Eén van de pronkstukken is een enorm schilderij van Huib Luns.
      Het is een romantisch meesterwerk waarop de Griekse held Paris te zien is die een keuze moet maken uit de Griekse godinnen Aphrodite, Athena en Hera. De mythe vertelt hoe Aphrodite aan Paris de mooie Helena beloofde, als Paris Aphrodite uit zou kiezen als de mooiste. De schaking van Helena zou de start zijn van de Trojaanse oorlog.
      Hij schilderde het werk in 1907 als afstudeerwerk van de Kunstacademie en won er de vermaarde Prix de Rome mee, een internationale prijs voor jonge kunstenaars

      http://www.leidenuniv.nl/host/mnl/mnl/levens/43-45/luns.htm
      Afkomstig uit: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden 1943-1945, pag. 179-187.

      HUBERT MARIE LUNS

      (Parijs, 6 Juni 1881 -- Amsterdam, 24 Februari 1942)

      Rijk aan afwisseling is het leven geweest van Huib Luns, een leven, waarvan ik in een mij kortelijk toegemeten bestek bericht
      wil geven.

      Hubert Marie Luns is op 6 Juni 1881 te Parijs geboren als derde kind van Theodorus Bernardus Johannes Luns en Elisabeth
      Wijs.

      Door de warme lente-zon van het lachende Lutetia in zijn eerste levensdagen beschenen heeft Luns, ofschoon beide ouders
      ras-echte Nederlanders waren en hijzelf van zijn prille jeugd af zijn opvoeding in het land zijner vaderen heeft genoten, altoos
      iets Fransch in zijn allure behouden. Het opbruisend enthousiasme van den zuiderling was hem eigen; zijn uitbundigheid had iets
      der Gasconjers. Ook zijn uiterlijk, waarvan men de spontaneïteit terstond kon aflezen, had weinig gemeenzaams met dat van
      den gemiddelden bedachtzamen Nederlander. En toch was Huib Luns met al dezen Franschen en zuidelijken inslag
      Nederlander in hart en nieren. Geen Nederlander zou met meer warmte en geestdrift hebben kunnen pleiten voor de
      schoonheid van ons land en ons volk, gelijk die schoonheid zich duurzaam manifesteert in onze schilderkunst. In het laatste
      groote werk van zijn hand "Holland schildert", met als ondertitel "de Nederlandsche schildertaal, zooals zij in de laatste 50 jaar
      klankvol en rijk gesproken werd" staat op de eerste bladzijde geschreven:

      "De taal is gansch het volk, indien onder taal niet enkel spreek- en schrijftaal worden verstaan, maar alle uitdrukkingsmiddelen
      van een volkskarakter
      "De schilderkunst is sinds eeuwen de taal der Nederlanden bij uitnemendheid
      "De schilderkunst is de kunst der individueele passie, zij definieert het individu.
      "Bundelt zich de schildersarbeid van een volk tot een school, dan definieert die school het volk, wiens taal zij spreekt."

      Klinken deze woorden niet als een rake en simpele geloofsbelijdenis? Wellicht nog overtuigender is het woord vooraf in dit
      boek, een inleiding, die als een soort levensbiecht moge worden aangemerkt: "De negentiende eeuw, het wordt steeds
      duidelijker, was voor de kunst, de architectuur uitgezonderd, een groote tijd, waarin de onderscheidene volksgroepen van
      Europa zich in de eigen taal uitspraken.

      In proza en poëzie, in symphonie en opera klonken de eigen accenten machtig en meesleepend. Frankrijk schrijft, Italië zingt,
      Holland schildert......

      Wat Holland schildert en wat het in de laatste vijftig jaren uitsprak en uitspreekt, was héél de ziel van Nederland, die nooit
      dieper en rijker was.

      Van de laatste vijftig jaren, die liggen na ons litterair reveil van 1880, te verhalen, maakt een getuige zich op die als jongetje,
      nog bijna aan de hand van zijn vader, in koortsachtige bewondering liep langs de wanden van het maatschappelijk gebouw van
      Arti et Amicitiae te Amsterdam. Hij zag er de meesterstukken, die reeds nu den tijd hun tol betaalden, in prille schoonheid.

      Zijn vader bracht hem te Londen in Alma Tadema's atelier, en zijn jong lidmaatschap bracht hem met Breitner aan de leestafel
      van Arti.

