Joost van den Vondel

Joost van den Vondel

Male 1587 - 1679  (91 years)    Has 4 ancestors and 8 descendants in this family tree.

Personal Information    |    Media    |    Notes    |    Event Map    |    All    |    PDF

  • Name Joost van den Vondel 
    Relationshipwith Adam
    Born 17 Nov 1587  Wijsgas, Köln Find all individuals with events at this location 
    Gender Male 
    Died 5 Feb 1679  Amsterdam, NH, NL Find all individuals with events at this location 
    Siblings 6 siblings 
    Person ID I183663  Geneagraphie
    Last Modified 21 Feb 2007 

    Father Joost van den Vondel,   d. 1608 
    Mother Sara Cranen,   d. Yes, date unknown 
    Married 1585 
    Family ID F146729  Group Sheet  |  Family Chart

    Family Maeyken de Wolff,   b. 1586-1587,   d. 1635  (Age 48 years) 
    Married 20 Nov 1610 
    • „Compareerden als voren Joos vander Vondelen van Keulen oud 23 jaren, wonende (14 ans) 7) in de
      Warmoesstrate geassiteert met Sara Kranen zijn moeder ter eenre, ende Maeyken de Wolff van Keulen, oud 24 jaare,
      wonende (15 ans) in de Warmoesstraet, geassisteert met Hans de Wolff, haren broeder ter andere zijde.”
    Children 
     1. Joost van den Vondel,   b. 17 Nov 1587, Köln, NRh.-Wf., D Find all individuals with events at this location,   d. 5 Feb 1679, Amsterdam, NH, NL Find all individuals with events at this location  (Age 91 years)
     2. Anna van den Vondel,   d. 1675
     3. Konstantyn van den Vondel,   d. 1633
     4. Sara van den Vondel,   d. 1634-1635
    Last Modified 14 Mar 2003 
    Family ID F159588  Group Sheet  |  Family Chart

  • Event Map Click to display
    Link to Google MapsDied - 5 Feb 1679 - Amsterdam, NH, NL Link to Google Earth
     = Link to Google Earth 
    Pin Legend  : Address       : Location       : City/Town       : County/Shire       : State/Province       : Country       : Not Set

  • Photos
    183663.gif
    183663.gif

  • Notes 
    • door zijn Nederlandsche dichten meest al de Dichters zijner eeuwe te boven ging,” zoo verhaalt Brandt, „en alleen met den Drossaard Hooft om den laurier streedt, had een’ vader van den zelven naam, schrander van geest een’ Hoedtstoffeerder t’Antwerpen, daar hij geboren was en woonde. Zijn toenaam Vondel beteekent in Brabantsche taaie een kleen brugsken, ’t welk de Hollanders een vlunder noemen, en van rijs of tienen gevlochten, gebruikt wordt om de slooten en naauwe vaarten te vloeren, en tot overgang te dienen.”