      Hij zag de schilderijen nog nat van den ezel, bij den kunsthandel, voor zij op de internationale tentoonstelling het edelste
      Hollandsche vlagvertoon werden.

      De getuige schouwde niet alleen de Schilderkunst, maar hij nam levendig deel aan haar leven. Hij is juist oud genoeg om
      ironisch te staan tegenover zijn confraters, en nog juist jong genoeg om in het rhythme van den eigen hartslag het doorleefde
      neer te schrijven."

      Aldus Luns in 1941. "Jong genoeg", mocht stellig een treffende kwalificatie als een bewijs van zelfkennis heeten, want Luns
      verstond in hooge mate de kunst om bij al zijn arbeid jong te blijven. Met vele jongens-achtige accenten is "Holland schildert"
      geschreven en dat is zeker een niet geringe aantrekkelijkheid van deze boeiende uitgebreide handleiding, die uiteraard in menig
      opzicht een lexicografisch karakter draagt.

      Als jongetje reeds -- Luns getuigde het zelf -- werd zijn belangstelling voor de schoonheid gewekt. Betrekkelijk kort na zijn
      geboorte keerden zijn ouders naar Nederland terug, waar zij zich aanvankelijk te Haarlem en spoedig na dien te Amsterdam
      metterwoon vestigden. De groote uitbreiding der hoofdstad op elk terrein en speciaal op het gebied der kunst midden in de
      "branding van tachtig" stond voor de deur en Luns heeft er zich altoos op kunnen beroemen aan dit gansche evolutie-proces te
      hebben mogen deelnemen. Hij is leerling geweest van de vijfjarige H.B.S. van dr Campert, in die jaren de eenige vijfjarige in de
      hoofdstad en hij heeft in het statige huis van Coymans, het vermaarde gebouw aan de Keizersgracht tegenover de
      Westermarkt, zijn eerste schreden gezet op het pad, dat naar verdere schoonheid leidde. De artistiek onderlegde vader heeft
      den kunstzinnigen aanleg zijner beide zoons niet onderdrukt, integendeel flink aangewakkerd, zoodat beide knapen, zoowel
      Huib als ook zijn jongere broeder Frank hun lotsbestemming om de kunst ieder naar eigen aard te dienen, onbelemmerd
      mochten volgen, Huib als teekenaar en kunstschilder, Frank als letterkundige en dramaturg van groote gaven.

      Gedurende zijn H.B.S.-tijd bracht Luns zijn vrije Zaterdagmiddagen door op de teekenschool van de jonge Molkenboer's,
      Antoon en Theo, welke school den historisch-aantrekkelijken naam droeg van Hendrik de Keyser-school. Zij was gevestigd
      op de bovenste verdieping van het Nutsgebouw, het prachtige achttiende-eeuwsche huis van Crevenna, aan den N.Z.
      Voorburgwal bij de Paleisstraat, pal tegenover de achterzijde van 's werelds achtste wonder, Jacob van Campen's magistraal
      Raadhuis-Paleis. Het Nutsgebouw zelf is welhaast een kwart eeuw geleden onder de mokerslagen van den stedenschennenden
      slooper gevallen; het vrij-gekomen terrein was bestemd om deel uit te maken van het gebied, waarop het weinig aesthetische
      nieuwe geldkantoor der posterijen, het tegenwoordige centrale belastingkantoor, moest verrijzen. Intusschen had Luns hier op
      die Zaterdagmiddagen ruimschoots gelegenheid tot bestudeering der mooie lijnen van Jacob van Campen's schepping,
      zoomede het ten voorbeeld strekkende tympan van Quellijn, een geheel, dat Vondel vereeuwigd heeft in de regelen:

      "De westerzon verzinckt omtrent de Westkim zachter
      Om zich te spiegelen in 's gevels prael van achter."

      Konden Antoon en Theo Molkenboer in zekeren zin als Luns' wegbereiders op het terrein der grafische kunst worden
      aangemerkt, het eigenlijke groote onderwijs na de H.B.S.-jaren zou Luns ontvangen aan de Rijks Normaalschool voor
      Teeken-onderwijs onder de krachtige leiding van hun beider vader, W. B. G. Molkenboer, welke school was gevestigd in een
      der vleugels van het groote Amsterdamsche kunstpaleis, het Rijksmuseum. Die jaren waren voor den jongen, begaafden
      kunstenaar van universitair belang. Zij openden hem, den jeugdigen enthousiasten teekenaar, schilder, graficus, modelleur en
      aestheticus, de ruimste perspectieven. Zij hebben hem de richtlijnen gegeven voor zijn verder leven, waarin het didactische
      naast het creatieve een gelijkwaardige plaats heeft ingenomen. Hier verwierf Luns ook in 1901 de acte Middelbaar Hand- en
      lijnteekenen (M.A.).