      „Zijne eerste kindtsheit, daar niet van te zeggen valt, braght hij te Keulen over, tot dat zijn vader geraaden vondt zich naar Hollandt te begeeven, daar de vrijheit, geduurende den oorlogh tegens Spanje, het hooft opstak, en de Doopsgezinden, nevens andere Gereformeerde Christenen, hunnen godtsdienst naar hun gemoedt, en zonder omzien moghten beleven. Dien raadt volgende toogh hij met zijn vrouwe en kinderen eerst naar Frankfoort, van daar met de waagen op Breemen en voorts op Hollandt, zich onderweegen armelijk behelpende, maakende een wiegh tusschen eenige stokken, de luyeren droogende op den waaghen, met teekenen van zoodanige ingetoogenheit en zeedigheit, dat de Voerman, dit eenvoudig paar voerende, tegens iemant zeide: ’t is eveneens als of ik met Joseph en Maria over wegh reize.”
      Vondel vertrok waarschijnlijk omdat men ook in Keulen de Doopsgezinden vervolgde en hij zelfs met het gerecht in aanraking kwam. De reden waarom hij zulk een grooten omweg maakte, is niet bekend, gewoonlijk neemt men aan, dat hij het Munstersche gebied wilde vermijden, omdat de Wederdoopers daar niet op groote sympathie behoefden te rekenen.
      „In Hollandt gekoomen,” zegt Brandt, „sloegh hij zich, met sijn gesin, eerst t’Utrecht, en korts daarna t’ Amsterdam, ’t welk toen door de zeevaart en koophandel bloeide, ter neder, daar hij zich met koopmanschap van kousen, eerlijk en met goede winst, geneerde: ’t welk daar uit blijkt dat een zijner zoonen, Willem van den Vondel, daarna middel vondt zich in taalen en weetenschappen, met naame in de Rechten en dichtkunste, t’ oeffenen, ook naar Italië te reizen, om d’overbljfsels van ’t neêrgestorte gevaart der Roomsche hooghmoogentheit t’aanschouwen. Maar onze Vondel, die de stof is van dit verhaal, scheen, dat jammer was, slechts tot neering opgebraght, leerende niet dan leezen en schrijven, en lagh ten dien einde eenigen tijdt t’Utrecht ter schoole.”
      Hoewel de financieele omstandigheden van het gezin in Amsterdam verbeterden schijnt de jonge Joost niet meer naar school te zijn gegaan. Of hij reeds voor zijn zeventiende jaar dichtte is niet met zekerheid bewezen, het is niet onwaarschijnlijk, maar in ieder geval is er van de „kindtsche rijmen", die Brandt wel vermeldt, maar blijkbaar ook zelf niet gezien heeft, geen enkele bewaard gebleven.
      Het alleroudste gedicht, dat door Van Lennep in voor het eerst bekend gemaakt werd uit een verzameling gedichten door leden der familie Haesbaert overgeschreven, is een „Schriftuerlijck Bruylofts Reffereyn op 't Houwelijck van Jacob Haesbaert met Clara van Tongerlo. Gecompomeert door J. van Vondel, 1605, in Junio."
      Vondel onderteekende het met de spreuk „Liefde verwinnet al." Dit gedicht en het „Nieuw-Jaars Liedt" voor 1607, dat in dezelfde verzameling bewaard is gebleven, zijn voorbeelden van de oudere rederijkerspoëzie, waarin zoowel de mythologie als de Bijbel met vrucht gebruikt zijn om een poëtische sfeer te scheppen. Het Nieuw-Jaars Liedt is geschreven voor de rederijkerskamer „Trou moet blijcken"; hij was echter lid van de Brabantsche kamer „Wt Levender Jonst" en met zijn medeleden naar Haarlem getrokken ten einde een groot feest bij te wonen door het stadbestuur uitgeschreven om „het oude mannen-huis met een loterye te bouwen."
      In dezelfde jaren maakte hij een „Dedicatie aen de Jonck-vrouwen van Vrieslandt ende Over-Yssel” en waarschijnlijk ook zijn „Lof-zangh, toe-geeyghent Mr. Willen Bartjens.”
      In 1613 trok Vondel’s moeder zich geheel uit de zaken terug en deed deze aan haar zoon over. Uit den tijd even na den dood van zijn vader zijn slechts twee gedichten overgebleven nl.: „Op het Twaalfjarige Bestandt der Vereenigde Nederlanden” en „Wtvaert en Treur-Dicht van Henricus de Groote „Koningh van Vranckrijck en Navarre”.
      Tegen de algemeen gehuldigde meening dat Vondel zich weinig aan zijn winkel gelegen liet liggen, een meening, die door Brandt uitgedrukt is in de woorden:
      „maar zijn gedachten liepen op wat anders, op het dichten, zoo dat hij ’t koopen en verkoopen op zijn ega liet staan; en zij
      hem zijn drift liet volgen.” verzet Dr. G. Leendertsz zich in zijn „Leven van Vondel,” (Meulenhoff en Co. 1910).
      „Van de 30 deelen, die de uitgave van Unger telt,” zoo zegt Dr. Leendertsz, „zijn er 20 gevuld met gedichten nadat hij zich uit de zaak had teruggetrokken.” De gedichten uit de 25 jaren van zijn huwelijksleven vullen nog geen zes deelen, die uit de volgende acht of negen jaar bijna vier deelen. Wanneer hij nu tijdens haar leven zich weinig of niet met de zaken bemoeid had en alles aan haar overgelaten, dan zouden die na haar dood wel zooveel inspanning gekost hebben, dat er voor dichten weinig tijd overbleef.
      Of men zou moeten aannemen, dat zijn zorgeloosheid en onbekwaamheid zóó ver ging, dat dadelijk na haren dood de achteruitgang van de zaak begon. Die veronderstelling echter wordt onmiddellijk gelogenstraft door de boeken van de Wisselbank en door het feit, dat hij later zelf naar Denemarken ging om te trachten de verwarde zaken in orde te brengen. Bovendien is er nog eene bepaalde getuigenis, van den ernst, waarmee hij zijne zaken behartigde. In zijn de Uitvaert van Joost van den Vondel zegt Antonides, vs 233:
      Gy zult nimmer weêr vertellen, met wat vlijt
      Gy ’t overschot quaemt uit te woekren van uw tijt.
      Ook zegt hij zelf in de opdracht van Horatius’ Lierzangen, dat hij deze eenige jaren geleden „tot een eerlijck tijdverdrijf en oefeninge, bij wintersche avonden” in proza vertaald had.
      De idylle van den droomenden dichter met zijn hard werkende, haast mannelijke wederhelft, mogen wij dus gerust onder de fabeltjes rangschikken. Vondel was in zijn gezin en in de maatschappij dezelfde, brave degelijke, ernstige werker als in zijne kunst.
      Hoe komt Brandt dan aan zijn bewering? Om te beginnen wijzen wij er op, dat aan de hier besproken woorden eene andere onjuistheid, al is het een kleine, voorafgaat. Hij zegt daar: Met deeze vrouwe... nam hij de kousneering bij der handt.” Hieruit kunnen wij toch wel niet anders lezen, dan dat hij nu de nering begon, en wij weten, dat hij die al twee en een half jaar gedreven had.
      In de inleiding van het Leven zegt Brandt, na aangetoond te hebben, van hoe groot belang wetenschappelijke ontwikkeling voor den dichter is: „Maar boven dit alles behoeft die Poëetsche geest, en noodige geleerdheid, ook ruimte van ledigen tijdt, en dat men zich in staat vinde van bij zich zelven te kunnen bestaan; op dat men, zich geheel aan de dichtkunst overgevende, gerust en met lust deeze oeffening geduurig voortzette.”
      Blijkbaar door deze vooropgezette meening misleid, heeft Brandt in hetgeen de dichter hem mededeelde, meer gezien, dan deze bedoelde.”
      Met het eerste groote dichtwerk „Het Pascha, ofte De Verlossinge Israels uit Egypten. Tragecomedischer wijze een yeder tot leeringh opt tonneel gestelt,” is Vondel waarschijnlijk al voor zijn huwelijk begonnen. Het staat onder de invloed van de Fransche literatuur, vooral onder het werk van Du Bartas. Vondels „Pascha” werd in 1612 gedrukt, maar waarschijnlijk reeds in 1610 of 1611 voltooid, want in het voorbericht wordt medegedeeld dat het reeds door de Brabantsche kamer opgevoerd was.
      In het jaar 1613 verschenen de „Hymnus, ofte Lofgezangh der Vereenigdeh Nederlanden” en „Den Gulden Winckel der Konstlievende Nederlanders.”
      De platen van dit laatste werk waren voor het eerst in 1579 uitgegeven met een Latijnschen tekst. De drukker Dirck Pietersz. Pers verzocht Vondel nu bij de illustraties geheel nieuwe gedichten te vervaardigen, hetgeen deze deed. In 1617 verscheen een tweede reeks nl. „De Vorstelijcke Warande der Dieren.”
      „Tot Vondels naam als dichter te vergrooten,” zoo zegt Dr. J. F. M. Sterck in zijn „Leven van Vondel,” „heeft deze poëzie niet veel bij gedragen, maar reeds was hij zeer gezien onder zijn medebroeders, zoodat één hunner „Gerbrand Adriaensz Bredero, bij zijn Pascha hem had toegeroepen:
      Kroont Vondels weerdich hooft, heylgraege jongelingen.
      Deze blijspeldichter, slechts twee jaar ouder dan Vondel, was bij zijn dood in 1628 reeds een beroemd man te Amsterdam, terwijl gene nog slechts één treurspel, eenige gedichtjes en emblema-werkjes op zijn dichterlijk crediet kon boeken. Vondel ontwikkelde zich langzaam, al tastend en zoekend naar de kennis, die hij nu zich zelf moest eigen maken door gestadige oefening en opmerking bij oudere dichters.”
      In dezen tijd bemerkte Vondel wat er aan zijn ontwikkeling ontbrak, hij was namelijk geheel onbekend met de oude talen. Hij wendde zich tot een leeraar aan de Latijnsche school en bracht het binnen korten tijd zoo ver, dat hij de klassieke dichters vrij vlot in het oorspronkelijk kon lezen
      Van 1616 tot 1620 bekleedde de dichter de waardigheid van diaken in de zg. Waterlandsche Doopsgezinde kerk en stelde levendige belangstelling in den strijd tusschen Arminianen en Gomaristen, Remonstranten en Contra-Remonstranten waarbij hij partij trok voor de eerste.
      Als eerste gevolg van Vondels klassieke studiën moeten wij een nieuw treurspel beschouwen, waarvan de stof grootendeels is ontleend, aan de Historie der Joden van Flavius Josphus „Hierusalem verwoest, Den Joden tot naedencken den Christenen tot waerschuwing als op het tooneel voorgestelt,” (1620) opgedragen aan Cornelis Pieterszoon Hooft. In hetzelfde jaar verschenen twee dichtstukken nl. „De Heerlijckheyd van Salomon,” evenals „het in 1616 bij Pers verschenen „De Vaderen,” een vertaling van een der Sepmaines van du Bartas en de „Helden Godes des Ouwden Verbonds,” het laatste bij een serie prenten, die Pers bezat. In dezen tijd teekent Vondel zijn verzen met het anagram „Door een ist nu voldaen.” door omzetting geeft dit „Joost van den Vondelen.”
      Uit een gedicht, „op de geboorte van onze Hollandsche Sappho, Anna Roemers,” (1619) blijkt dat Vondel in een kring was opgenomen, die in velerlei opzichten hooger stond dan die der rederij kers van de Brabantsche kamer. Ook uit het feit, dat hij in 1623 „Het Lof der Zeevaert” opdraagt aan Laurens Reael en met hem de „Troades” van Seneca vertaalt, dat onder den naam van „De Amsterdamsche Hecuba” verscheen (1625). Toch moet men zich den omgang met deze notabelen niet te vriendschappelijk voorstellen, volgens Leendertsz:
      „Wij hebben reeds gezien”, zoo schrijft hij, „dat Vondel met Roemer Visscher en zijne familie niet onbekend was, ofschoon het betwijfeld mag worden, of hij er een gewone gast was. Eveneens kende hij Hooft maar van een naderen omgang vóór dezen tijd blijkt niets. De groote bescheidenheid en teruggetrokkenheid van Vondel, zullen hem wel, vooral in dezen tijd van zwaarmoedigheid, verhinderd hebben eenigszins vertrouwelijk om te gaan met zulke deftige menschen. Hij bewonderde en prees hen, maar hield zich als eenvoudig btirgerman bescheiden op den achtergrond en achtte zich steeds vereerd, wanneer zij hem aanspraken.
      Alleen met de familie Baeck schijnt de omgang reeds vrij vroeg hartelijker geweest te zijn. De vader Laurens Joosten Baeck, zelf dichter, was de schatrijke eigenaar der schoone hofstede Scheybeek bij Beverwijk, waar Vondel een welkome gast was en de stof vond voor verscheidene van die bekende gedichten, waarin zijn liefde voor de natuur zich zoo krachtig openbaart. Zelfs heeft men herinneringen aan de omstreken van Beverwijk aangetoond in gedichten, welke met die plaats niets te maken hebben, wanneer hij maar eene natuurbeschrijving wilde geven, bv. in den beroemden rei der Eubeeërs in den Palamedes. De grille joligheid in de verzen voor de dochters van Baeck is niet de toon van den deemoedigen beschermeling, maar van den trouwen huisvriend. De zoon Justus trouwde in Mei 1623 met Magdelena van Erp en werd daardoor de zwager van Hooft. Deze beide mannen waren spoedig ten zeerste aan elkaar gehecht en misschien is Vondel op deze wijze in nauwere aanraking met Hooft gekomen. Herhaaldelijk toch zien wij, dat Baeck de tusschenpersoon is „door wien Hooft iets aan Vondel laat weten.”

      Leendertsz teekent hier echter zelf bij aan: „Anderen zijn van meening, dat Vondel door de opdracht van Hierusalem
      Verwoest met den jongen Hooft in aanraking is gekomen, dat deze hem spoedig waardeerde en ook in kennis bracht met de
      familie Baeck, Storm, Scriveriuss, Reael, enz.”

      De door Leendertsz vermelde zwaarmoedigheid blijkt uit Vondels besluit om ontslag te nemen als diaken bij de
      Waterlandsche Doopgezinden, maar het meest misschien wel uit zijn „Gebedt, uytgestort tot Godt over mijn geduerige
      quynende sieckte.” (1621).

      Zijn vriendschap tot de familie Baeck is uitgedrukt in gedichten op de beide dochters Catherina en Debora, waarvan vooral
      de „Beeckzang aan Catharina” geprezen wordt:

      Maar ook met de zoon Jacob en Justus is hij zeer bevriend. De eerste had te zamen met zijn zoozeer geliefden, doch vroeg
      gestorven broeder Willem, Italië bereisd in gezelschap van drie anderen, waaronder ook Van Erp, broeder van Hoofts eerste
      vrouw. Ook het feit, dat Baeck hem na het schrijven van Palamedes onderdak verleende, laat hij nog eens uitkomen in zijn
      „Danckdicht aen Jacob Baeck, Rechtsgeleerde. Voor zijne schoone appelen my met een gedicht gezonden.”