      Daarop volgde een korte stage aan de Rijks Academie voor Beeldende Kunsten, waar hij o.a. in 1902 te zamen met zijn
      vriend Jan Sluyters mocht wedijveren naar den Prix de Rome, welke door den laatste werd behaald.

      Kort daarna toog Luns naar Brussel, waarheen zijn ouders inmiddels waren verhuisd, ter aanvaarding van het vrije beroep van
      kunstschilder. In Brussel kon zijn talent als schilder zich volkomen uitleven; hij was een ijverig en met succes werkzaam lid van
      het genootschap Pour l'Art, op welks tentoonstellingen hij geregeld exposeerde. Als gevolg van dien gewerden hem spoedig
      belangrijke opdrachten.

      Hier te Brussel leerde Luns ook zijn echtgenoote kennen, Harriet Louvrier, wier moeder vermaagschapt was aan de bekende
      Amsterdamsche familie Lefébure; met haar is Luns op 14 April 1909 in het huwelijk getreden. Uit dezen echt zijn zes kinderen,
      vijf zoons en een dochter, geboren, van welke de oudste Theo het schilderstalent zijns vaders op niet onverdienstelijke wijze
      heeft geërfd.

      Heel lang zou het uitsluitend vrije beroep van kunstschilder echter niet duren, want reeds in 1908 volgde een eerste officieele
      functie, toen Luns als hoofdleeraar optrad aan de Academie voor Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen te
      Rotterdam, een school, die te midden van het gewoel van handel, verkeer als anderszins der stad aan de Maas zeer hoog in
      aanzien werd gehouden als belangrijk centrum tot ontwikkeling van het geestelijk leven en stellig in een tijd, toen aldaar van
      cultureele instellingen als bijvoorbeeld de Handelshoogeschool nog geen sprake was. Rotterdam drukte den stempel van
      degelijkheid op Luns' arbeid als docent. Er ging slechts één roep van voortreffelijkheid uit van zijn wijze van lesgeven, alsmede
      van zijn organisatorische talenten. Te Rotterdam kon hij ook de liefde voor het land zijner geboorte op kennelijke wijze aan
      den dag leggen door zijn medewerking aan de oprichting in de oorlogsjaren van het Genootschap Nederland-Frankrijk, dat
      bestemd was tot intensiever verspreiding der Fransche cultuur te onzent. Aan zijn bemoeiingen ten deze dankte hij ook de
      eerste officieele erkenning zijner verdiensten door een benoeming tot Officier de l'Instruction Publique, een onderscheiding,
      voor welke hij steeds zeer gevoelig is gebleven.

      Toen in 1918 in 's Hertogenbosch de Koninklijke School voor Kunst, Techniek en Ambacht, een school, die reeds uit den tijd
      van Koning Willem I dagteekende, zou worden gereorganiseerd, was Luns de eerst-geroepene om aan dit quasi-herboren
      instituut nieuw leven in te blazen en hier krachtige leiding te geven. Vijf jaren in de stad van St. Jan doorgebracht waren
      voldoende om hier meer dan vruchtdragenden arbeid te leveren en de erkenning daarvoor heeft Luns bij herhaling nog vele
      jaren daarna mogen ondervinden. De school die, toen Luns zijn functie aanvaardde, nauwelijks honderd leerlingen telde, is
      thans dermate gegroeid, dat het aantal dergenen, die hier onderwijs ontvangen tot twaalf honderd jaarlijks is gestegen. De
      school is sedert ook in een nieuw gebouw gehuisvest en toen eenige jaren geleden bij het afscheid van mr Van Lanschot, den
      ijverigen, toegewijden en nimmer versagenden burgemeester van Den Bosch, ook diens beteekenis voor de school in een
      gedenkteeken zou worden vastgelegd, kreeg Luns de opdracht tot een schilderstuk, dat als regenten-stuk in de vergaderzaal
      der school een duurzame plaats zou innemen. Ook een benoeming in 1941 tot eerelid van het Provinciaal Genootschap van
      Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant verschafte hem groote voldoening, terwijl uit den Bosschen tijd ook zijn
      benoeming tot ridder in de orde van Oranje-Nassau dagteekent.