      De verhouding tusschen Reael en Vondel was eveneens van zeer vriendschappelijken aard. In denzelfden tijd maakte
      Vondel ook met kennis Cornelis Gijsbertsz, Vospiscus Fortunatus Plemp, Mostaert, Huygens, Ant. de Hubert en anderen.

      Even voor de voltooiing van de „Amsteldamsche Hecuba” schreef Vondel, „Begroetenis aen Frederick Henrick, Prince van
      Oranje, op den intree van zijn Stadhouderschap en Landbestierung.” In hetzelfde jaar volgde „Palamedes”, waarin
      Oldenbarnevelt verpersoonlijkt wordt in de hoofdpersoon van het drama. 9).

      Vondels levensbeschrijver, Brandt, bericht, dat hij kort na Palamedes weer in diepe zwaarmoedigheid verviel, waardoor hij
      niet in staat was tot dichten. Over de periode, die hierop volgt, schrijft Brandt: „In de jaaren, MDCXXVI, XXVII en XXVIII
      heeft hij zijn aanwassende vermaardtheit vermeert door zijn zinrijke en hooghdravende gedichten op Prins Willem van
      Nassau’s geboorte, op de Verovering van Grol, en op de komst des Prinsen van Oranje t’Amsterdam, tot slissing van eenige
      verschillen. In deeze dichten ging hy met grooten zwier van kunst breedt weiden in ’s Prinsen lof: zonder des weegen ooit
      de minste vereering van den Vorst t’ontfangen; anders zeer mildtdaadigh tegens de Poëten, wanneer ze zijne overwinningen
      met hunne dichten vereerden. Maar men meent, dat de Prins, wel weetende hoe quaaljck Vondel bij de Predikanten in
      Contra-remonstranten stondt, hem geen gunst toonde om zelf ongunst te mijden 10).

      Dat onze Dichter in ongunst bij de kerkelijken raakte, was gansch niet vremdt; naardien hij hen dikwils op hun zeer tastte,
      met heekeldichten, zonder naame.

      Als ’t eenigsins pas gaf (en ’t gaf, zijns oordeels, dikwijls pas) was hy tegens hen doende. In ’t jaar MDCXXVI of XXVII
      schreef hy ’t bekende Hanekot, daar hij den kerkeraadt van Amsterdam over ’t uit-werpen van den Predikant Kornelis
      Haanekop, als haanen met scherpe spooren, schendig doorsteek. Van dien aardt was ook zijn liedt van Reintje de Vos, ’t
      welk den Burgemeester Reinier Pauw, ontrent dien tijdt, vinnig stak. Hij toonde in dit, en andere dichten van dat slagh, dat
      hij al zijn tijdtgenooten in ’t schrijven van heekeldichten te boven ging, en d’aalouden weinig toegaf, inzonderheid als het de
      Kerkelijken goldt. Ook liet hij zich tegens een vertrout vriendt ontvallen; Als ik dat volk mogh aantasten, dan wordt mijn
      geest gaande.

      Ontrent deezen tijdt overleed zijn eenige broeder Willem van den Vondel: een verlies, dat hem zeer en lang smertte. ’T welk
      zoo ver ging, dat ik hem bijna vijftig jaaren daarna heb hooren zeggen; Ik zou wel schreyen, als ik om mijn’ broeder
      denk. Hij ging my ver te boven. Dees, zich in de rechten geoeffent hebbende, was in den ouderdom van vijfentwintig
      jaaren naar Vrankrijk gereist, en hadde t’Orleeans den tytel van Doctor in de rechten verkregen. Van daar toogh hij voort
      naar Italië, te Siëna, daar hij zich negen maande oeffende, om in de geleerdheit te vorderen. Van daar schreef hy een brief
      in ’t Italiaansch, die de Drossaardt Hooft met groote verwondering las, en wel vijf of zesmaal herlas; zeggende: Ik kan my
      niet verzadigen zulk een schoon Italiaansch schrijft hy. In ’t jubeljaar MDCXXV was hij te Rome. Men vind noch
      eenige weinige staalen zijner Poëzye: zijn klink-dicht onder andere op zijn broeders Treurspel van Jerusalem: voorts schreef
      hij eenige Latijnsche dichten, daar men niet van heeft dan de vertaling, door onzen Poëet onder zijne dichten gestelt: te
      weeten een aanspraak aan Paus Urbaan, en zijn afscheidt van Italië op d’Alpes genoomen. Dit zijn d’eenige overblijfsels
      van dien schranderen geest. Men spreekt noch van een dicht op zijn broeders Lof der zeevaart, en van een klepperdicht te
      Siëna, op ’t paardeloopen gedicht: maar die dingen zijn verlooren. Hy was die jaaren buitenslandts, en viel, toen hij ’thuis
      quam, straks in een quynende ziekte, die hem wechsleepte: niet zonder vermoeden van vergift, hem in Italië ingegeven:
      hetzy dat hy, iemant te naa hadt gesprooken, of dat iemant anders een wrok op hem hadde gevat. De geleerde Kornelis
      Gyselbert Plemp, en een ander, die zijnen naam met drie letteren D.d.B. aanwijst, eerden zijne gedachtenis met Latijnsche
      lijkdichten, die van zijn’ broeder in ’t Hollandtsch zijn vertaalt.”

      Plemp was in die jaren Vondel’s beste vriend en Dr. Sterck is zelfs van meening, dat hij den dichter met Hooft in aanraking
      heeft gebracht, hem zelfs introduceerde in den Muiderkring.

      „De Muiderkring heeft Vondel niet dikwijls in zijn midden gezien,” schrijft Dr. Sterck echter, „Met zekerheid is zijn
      aanwezigheid alleen bekend door de voordracht van zijn epos.” en verder „In latere jaren heeft Vondel zelf aanleiding
      gegeven, dat zijn bezoeken aan het Muiderslot den gastheer minder welkom waren. De katholiek geworden dichter had in
      October 1642 zijn dichtwerk „Brieven der heilige Maeghden en Martelaressen” uitgegeven, voorafgegaan door een vroom
      gevoelde „Opdraght aen de Heilige Maeght,” een gedicht, waarin Vondel, zooals Brandt schrijft, „Maria als een Midlaares
      bij haaren zoon begroet en aanroept” en dat aan „veel opspraaks onderworpen,” was. Dit boek zal Vondel, als gewoonlijk
      aan Hooft hebben gezonden. Blijkbaar is dit vers het onnoozel „Ave Maria”, waarom Vondel, zooals hij aan Hooft schreef,
      meende dat deze hem „zijn geusetafel” verboden had. Immers, dat hiermede het bidden van een „Wees gegroet” bedoeld
      zoude zijn, is niet waarschijnlijk bij een man met libertijnsche beginselen als Hooft, die ook de katholieken Cornelis Plemp,
      Anna Roemers en Tesschelschade, Jan Vos, ja zelfs den priester, kanunnik Joan Albrecht Ban aan zijn tafel ontving.

      Vondel door Hoofts misnoegen (dat deze later eveneens over Vondel „Altaergeheimnissen” uitte) gegriefd, zocht ook een
      gelegenheid om op hem verhaal te nemen en vond die, toen eenige katholieken hem aanzetten om van den Muider Drost
      gedaan te krijgen, dat hij meer vrijheden zou verleenen aan de Roomschen in het Gooi; Vondel had de onhandigheid om bij
      zijn verzoek aan Hooft als dreigement te voegen, dat het hem anders schade zou doen bij een proces, dat Hooft voerde te
      Brussel om het majoraatsgoed van zijn vrouw in het bezit te krijgen. Het gevolg hiervan was evenwel, dat Hooft juist
      strengere maatregelen tegen de Katholieken ging nemen, zoo zelfs, dat hij in 1644 een inval deed bij zijn vriend en
      Muidergast, den advocaat Bartholdus Ingels, op zijn hofstede „Den Ingelenbrugh,” en daar een huiskapel deed uitbreken en
      sluiten. Sedert is de verhouding tusschen Hooft en Vondel niet meer vriendschappelijk geworden, zelfs niet toen de laatste,
      bij de aanbieding van zijn Virgilius in 1646 trachtte de breuk te herstellen.”

      De brief, die Vondel vergezeld deed gaan van het het exemplaar van Virgilius, is merkwaardig genoeg om overgenomen te
      worden.

      Edele gestrenge Heer, mijn Heer Hooft,

      Mij gedenckt, dat ick eens eenen Jode’ een Musikant, mijn Koningklycke Harp aanboodt, die hij weigerde t’ ontfangen,
      dewijl het zijn sabbath was: nu wil ick evenwel niet hopen dat de staetsabbath onzer onderlinge kunstbroederschap den
      toegank van uw huis zal stoppen voor onzen Parnasheiligh, die uwe Ed. hier toegezonden wort, in een Nederduitsch pack
      gestoken. Mishaeght u iet van het mijne, mij zou lief zijn met der tijt iet aengetekent te zien; om het te verbeteren. Behaegt u
      iet van het mijne, zoo laet het eens Sint Virgilius dagh zijn, en te zijner onsterflycke gedachtenisse den roomer eens omgaan,
      doch geenen zoo groot als daer Foleus den Lapithen mede dreighde, maer een’ berckmeier, die den mensch bij zijn zinnen
      laet, en gelyck predikant Adamus met den romer op de hant quinckeleerde, Godt en den mensch verheught, als hij siet hoe
      uit een dor en onnut hout, waervan men niet eenen nagel kan maecken, zulck een kostelijck nat vloeit. Leefde onse vrolijcke
      Mostert, ick weet dat hij het gaerne op die voorwaerde wachten zoude. Weinige maenden voor zijn overlijden noodighde hij
      den Joodschen Doctor noch, om met hem te gaen bij den patiënt met den grooten buick. Zij gingen hene, en vonden gennen
      waterzuchtigen maer het Rynsche wijnvat, en oordeelden stracks het laten geraden, om dien krancken van overtollige
      vochtigheid t’ ontlasten.

      Onze Mecenaten smilten vast, Reael leit in de Westerkerck. Plemp, Baeck, Blaauw Victoryn en Mostert leggen in de
      Nieuwe kerck onder de zercken gekropen, een teken, dat wij volgen zullen: Godt geve ter zalige eere. Onze goede en wijze
      Grotius is oock al hene. Ick nam noch ’s morgens afscheit van zijne Ed. aen stadts herbergh, daer men wat naer packaedje
      wachte, en seide hem van deze overzettinge. Zijn Ed. zeide mij, hoe de Hartogh van Mantua sijn hof met Maroos
      schilderijen verciert, t’ welck ich noch in mijne voorrede te passe breng. Salmasius kan dit gebeente noch niet laten rusten.
      De Borgonions hebben het altijt te Delft op levenden of dooden geladen, Balthassar Geraerts op Prins Willem en dees op
      Grotius asschen. Nu komt er weder een boeck uit van de Transubstantiatie: doch ’t is al crambe repetita. Zu slachten d’
      eeckhorens die vreesselijck zweeten, zonder wech te spoeden.

      Mijn Heer, ick gebiede mij in uwe goede gunste, en sijt met uwe E. gemalinne hertelijck gegroet.
      Uwe Ed. dienstwillige
      J. V. Vondel

      Mijn Heer, ick sende nu eerst de weergade aan den Heer Huigens; alsoo gelieve dit noch wat bij u te houden onder de
      vertrouwsten, dewijl wij noch acht dagen sullen stil sitten met exemplaren te verkoopen en uit te geven, op dat het Huigens
      eerst ontfange. Ich heb het sijn E. toege-eigent met die bescheidenheit dat ick eerst het goetduncken van Brosterhuizen uit
      den Hage daerop gehoort hebbe: hope niet, dat het zijn E. in zijn staet of ampt quetsen zal. Het is Maro, en geen
      kerckgeschil.

      Hooft’s antwoord was beleefd, maar hij nam de aangeboden hand niet aan. Mogelijk, is het dat bij een openhartige
      bespreking der kwetsie de oude hand weer eenigszins hersteld had kunnen worden, maar zoowel door het feit, dat Vondel
      het punt, waarom het ging, niet durfde of wilde aanroeren of misschien verwachtte, dat Hooft nu wel verder op de zaak zou
      gaan door, als door Hooft’s eenigszins starre houding, bleef de verwijdering bestaan. Ten slotte, Vondel’s karakter, voor
      zoover het uit zijn dagelijksch leven spreekt is lang niet altijd te prijzen, maar deze brief is toch zoo kinderlijk-vertrouwelijk,
      dat Hooft zichzelf heusch niet te kort gedaan had wanneer hij hier wat minder „Hollandsch” op had geantwoord. De brief
      van den Drost luidde als volgt:

      Monsr. Vondel,

      Mij gedenckt, dat, als eens de H. H. Staaten van Hollandt, hoewel hun werks genoeg ooverschoot, zeer geneeghen
      scheenen te scheiden, om eenige Helighe daaghen te vieren, de Heer van Oldenbarnevelt, z.g. prijzende hunnen ijver,
      nochtans om hunne Edele Grootino, tot blijven te beweegen, daer bij voeghde, Qui non cessat bene facere, non cessat orare.
      Van geene wet, die zorghden, zoo wettigh, zoo wichtigh, aen zeeckren tijdt van ruste bindt, en daarom van geenen
      Staatsabbbatth en weet ick dan; maar uwer E. driedubbelen dank; voor den arbeidt besteedt aan ’t vertolken van Maroos
      werken, het toeëighenen van dien aan zoo getrouw een’ beminner mijnes vaderlads, en voor ’t boek mij vereert. Ik vertrouw
      dat het veelen te nutte zal dienen. Ued. vertrouwe te weezen

      ten dienst van Ued.

      P. C. Hooft.

      Van den H. te Muide den 27en in
      Hooimaandt des jaars 1646.

      Indien wij in aanmerking nemen, dat Brandt van Vondel getuigde: „als hij yemant eenighsins meende misdaen te hebben,
      zocht hij strax te verzoenen, en quam licht om vergiffenis bidden; zoo dat men reeden hadt zich over zijne vernedering te
      verwonderen,” kunnen wij niet veronderstellen, dat Vondel te stijfhoofdig was om zijn leedwezen uit te druckken of zelfs
      een zekere mate van schuld te erkennen. In dit licht beschouwd kan men Hooft dan ook wel van een zeker gebrek aan
      soepelheid beschuldigen, al was Vondel’s houding even te voren ook niet correct geweest.

      Vondel geeft in een brief aan Hooft, waarmee hij toen nog op goeden voet stond een zekere verklaring van het ontstaan
      zijner Hekeldichten (behalve „Rommelpot in ’t Hanekot” zijn de voornaamste „Harpeon” en „Roskam,” beide verschenen in
      1630) 11):

      Wat ’s d’ oorsaeck? Vraegldmen, wat? De gierigheyd alleen,
      Die ’t algemeen versuyml, en vordert slechs haar eygen;
      En sprack ick klaerdre spraeck, ick sorg sij soume dreygen
      Met breuck en boeten, olie levren aan den beul.
      Want waerheyd (dat ’s al oud) vind nergens heyl nocht heul;
      Dies roemtonen hem voor wijs, die vingen op den mond leyd.
      O kon ick oock die konst: maer wal op ’s harten grond leyt
      Dat weltme na de keel: ick word te stijl geparst.
      En ’t werckt als nieuwe wijn, die tot de spon uytbarst.
      Soo ’t onvolmaecktheyd is, ’t magh tot volmaechstheyd dyen
      Van dees’s ramsalige en beroereljcke tyen.
      Waer in elck grabbelt, tot sijns naesten achterdeel,
      Schrijft anderen toe, en en schuyft op hen de schuld van ’t scheel.

      Hooft vond de gedichten goed; dit blijkt uit een brief, dien hij aan zijn zwager Baek schreef: „De Harpoen is aardig, al zal hij
      velen haarig duncken, niet meer dan de Roskam. Mij dunckt hij te genaadiger, om dat hij ieder naageeft dat hem naakomt,
      en zoo wel voor een goedt betaaler, als voor een scherp maaner gaan magh.”

      Vondel begaf zich omstreeks 1627 naar Denemarken ten einde eenige schulden in te vorderen en maakte op den terugreis
      kennis met Jacob van Dijck, gezant bij den koning van Zweden. Bij deze gelegenheid schreef hij „Tot tol van Zijne Majesteit
      van Zweden betaalt te Gottenburg aan den Heer Jacob van Dijck.”

      In 1628 verscheen het uit het Latijn vertaalde treurspel van Seneca’s „Hippolytus” en in de opdracht bleek duidelijk, dat de
      dichter zinspeelde op de ontvluchting van Hugo de Groot en de terechtstelling van Oldenbarnevelt.

      Omtrent denzelfde tijd verscheen de Boerencathechimus (1629), die door Vossius zeer geestig gevonden werd.

      „Op den Roskam en Harpoen volgde in Junius de Medaalje voor den Gommaristen Kettermeester– en Inquisiteur te
      Dordrecht,” zegt Brandt. „Dit ging vrij scherp en sommigen oordeelden, dat hij den Remonstranten, die hij wou
      begunstigen, met zulk schrijven geen voordeel toebraght; dat men d’ onderlinge verbittering slechts meer ontstak, en de
      quaal verergerde. Ook geleek iemant zulke dichten bij krijgsgranaaten, die zwanger gaan van bederf, en niet baaren om ter
      werelt te brengen, maar om daar uit te helpen. Maar Vondel meende, dat de zeeren van dezen tijdt, zoo diep waren
      ingeëttert, dat men er wijn en eedik 12) in moest wrijven, en den quaaden, of die hij er voor hield, hun eigen bedrijf levendigh
      voor oogen stellen, om hen, waar ’t mogelijk tot schaamte en beternis te brengen. Met dat ooghmerk schreef hij ook het
      Papiere geldt, een gedicht, vol ziels en levens, tegens Schout Bont en anderen, die de Remonstranten te Leiden, zijns
      oordeels, te hardt vielen. Boven den tytel zagh men de print van ’t Leyttsch papieregeldt, in ’t beleg gebruikt, met het
      opschrift, Hace libertatis ergo, Dit ’s voor de vrijheit. In het slot werdt de Magistraat van Amsterdam gepreezen, die de
      Remonstranten met oogluikinge lieten preeken, en een kerk bouwen. Die bewoogh hem ook tot het schrijven van d’
      Inwijdinge des Christen Tempels ’t Amsterdam: een deftig en zeedig gedicht, dat met een’ cierlijken stijl ’t gebruik der
      tempelen ontvoude; dankende Godt en Amstels Raadt voor die verkreege vryheit. Dit gedicht stondt onder een groote print
      gedrukt, daar ’t nieu gebouw in was afgebeeldt; doch de Wethouders, niet willende, dat men met hunne goetheit zou
      pronken, terwijl men de Remonstranten noch in zommige steden lastig viel; ook weetende dat ’er zeer werdt gevoeldt om de
      plakkaaten, tegens hen gemaakt, alomme op nieuw te werk te leggen, lieten niet alleen de print met het gedicht ophaalen,
      maar ook de plaat op ’t stadthuis brengen; daar ze ettelijke jaaren bleef leggen, tot dat men ze, na ’t verzachten der tijden,
      den eigenaar (’t was de Boekverkooper Abraham de Wees) liet volgen.