      In 1923 zou Amsterdam Luns andermaal voor zich opeischen. De functie van directeur der Rijksnormaalschool was sedert den
      dood van W. B. G. Molkenboer, aan wiens artistieke en voortreffelijke paedagogische talenten Luns in zijn boek "Holland
      schildert" een gevoelig woord van hulde heeft gewijd, onvervuld gebleven en gedurende eenige jaren in tijdelijke handen. Voor
      Luns scheen ook hier de taak weggelegd om reorganisatorischen arbeid te verrichten. Hij was toen 42 jaar oud en het aanbod
      om naar de stad zijner jeugd te kunnen terugkeeren in een positie, welke hem na aan het hart lag, was te aanlokkelijk om
      daarvoor zelfs een zoo belangrijke functie aan de Bossche school, zij het dan ook niet zonder een vanzelfsprekend gevoel van
      weemoed, op te offeren.

      Uit de Rijksnormaalschool is korten tijd later het Rijksinstituut voor Teekenleeraren gegroeid.

      Amsterdam werd dus in 1923 ten tweeden male Luns' woonplaats; zij is het gebleven tot het einde zijner dagen. Ondanks het
      feit, dat Luns bij Koninklijk Besluit van 31 Maart 1931 tot hoogleeraar aan de Technische Hoogeschool te Delft als opvolger
      van Prof. A. F. Gips tot docent in het handteekenen en de geschiedenis der schilder- en beeldhouwkunst werd benoemd. Dit
      hoogleeraarschap was de bekroning van zijn ambtelijke loopbaan.

      Zijn nieuwe functie te Delft aanvaardde hij op 23 September van hetzelfde jaar met een rede getiteld "De verovering van den
      eenvoud", in welke inaugureele oratie Luns inzonderheid het licht heeft doen vallen op het karakter en de ontwikkeling van de
      architectuur in Rembrandt's grandioos oeuvre.

      Zooals gezegd bleef Luns echter in de hoofdstad wonen om van daar uit als spoor-professor te Delft slechts een deel van zijn
      veelomvattende werkzaamheden uit te oefenen. Met opzet leg ik hierbij den nadruk op de woorden "slechts een deel". Want
      ofschoon Luns zich met hart en ziel op het professoraat toelegde, mocht ook zijn actief kunstenaarschap zich verder blijven
      manifesteeren. De vele portretten, die ook tijdens Luns' hoogleeraarschap van zijn hand zijn verschenen, zijn evenzoovele
      bewijzen voor zijn onafgebroken werkzaamheid als kunstschilder van importantie. Onder de vele schilderijen mogen worden
      vermeld de portretten van vele vooraanstaande persoonlijkheden, als van den oud-minister dr J.Th. de Visser, mgr dr G.C. van
      Noort, deken van Amsterdam, ir J. de Vogel, president-curator van de Technische Hoogeschool, de hoogleeraren Ter
      Meulen, de Vries Broekman, Kist en Steger; voorts de beschildering van het priesterkoor en den koepel van de kapel van het
      seminarie "Hageveld" te Heemstede. De gebrandschilderde vensters in de School voor K. T. en A. te 's-Hertogenbosch, in de
      St. Josefkerk te Maastricht, in het trappenhuis van het Parkhotel te Amsterdam mogen niet onvermeld blijven. Voor Maastricht
      ontwierp en modelleerde hij het monument voor de in ons land gestorven Fransche vluchtelingen, en als médailleur
      vervaardigde hij een dertigtal penningen, alle uitgegeven door de Koninklijke Begeer te Voorschoten, waaronder vele van
      bekende persoonlijkheden, zooals dr ir H. Wortman, mr A.E.J. baron van Voorst tot Voorst, dr A. Pit, prof. dr Romano
      Guarnieri, prof. dr A.H.M.J. van Rooy. Zijn talrijke lezingen voor de vele Volksuniversiteiten en soortgelijke genootschappen
      in ons land alsmede zijn niet minder overvloedige geschriften, publicaties, die hem in 1934 het lidmaatschap van de
      Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde waardig maakten, zijn naast het hoogleeraarschap van Luns' ongeëvenaarde
      werklust en werkkracht blijven getuigen. Telken jare in de lente omstreeks Paschen organiseerde hij met eenige getrouwen
      studiereizen naar het buitenland, inzonderheid naar zijn geliefd Italië, naar Spanje, naar de Zuidelijke Nederlanden, en naar zijn
      geboortestad. In vele geschriften heeft hij de herinneringen aan die studiereizen vastgelegd in den aantrekkelijken vorm van
      wandelingen, doorgaans tien in getale (van Rome zelfs tweemaal tien). Vele teekeningen en krabbels van eigen hand verluchten
      deze sappige, met warmte en uitgebreide kennis van zaken en toestanden geschreven essays. Meesterlijk en met groote
      virtuoziteit geschreven is de monografie aan Parijs gewijd, in nog geen 140 bladzijden druks een overzicht van zeldzame
      nauwkeurigheid en preciese documentatie. Het boekje draagt als motto de woorden van André Suarès: "Paris élève au-dessus
      de ce qui passe et de tout ce qui meurt le visage immortel de l'Esprit. Ainsi la plus femme des villes et la plus amoureuse est
      aussi la plus virile, puisque l'Esprit est son éternel amant et qu'il veille à jamais sur elle tandis qu'elle danse et qu'elle rit, qu'elle
      souffre et qu'elle enfante". En als een eigen ode aan de eeuwigheid van zijn dierbare geboortestad herinnerde hij er aan, dat
      Frankrijk zich in den loop der tijden telkens heeft vernieuwd, dat het uit elken val is opgestaan, van elke ziekte is genezen en na
      elke vernieuwing zich heeft hersteld. Met een rotsvaste overtuiging -- Luns schreef dit in 1934 -- liet hij de vlam uit het graf van
      den onbekenden soldaat zeggen: in de estafetteploeg der cultuur, in den fakkelloop der beschaving, loopt Frankrijk in kritieke
      periode met het flakkerend licht, aan de goden geroofd, vooraan. Ook al zou het een telkens fel flikkerend dwaallicht zijn, -- 't
      is alles, wat de menschheid uit eigen kracht in handen heeft gekregen, en voor hen, die het Groote Licht aan den eind;er niet
      kunnen zien en de sterren aan den hemel werden gedoofd, geeft het een schijnsel op den vaak al te duisteren weg der
      menschheid.

      De duistere weg der menschheid ... die werd ook in 1940 in ons land betreden. Daartegen te zijn opgewassen bleek ook voor
      Luns op den duur een te zware opgaaf. Waren de Meidagen op zich zelf reeds een zoo zware ramp, die zelf minder gevoelige
      naturen dan de zijne met moeite zouden kunnen verdragen, de verraderlijke aanval van Italië op Frankrijk, twee landen, voor
      welke hij een warme genegenheid koesterde, schokte hem des te dieper. Niet minder schokken beleefde hij als voorzitter van
      het belangrijke schildersgenootschap "Arti et Amicitiae", over welks "faits et gestes" hij gedurende vele jaren als bestuurslid en
      zijn laatste levensjaren als voorzitter met ongetemperde geestdrift en tegelijkertijd met minutieuze zorg heeft gewaakt. In zijn
      boek ,Holland schildert" heeft hij der glorie van Arti rechtmatig alle eer bewezen; het eeuwfeest van het genootschap in de
      laatste dagen van 1939, ondanks de moeilijke tijdsomstandigheden toch nog op betrekkelijk luisterrijke wijze gevierd, was ook
      voor Luns een hoogtepunt in zijn zonnig kunstenaarsleven. De orde van den Nederlandschen Leeuw met het schoone devies
      Virtus Nobilitat, hem toen door onze Regeering geschonken, was een nieuwe -- de derde -- ongezochte gelegenheid tot
      erkenning van zijn buitengewone verdiensten. (Reeds vroeger was hij tot officier van Oranje-Nassau bevorderd, terwijl de
      Regeering ook gaarne van zijn gezaghebbende adviezen gebruik maakte door hem bij de oprichting van het college een plaats
      te geven in den Onderwijsraad).

      Gedurende die jubileumsdagen van Arti reeds spookte het rondom ons land en leefden wij allen op een vulkanischen bodem.
      Niet lang na 1940 werd ook Arti ernstig bedreigd het slachtoffer te zullen worden van de op elk terrein der cultuur hare lusten
      botvierende "nieuwe orde".