      Omtrent dien zelven tijdt dichtte onze Poëet dat aardig boertlied, Een otter in ’t bolwerk: waar in hij den Predikant Otto
      Badius, (die meer dan anderen tegens Dr. Samuel Koster, een stout meester in ’t aardig heekelen, uitvoer) bits genoeg
      beschimpte. Over dit liedt raakte Vondel in gevaar van ontdekt te worden. Een der onderschouten, daar, zoo ’t schijnt, lucht
      van hebbende, quam onverziens op de drukkerij, daar men ’t zou drukken; maar de drukker hem gewaar wordende, liet de
      vorm, als bij ongeluk, en uit ontsteltenis over zijne komst, uit de handt, en, gelijk de drukkers gewoon zijn te spreken, in
      pasteij of aan stukken vallen. Maar niet gaf den kerkelijken bijna meer aanstoot, dan zijn dicht, genoemt Decretum
      horribile: Gruwel der Verwoestinge in ’t jaar MDC XXXI uitgegeven. Hier in heeft hij de leere van de verwerpinge, met
      een stijl vol vuur en kunst, wederleit, een kraamvrou invoerende die zich inbeeldt dat een van haere tweelingen verworpen
      is.”

      Omtrent het jaar 1630 kan men den poëtischen strijd tusschen Vondel en de predikanten als geëindigd beschouwen, bij
      gebrek aan tegenstanders, daar de heftigste predikanten zooals Bogaert, Lenertsz, Cloppenburg, Smout en Trigland van het
      tooneel verdwenen, hetzij wegens verbanning of om zich daarvoor te beveiligen. Indien wij de straffen, die Vondel voor zijn
      strijdschriften en later voor zijn Maria Stuart onderging vergelijken met de straffe maatregelen waarmee de onruststokers
      der andere partij aangepakt werd, moeten wij tot de conclusie komen, dat hij in zekeren zin nogal zachtmoedig behandeld is.
      Eén der laatste gedichten op dit gebied was het Vraaghdicht der Amsterdamsche Akadeinie aan alle Poëten liefhebbers
      der goude vrjheit, dat aldus begint:

      Apoll, op Helicon geseten,
      Vraeght syn heylige Poëten:
      Wat beste en slimste tongen sijn?

      Van in den zelf den tijd verschenen gedichten noemen wij: Wellekomst der Heeren Huig de Groot te Amsterdam en
      Maeghdeburghs Lickoffer ontsteecken op het Hoogh Atutaer bij Leipzigh . In December 1631 was Hugo de Groot in
      Amsterdam gekomen en Vondel maakte persoonlijk met hem kennis. In April besloten de staten van Holland echter reeds
      een premie van f 2000,- uit te loven voor dengene, die hem in de handen der Justitie over zou leveren, indien hij na acht of
      tien dagen nog in het land gevonden werd. In dezelfde maand was de Groot dus gedwongen het land weer te verlaten. De
      Groot’s invloed op Vondel is dan ook moeilijk te bepalen. Waarschijnlijk is zijn letterkundige ontwikkeling wel het meest
      gebaat bij zijn omgang met den groote geleerde. Tijdens het verblijf van de Groot te Amsterdam werd een school voor
      Hooger Onderwijs geopend, het Athenaeum Illustre. Het kerkje van het St-Agnietenklooster op den Oudezijds
      Achterburgwal werd ingericht tot het houden van openbare lessen en Vossius en Baerleus werden als Professoren
      beroepen; de eerste opende de Doorluchtige Schoole Januari 1632 met een plechtige redevoering.

      Vondel schreef naar aanleiding hiervan zijn gedicht Inwijing der Doorluchtige Schoole. De beide professoren behoorden
      later tot zijn beste vrienden.

      De jaren, die nu volgden waren voor Vondel een groote beproeving; indien er ooit sprake is van een keerpunt in zijn leven,
      dan is dit wel veroorzaakt door den dood van zijn vrouw en twee kinderen en het vernietigen (en dus volgens hemzelf
      mislukken) van zijn groot werk Konstantijn.

      Alvorens wij Brandt aan het woord laten kunnen wij niet nalaten hier de ontroerendste gedichten uit dien tijd, helaas alle
      naar aanleiding van een sterfgeval in zijn naaste omgeving over te nemen.

      Kinderlyck
      Uitvaert van mijn dochterken
      Vertroostinge aan Geeraerdt Vossius
      Lyckklacht aan het vrouwekoor over het verlies van mijn ega.

      Wij volgen weer Brandt: „Ontrent deezen tijdt liet de Dichter zijn gedachten gaan op eenigh groot werk: weetende dat
      Homeer Zijne Ilias en Ulysses onder de Grieken, Maro door zijnen Eneas, Lueanus zijne Farsalie, Stalius door zijnen
      Thebaanschen oorlog, Valerius Flakkus door zijn Grieksche Zeetoght onder de Latijnen, en in de laater tijden Arioste door
      zijnen Roelandt, en Tasso door zijn verlost Hierusalem onder d’Italiaanen onsterffelijke eere en naam hadden verworven.
      Derhalven besloot hy hun spoor, zoo ver hem mooghelijk was, te volgen, en den toght van den Keizer Konstantijn den
      Grooten naar Rome te beschrijven. Hier over heeft hij zich met den Heere de Groot, dien hy voor het Orakel van alle
      geleerdtheit hieldt, beraaden, en hem den aanvang van ’t werk, tot een staal, laaten zien: waar op hy deezen brief ontfing.

      Seer geleerde en treffelijke vriendt,

      Ik oordeele dat U.E. tot een volkomen Paëma een bequaame stof bedacht heeft, van den togt van Konstantjn naar
      Rome, ’t welk soo grooten gewichle heeft mede gebragt in de zaaken van de werelt. De Grieken roemen Konstantijn
      seer hoogh en noemen hem den Apostelen gelyk. My dunkt dat hy geen quaadt Prins is geweest sedert hy de
      Christelyke Religie heeft aangenomen: maar gelyk de Christenen hem tot den hemel verheffen, zoo zie ik dat
      Zosimus, een blind yveraar in ’t Heidensch geloof, alles opzoekt dat hy kan, met recht met onrecht, om hem te doen
      klein achten. Doch U.E. zeil wijselijk dat het der Poëten recht is de fouten over te zien, ofte niet te geloven van de
      geenen, die zy nemen tot stoffe van haar lot, en tot eelt voorbeelt van deucltt. U.E. begrijpt wel dat daar gele gen
      heil zal zyn om te spreken van de Heidensche en van de Christelijke kerk gewoonten. Van de eerste heeft U.E.
      genoeg voorschriften by de Grieksche en Latijnsche Poëten, en de oude uitleggers daar op; ook hebben weinigh
      voor onzen lijdt daar van niet onbequaamelijk geschreven Giraldus en Rosinus. De Christelijke kerk gewoonten
      van die tijdt kan men zien in de Verdaediginge van Justinus, de werken van Tertullianus, Cyprianus, de Conciliën
      van Neocesarie, Gangres, Laodicea, Ancyre, en het generaal van Niceen, ’t welk, gelijk ook dat van Eliberi in
      Spanje, en ’t eerste van Arles in Walschlandt, zijn gehouden ten tijden van Konstantjn. ’T beginsel staat my wel aan
      en zoo voortgaande twijffel niet aan het duuren van het werk. Godt wil daartoe zijnen zee gen verleenen, en U E.
      met zijn gezin neemen in sonderlinge hoede.

      U E. gantsch dientwillige

      H. de Groot.

      Terwijl hij met dat werk beezigh was baarde zijn huisvrou hem een’ zoon en men overleide wat naam het kint stondt te
      geven. Hij zeide, noem het Konstantijn. Zij voerde hem tegemoet: Niemant van de vrienden heeft dien naam ooit gevoert,
      en wilt gy ’t naar vremden noemen, zoo geef het een schriftuurlijken naam. Hij daar op, noem het dan Gad, naar den zoon
      van Jakob uit Zilpa, Leaas dienstmaaght. Maar die naam geviel haar noch minder. Zij stondt dan toe, dat men ’t Konstantyn
      noemde: daar hy zich in verheughde, hoopende, twee Konstantynen naa te laaten, en den eenen alleen voortebrengen. Maar
      dat zoontje storf in zyne Kindtsheit. Aan dien anderen Konstantyn heeft hy veel jaaren besteedt, en maakt van dat
      heldenwerk in zyn Dankoffer aan Davind de Willem, Secretaris des Prinsen van Oranje, aldus gewagh:

      Ik zoude Uw heusheit dankbaar zyn,
      ’T en deetd de groote Konstantijn,
      Indien ik dat Godtvruchtigh hooft
      Niet zes paar boeken hadt belooft;
      En nu het Christaanhangend heir
      Niet voerde aan ’t Andriatisch meir.

      In zyne Lijkklaght over zijn ega, spreekende van de tijdt van haar verscheiden, laat hy zich dus hooren;

      Terwijl ik t’Aquilea streefde
      Met Constantyn den grooten Heldt
      Door zwaarden op de keel gestelt,
      Door vlam, die naar de starren zweefde.

      Ook doet hy zyn doode echtgenoot hem aldus aanspreeken:

      Dat ramp noch druk uw daagen korten
      Voor dat gy ziet naar Uweit wensch,
      Den vluchtenden tyran Maxens
      Bestorven in de Tiber storten.
      Dan zal Uw ziel ten hemel draven,
      Wanneer het triomfeerende hooft,
      ’T gewijde zwaardt, aen Godt verlooft,
      Ont gort op der Apostlen graven.

      Hieruit kan men afneemen, hoe de Dichter yverde om dat groote werk tot zijn voorgesteldt einde te brengen. Doch het
      overlijden zyner echtgenote benam hem den lust: ’t welk uit een’ brief aan den Heer Huig de Groot, wat laater gezonden, te
      bespeuren is, Myn moedt, schreef hy, heeft sedert de doodt van myn zaalige huisvrouwe een’ krak gekregen, zoo dat
      ik mijnen grooten Konstantyn moet vergeeten, en met iets minders mij zoeken te behelpen. Ik ben aan de treurspelen
      vervallen, Als ik ntijn’ lust in treurstoffen heb geboet, magh ik zien.of ik weder aan mijnen Konstantyn valle. Ik
      beveele my ondertusschen in Uw Ed. mis gunnen.

      Maar in plaats van namaals dat heldendicht te hervatten, liet hy ’t leggen, en ten leste handelde hy zijnen Konstantyn, ’t
      geen jammer is, gelijk Maro zijnen Eneas meende te mishandelen. Maro beval dat men zijn overtreffelijk werk na zijn doodt
      zou verbranden, als niet genoegh overzien en gepolijst: maar Vondel heeft zijnen Konstantyn by zijn leven aan stukken
      gescheurt. Zulk een weerzin hadt hy, met of zonder reden, in een gedicht gekregen, dat hem zoo veel tijdts hadt gekost. Het
      schijnt terwijl dit werk lang onderhanden bleef, en hy ondertusschen in de kunst toenam, dat zyn oordeel, meer en meer
      gesleepen, eindelijk op het voorste ’t welk eerst was geschreven lettende, daar misslagen in vondt, die hy met zulke scherpe
      oogen inzagh, dat hem de lust om voort te gaan verging: daar zulk een ongenadig vonnis, en ’t vernietigen van al zynen
      kostelijken arbeidt, op volgde. Niets bleef ’er van over dan eenige stukken en brokken, die hy sedert in andere werken te
      pas braght.”

      Zoo overmoedig de dichter was na het verschijnen van Palamedes, zoo nederig is hij na de tegenslagen, die hem in
      verbijsterende hoeveelheid binnen een paar jaar tijds troffen. In het begin van zijn loopbaan als dichter leed hij aan
      melancholie en wij kunnen dit begrijpen bij een trots alles sterke geest als Vondel, die ontzaglijke moeilijkheden had te
      overwinnen, alvorens hij het begin van zijn „vorm” gevonden had. In dezen tijd echter, nu hij en in zijn werk nogmaals een
      crisis doormaakt en in zijn omgeving de zwaarste beproevingen moet ondergaan, is hij gewapend. Wij kunnen uit de
      verschillende stemmingen der zooeven aangehaalde gedichten stuk voor stuk aanvoelen hoe hij zich wapende. Wij kunnen
      tevens aannemen, dat in dezen tijd den grond gelegd werd voor zijn lateren overgang tot de katholieke kerk, al zijn hiervoor
      ook nog andere gronden als b.v. zijn omgang met Plemp en zijn bestudeering der Christelijke Oudheid van Rome voor zijn
      „Konstantijn” aan te wijzen. Dr. Sterck zegt naar aanleiding hiervan:

      „Door de velerlei zware slagen in zijn dierbaar gezin geleden; door de weinige sympathie bij moeder en zuster voor zijn
      dichtkunst, door de teleurstelling zijn Constantinade niet te kunnen voltooien, door de geringe voldoening, die zijn innig vroom
      gemoed vond, zoowel in de kerkelijke twisten, als in den afkeer van het tooneel bij de Doopsgezinden:– moet Vondel wel in
      die dagen in een stemming verkeerd hebben, die zijn edel hart vurig deed verlangen, naar een geloof, dat hem krachtig kon
      opheffen uit die sombere neêrslachtigheid, die hem overal naar troost deed zoeken, zonder troost te kunnen vinden.

      Zijn zelfbewust karakter had hem vroeger opgezet tot overmoedigen strijd, nu kwam de reactie die hem neerdrukte.
      Wanneer professor B. H. Molkenboer in de voorrede van zijn voortreffelijke Lucifer-uitgave aantoont, dat het
      Lucifer-motief, dat in de vernedering van den hoogmoed, door Vondels geheele dichterlijke leven waarneembaar is, zou ik
      deze opvatting willen verklaren en aanvullen uit het feit, dat de dichter in zijn eigen binnenste ook dezen strijd hevig heeft
      mede-gevochten. Nu had hij ervaren, hoe dit kwaad werd bestreden en uitgeroeid door de beproevingen van tegenspoeden
      en ellenden, waarmee hij zoo veelvuldig bezocht was geworden. Door vernederingen werd zijn hart gelouterd.”

      Eén der wapenen tegen een volkomen ondergang in zijn verdriet, was zijn werk, dien hartelijken troost van elk kunstenaar,
      van elk mensch, waarin de elasticiteit van den menschelijken geest ten opzichte van de moeilijkheden des levens zoo
      duidelijk tot uiting komt. Hij had, niettegenstaande het mislukken van Konstantijn, vertrouwen in zichzelf, en dit vertrouwen
      hielp hem over de eerste moeilijkheden heen.

      De vriendschap tot Hugo de Groot wordt in deze tijden steeds inniger. Had hij Hippolytus reeds opgedragen, aan den
      getrouwen Hollander, waarmee hij de Groot bedoelde, weldra verscheen een vertaling van dien Sophompaneas, die
      verscheen onder den titel van Huigh de Groots Josef of Sofompaneas. Treurspel. Vertaalt door J. v. Vondel. Later
      wordt zij ter onderscheiding van de andere spelen, waarin de geschiedenis van Joseph behandeld wordt, gewoonlijk Joseph
      in ’t Hof genoemd.

      Toen in 1637 de Nieuwe Schouwburg aan de Keizersgracht, die Coster’s Academie verving, geopend werd, maakte Vondel
      voor deze gelegenheid een treurspel Gijsbrecht van Aemstel. Hoewel de eerste opvoering bepaald was op 26 December
      1637 moest deze uitgesteld worden door het drijven der predikanten tot 3 Januari 1638.

      Op den Gijsbrecht volgde een vertaling van Sophocles’ Elektra (1639) en in hetzelfde jaar een nieuw oorspronkelijk
      treurspel De Maeghden; de treurspelen volgden elkaar trouwens in verwonderlijke snelheid op. Op het eind van 1639
      verscheen nog De Gebroeders en in Januari 1640 werd al weer een nieuw tooneelstuk van Vondel opgevoerd nl. Joseph
      in Egypten; weldra gevolgd door Joseph in Dothan, beide in October van hetzelfde jaar uitgegeven.

      In 1641 ging Vondel openlijk over tot de Katholieke kerk. Wij hebben hierboven reeds aangegeven welke redenen tot dezen
      stap gevoerd kunnen hebben. Velerlei psychologische beschouwingen kunnen er niet aan vastgeknoopt worden, doordat van
      een dergelijke ingrijpende verandering in ’s menschen geest gewoonlijk slechts weinig tot uiting komt. In hoeverre men
      meent in de hiervoor genoemde tooneelstukken reeds een aanwijzing te zien tot dezen overgang zullen wij daar ter plaatse
      behandelen.