      Tweemaal in het najaar van 1941 had ik nog het voorrecht mijn ouden vriend Luns, met wien ik gedurende bijna een halve
      eeuw vriendschappelijke betrekkingen heb onderhouden, te ontmoeten. En beide malen heb ik die ontmoetingen als scherp
      omlijnde instantaneetjes in mijn herinneringen gegrift. De eene was op de begraafplaats Zorgvlied, waar wij op 29 September
      1941 het stoffelijk overschot van ons beider trouwen plotseling overleden vriend, den kunstzinnigen aestheticus, italophiel en
      egyptoloog Willem van Leer aan den schoot der aarde toevertrouwden. De tweede ontmoeting kort daarop was op een
      vroegen ochtend op de tram, toen Luns als Arti's voorzitter met een zijner medebestuurders naar het bureau van de
      Sicherheitspolizei in de vermaledijd geworden Euterpestraat was ontboden om aldaar den sleutel in ontvangst te mogen nemen
      van het eenigen tijd te voren in beslag genomen en toen zoo juist weer-vrij gegeven gebouw van "Arti et Amicitiae". Met een
      triomfantelijk gebaar en zichtbare voldoening toonde Luns mij den zooeven teruggekregen sleutel, waarmede hij en zijn collega
      zich ijlings naar het gebouw aan het Rokin spoedden. Beide malen trof het mij echter hoe slecht de anders zoo kerngezonde,
      stoere en forsche man er uitzag en hoe hij onder de omstandigheden scheen gebukt te gaan. Niet lang daarna bereikte zijn
      vrienden de tijding van een ernstige ziekte, welke zich helaas ten slotte als verraderlijk ongeneeslijk openbaarde. Een operatief
      ingrijpen in het midden van Februari mocht niet meer baten en op Dinsdag 24 Februari 1942 in de vroege uren is hij kalm
      berustend en met de hoop op het eeuwige leven als goed en trouw zoon der Katholieke Kerk voor goed ingeslapen. Drie
      dagen later hebben wij hem ter ruste gelegd op het vredige kerkhof "De Buitenveldert" aan den rand van Amsterdam-Zuid. Op
      het oogenblik zijner beaarding klonk een scherp trompetsignaal uit een der aan de overzijde van het kerkhof gelegen scholen,
      door de bezettende macht tijdelijk als kazerne ingericht. Hoe schrijnend dit signaal op datzelfde oogenblik ook mocht klinken,
      het deed nochtans met een beetje fantasie aan als een kreet, een aansporing tot victorie van het Goede en het Schoone, een
      cry, die Luns zelf ook als zoodanig zou hebben verstaan.

      S. BOTTENHEIM
      October 1942.



      LIJST DER GESCHRIFTEN

      1925
      Rembrandtiana, Amsterdam.
      1927
      De Rubenssymphonie, Amsterdam.
      1928
      Tien wandelingen in Florence, Rotterdam.
      1929
      Tien wandelingen in Venetië, Padua en Ravenna, Rotterdam.
      --
      Tien wandelingen in Gent, Brugge en Antwerpen, Rotterdam.
      1930
      Eerste tien wandelingen in Rome, Rotterdam.
      1931
      Tweede tien wandelingen in Rome, Rotterdam.
      --
      De verovering van den eenvoud, Inaugureele oratie aan de Technische Hoogeschool te Delft.
      1932
      Spaansche schilders, Rotterdam.
      1934
      Tien wandelingen in Parijs, Rotterdam.
      1938
      Tien wandelingen in Napels en Sicilië, Rotterdam.
      1939
      Met wijden wiekslag door het beeldend scheppen, Utrecht.
      1940
      Schilderen met olieverf, Amsterdam.
      1941
      Jan Sluyters, Amsterdam.
      --
      Holland schildert, Amsterdam.
      Voorts vele artikelen in de volgende dagbladen en tijdschriften:
      De Tijd, Algemeen Handelsblad, Provinciale Noordbrabantsche en 's-Hertogenbossche Courant; De Beiaard,
      Elsevier's Maandschrift, Opgang, Het Gildeboek, De Tampon.


Home Page |  What's New |  Most Wanted |  Surnames |  Photos |  Histories |  Documents |  Cemeteries |  Places |  Dates |  Reports |  Sources