      Zijn eerste groote werk moest wel ter eere van de Katholieke kerk zijn, nog in 1641 verscheen Peter en Pauwels; het stuk
      werd opgedragen „aan Eusebia” waarmee volgens sommige onderzoekers Tesselschade, volgens anderen zijn dochter Anna
      is bedoeld, die hem voorging in den overgang tot de Katholieke Kerk. Wij volgen nu weer Brandt, die in zijn beschrijving
      echter niet kan nalaten zijn eenigszins anti-katholieke gezindheid uit te doen komen.

      Maar hij, om zijnen ijver tot bevordering van ’t Roomsch geloof te meer te toonen, stelde zijn pen ook te werk aan een
      lierdicht op ’t Eeuw gety der Heilige Stede t’Amsterdam. slaande op het wonderwerk, dat de Roomschgezinden beweeren
      aldaar, driehondert jaren geleeden, geschiedt te zijn. Dit quam in den jaare MDCXLV te voorschijn, maar verwekte hem
      veel haats en maakte een heelen hoop van onroomsche Rijmers gaande, die hem, met lamme steekeldichten en
      krabbelingen, elk om strijdt, te keer gingen, nergens toe dienende, dan om ’t graau tegens hem te verbitteren. De Drossaardt
      Hooft, toonde ook eenig misnoegen over dat Eeuwgety, schrijvende aan den Professor Barlaeus; Vondel heeft een vaars
      gemaakt op ’t wonder, waar af de Heilige Steê haaren naam draagkt: en laat het openbaarlijk voor de
      boekwinkels ten toon hangen, gelijk de voorvechters de messen in de luifen steeken, om de oogen der
      voorbijgangers te tergen, als men zeggen, wie ’t hart heeft pluike. My deen des man die geenes dings eerder moede
      schijnt te worden dan der ruste. T’ schijnt dat hij noch driehonderdt guldens in kasse moet hebben, die hem
      dreigen de keel af te bijten. Noch weet ik niet of het Item niet wel dienden moghte komen te staan; ende d’een oft
      andre heethansen by ontyde de handen aan hem schenden, denkende dat er niet een haan naar kraajen zoude. Dit
      spel immers, maakt zulk een brabbeling in de wacht, dat er alle daaghs nieuwe krabbeling uit rijst. Bij dat Eeuwgety
      voegde de Poeët het Kenteken des afvals, ’t welk met fel uitvaren noch meer aanstoots gaf, hoewel er min tegens gedaan
      wierdt, hebbende de Nakrabbelaars hunnen aêm te einde geloopen.

      Doch deeze twee gedichten waaren maar voorloopers van grooter werk, dan de Dichter lang aan hadt gearbeidt te weeten
      d’ Alltaargeheintenissen, die hij in ’t naajaar te voorschijn braght. Dit werk, ontvouwende de Misse, was verdeelt in drie
      boeken. Het eerste handelde van d’ Offerspijze, het tweede van d’ Offereere, en ’t derde van d’ Offerhande. Hij hadt zich
      gedient van den raadt en hulpe der allergeleerdsten en spitsvondighsten der Roomsche kerke, die hij ’t Amsterdam kon
      vinden, en volgens hunne aanleiding, en op hunne gronden, was ’t geleerdt en kundstig uitgevoert:

      Inzonderheit was men verwondert, dat hij de duistre woorden van Thomas Aquinas, en andere Paapsche Schoolleeraaren,
      omtrent deze stof bedacht, zoo gelukkig in ’t Hollandtsch wist te drukken. Maar wat wat de zaake zelve aanging, die bleef
      niet onbestreden.” Jacob Westerbaan schreef een niet onverdienstelijk verweer, waarop Vondel slechts met een achtregelig
      gedichtje antwoordde. Prof. Molkenboer merkt hieromtrent op: „Het ontbreken van een antwoord mogen wij niet wijten aan
      Vondel theologische onmondigheid, of aan een soort hopeloosheid om het versprokene goed te maken, maar eerder aan de
      vaste bewustheid van de bekeerling, dat hij geen blind geborene genezen kan.”

      In 1646 kwamen eindelijk weer twee groote dicht-werken nl. de Virgilius verlating in proza en „Maria Stuart.” Wij
      vermelden nog dat hij even te voren een bloemlezing had uitgegeven van enkele van de Groot’s geschriften onder den titel
      Grotius’ testament. Ter gelegenheid van het vredesverdrag tusschen Spanje en De Nederlanden schreef Vondel „De
      Leeuwendalers.” In hetzelfde jaar publiceerde hij eveneens „Salomon.”

      Brandt vervolgt: „Hierna vondt zijn heekelpen weêr werk in ’t jaar MDCL, naa ’t mislukken van den toeleg op Amsterdam.
      Toen schreef hij verscheidene dichten, die den aanslagh en d’ aanraaders mispreezen. Deze quaamen wel zonder naame te
      voorschijn, maar yder regel, ja bijkans elk woordt, gaf den Dichter, genoegh te kennen: die in drie volgende jaaren niet den
      eenige korte dichten uitgaf: waar onder d’ Uitvaart van den Admirael Marten Harpertzoon Tromp uitmuntte, beide door taal
      en stof.”’ In 1654 verscheen Lucifer.” Zooals men weet werd Lucifer den 2en Februari opgevoerd en daarna nog den 5en
      maar de verdere voorstellingen werden verboden. De groote schade door het Wees- en Oudemannenhuis, geleden, nu de
      kostbare toneeluitrusting slechts twee maal gebruikt werd, trachtte Vondel te vergoeden door een ander treurspel te dichten,
      waarin dezelfde uitrusting nogmaals gebruikt kon worden. Ofschoon hij dit stuk „Salmoneus” spoedig klaar had, werd het
      eerst drie jaar later opgevoerd. Het werd in 1657 gedrukt, evenals Davids Harpzangen.

      In het zelfde jaar ging hij weer naar Denemarken. Deze periode is geheel gekenmerkt door het leed dat Vondel’s zoon Joost
      hem berokkende. Het ging hem financieel zoo slecht, dat hij in 1658 een betrekking aan moest nemen aan de Bank van
      Leening, waar hij bleef tot 1668. Gedurende zijn verblijf op de bank maakte hij nog verschillende treurspelen, te beginnen in
      1669 met Jephta.

      „Al die treurspelen stuksgewijs te verhaalen,” zegt Brandt, „zou te lang vallen: dies zal ik ze slechts optellen, naar ’d orde
      der jaaren, als ze te voorschijn quaamen. Koning Edipus uit Sophokles volgde kort Jephta, en hier op Koning David in
      ballingschap: voorts David herstelt: Samson of heilige wraak: Adonias of rampzalige kroonzucht: Batavische Gebroeders,
      of onderdrukte vrijheit: Faëton, of reukelooze stoutheit, Adam in ballingschap, of aller treurspeelen treurspel Itfgenie in
      Tauren uit Euripides: Zungchin, of ondergang der Sineesche heerschappije; Noah, of ondergang der eerste werelt:
      Euripides Feniciaansche of gebroeders van Thebe: en eindelijk Herkules in Trachin van Sophokles.”

      „Nu staat ons het overige van des Dichters werken kortelijk te melden. Terwijl hij noch in de Leenbank zat beneepen, gaf hij
      in den jaar MDCLX den geheelen Virgilius uit, in Nederduitsch dicht vertaalt; en al kon hij dien grooter voorganger niet altijd
      met gelijke schreden volgen, noch in luister van eere met hem gelijk staan, (’t welk het menschelijke vermoogen, bijkans te
      boven gaat) nochtans oordeelden de kenners, dat hij hem veel tijdts zeer naa quam, en als op de hielen tredende, geen
      kleenen lof verdiende. Ook heeft hij, in den jaare MDCLXII en LXIII, drie werken van heilige stoffe, of den Godtsdienst
      betreffende, in ’t licht gebraght: De Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst tegens d’ Ongodisten, verloochenaars der
      Godtheit, of Goddelijke voorzienigheit, Johannes den Boetgezant en De Heerlijkheit der Kerke, haer ingang, opgang en
      voortgang: boeken, waar in hij verscheide stoffen van Godtgeleertheit in zuiver Duitsch met met kunstige welsprekentheid
      (hoewel, naar ’t oordeel der Onroomschen, niet zonder groote misslagen) verhandelt: voornaamelijk in zijne Bespiegelingen,
      die met groot overleg, en raadt van geleerde mannen waaren bearbeidt.

      Eindelijk quam de Herscheppinge van P. Ovidius Naso in den jaare MDCLXXI, in ’t vierentachtighste zijns ouderdoms, in
      dicht overgeset, aen den dagh, een werk dat verwonderlijk was, ten aanzien van soo hooge jaaren.

      „De leste Gedichten, die men van hem zagh, waaren etlijke bijschriften op den Heer Johan de Wit, en zijnen Broeder den
      Ruwaart, verfoejende den moordt in den jaare MDCLXXII aan hen gepleegt; een gedicht op de zeege van Groningen, van
      de Bisschop van Munster in ’t zelve jaar vergeefs belegert; een ander op het verkoopen van Italiaansche schilderijen, de
      zeege der schilderkunst; het grafschrift op den Heer Johan Blaau, en ’t bijschrift onder d’ afbeeldingh van den
      Onderadmiraal Johan de Liefde, in ’t jaar MDCLXXIII; en ’t allerleste het Bruiloftsdicht het huwelijk van Sybrant de Flines
      met Agnes Blok ( in September des jaars MDCLXXIV, toen hij zijn zeven en tachtigste jaar op weinig weeken na hadt
      bereikt”.

      Het einde van den grooten dichter beschrijft Brant als volgt:

      „Sedert liet hy de Poëzy rusten: te meer om dat hem de Geneesmeesters verboden yet te doen daar zyn herssens op mosten
      werken; oordeelende dat het hem in dien ouderdom ten hooghsten zou schaaden. Hy volgde dien raadt, en behielt, tot
      weinigh tytds voor zyn doodt noch een vaste gezontheit. In den jaare MDCLXXVI zagh ik hem noch etlyke geschreve
      gedichten leezen, zonder bril, daar hy zich nooit van diende. Het eerste dat in zijnen ouderdom bezweek, waren de beenen;
      dies most hy, zijn gangh hem begevende, zich in huis houden. Ook begost zijn geheugenis ontrent desen tijdt te verzwakken:
      want hem bezoekende bevondt ik, dat hy somwyl in ’tmidden van zijn reede bleef steeken, en den draat van zyn gesprek
      verloor of vergat; maar als men hem indachtig maakte, ’t geen hy even te vooren zeide, dan hervatte hy zyn reede, en ging
      voort. Dit viel hem moeyelyk (want zyn oordeel was noch volkomen) zoo dat hy zomtijts met droefheit zeide: ik ben niet
      langer bequaam met menschen te spreken, of een reede te voeren. In deezen standt echter heeft hy, op myn vraagen,
      verscheide dingen openhertig gemelt, die hy voorhenen plagh te bedekken: rondt uit bekennende dat het Hanekot het liedt
      van den Otter, en Reyntje de Vos, met verscheide andere gedichten, in voortijde zonder naam gedrukt, pylen uit zyn kooker
      waaren. Het Vlaamsch schimpdicht op het geschil der predestinatie beginnende, Ol es de niensch elacie, schreef hy den
      Heere Laurens Reaal toe. Het gedicht op de Haaghlopers, beginnende ’T malle Ventje was, zeide hy, Mosterts werk: en
      een ander van Malle Jan de vent, het maaksel van Hendrik Hooft broeder des Drossaarts.

      In deezen tydt en toen hy niet langer gaan, en naaulyks staan kon, en altydt by den haart moest zitten, strekte hem ’t bezoek
      en d’ aanspraak der vrienden tot geen kleen vermaak; die hy in ’t scheiden met hertelyke handtdrukkinge, en een Godt loon
      ’t, bedankte. Onder de geenen die hem in zijn leste jaaren meest bezochten, was d’ Advokaat Plemp en zyn broeder, zoonen
      van zynen ouden vriendt den geleerden Korneus Gyselbert Plemp: ook de Dichter Antonides, eer hy naar Rotterdam met
      den woon vertrok, Geeraard Jakob Leeuwen, en de schilder Flips de Koning, met weinige anderen. In ’t jaar van
      MDCLXXVII, het negentigste zyns ouderdoms, liet hy zich met een slede aan de huizen van twee Burgemeesteren rijden,
      en zoo zwak van lichaam als van geheugenisse, by hen leiden of dragen: hun, elk in ’t bizonder, met half gebrooke woorden
      biddende, dat ze zyn zoons zoone, maar hem genoemt, die hun beide, van moeders weegen, in maaghschap bestondt,
      met eenig ampt of bedieninge willden voorzien: of dat hy, die nu by een Schoenmaker wrocht, en weinigh won, daar
      van moght leven. Maar op dat verzoek kreegh d’oude man geen anderen troost dan goede woorden.

      Hier na volgde allengs een verval van krachten. Zijn ouderdom was zyn ziekte. Het pit des levens ontbrak oly: de lamp most
      uitgaan by mangel van voedzel. Ook begaf hem de natuurlyke warmte, en de koude des winters viel hem des te lastiger: zoo
      dat hy met een’ zyner vrienden daar van spreekende, al boertende, verhaalde dat hy een grafschrift op zich zelven hadde
      gemaakt. Men magh, zeide hy, als ik sterf op myn graf zetten,

      Hier leit Vondel zonder rouw,
      Hy is gestorven van de kouw.

      Dit meen ik was de leste snik zyner Poëzye. Hy verlangde nu naar de doodt, klagende dat d’ ouderdom een zwaare last
      was, maar zeide noch somwijl al boertende, Ik ben oudt, maar niet geemelijk. Hy plagh van oudts van de doodt te hooren
      spreken: en ziende zyn zoons zoon, Willem van den Vondel, in den doodt-kist leggen, zeide tot zyn dochter Anna: Wat is de
      dood een leelyke pry! daar leit nu die schoone iongeling, en is een lyk, dat rot. Op een anderen tijdt zeide hy tegens
      zyn nicht Agnes Blok, ik heb geen zin in de doodt, en als zij vraagde, Hebt gy wel zin in ’t eeuwigh leven? was zyn
      antwoordt, jaa daar heb ik lust toe: maar ik wilde ’r wel als Elias naar toe vaaren. Doch nu begon hy somwyl tot haar
      te zeggen; Bidt voor my, dat Godt de Heer my uit dit leven wil haalen, en als ze hem vraag-de, Wilt gy dan nu dat die
      leelyke pry koome? zeide hy in ’t lest, Ja, dat ze koome, of ik langer wachte, Elias wagen zal toch niet koomen, men
      moet den gemeenen wegh in. Eindelyk verkreeg hy zynen wensch. By zyne zwakheit quam een weinig ziekte, doch voor
      hem genoeg. Hy lagh ontrent acht daagen, maar zonder merkelyke pyne, of schyn van benaautheit: zoo dat hy scheen te
      sterven zonder ziek te zyn. Ook ontging hem zyn adem en geest, zoo zacht en onvoorziens, dat de vrienden, die in huis
      waaren, om op zyn einde te letten, zijnen uitgang naaulyx merkten. Dit geschiedde den vyfden van Februarius in den jaare
      MDCLXXIX s morgens tusschen vier en vyf uuren (na dat hy op zyn doodtbedde, volgens de wyze der Roomsche kerke,
      was berecht, in den ouderdom van eenentnegentig jaaren, twee maanden en negentien daagen: ontrent zeventien jaaren
      ouder geworden dan Euripides, en op zeeven jaaren, zoo oudt als Sofokles; de twee vermaardtste Treurspelschryvers, die hy
      meest poogde te volgen. Hy wordt op den achtsten dagh der zelve maandt in de nieuwe kerk t’Amsterdam, by ’t Pausdom
      aan de Martelaresse Katharina toegewydt, (niet ver van ’t Koor, naar de damdeur) toe door veertien Poëten of liefhebbers
      der Poëzye, ter aarde gebraght. Hier leit hy in de zelve Kerk, daar de Drossaart Hooft, en Barlæus, die groote Poëten; en
      ook Daniel Mostaart, Joan Victorijn, Cornelis Gyzelbert Plemp en Jakob Baake, zyn waarde vrienden, in d’ aarde rusten.
      Maar dees voortreffelyke Dichter, die zoo veele graven van groote mannen met zyne vaarzen vercierde, werdt hier
      begraven zonder eenigh grafschrift of het minste gedenkteeken van eere: tot dat, ontrent dry jaaren naa zyn doodt, de heer
      Joan Six, Heer van Wimmenum en Vromade, Outscheepen en Raadt der stadt Amsterdam, dit tydtvaars op zyn graf-zerk
      liet houwen.

      VIR PHOEBO ET MVSLS GRATVS VONDELIVS HIC EST

      ’T welk wy dus vertaalen,

      HIER RVST VAN VONDEL, HOOGH BEIAARDT, APOLLE EN ZIIN’ ZANGBERG VVAARDT.

      Doch ten tyde zyner begraafenis werdt zyne gedachtenis met een groot getal lykdichten van Antonides, Vollenhove,
      Oudaan, en anderen, te veel om te noemen vereert: hem ten toon voerende en betreurende, als den grootsten Poëet zyner
      eeuwe, die in alle deelen der kunst uitmuntte. Petrus Francius, Professor der welspreekenheit, een uitneemend Latynsch
      Poëet, schreef ook een grafschrift, kort van woorden, maar ryk van zin. Hij gaf hem den tytel van PRINCEPS
      POETARUM, Vorst der Dichteren: zeggende dat Maro, Horatius en Sofokles met hem waaren begraaven, en dat men
      zyn graf most vereeren: dewyl het betaamde den ouden te eeren, en voor al dien Poëet, die ze allen te boven ging, in jaaren
      en in verstandt. Den lykdrageren werd een zilveren gedenkpenningh, vertoonende aan d’ eene zyde ’s mans beeltenis, en
      aan d’ andre zyde een zingende zwaan, tot zyner gedachtenis, vereert. Hier las men het jaar en den dagh van zijn geboorte
      en doodt, met dit beschrift, D’OUDSTE EN GROOTSTE POEET.”


Home Page |  What's New |  Most Wanted |  Surnames |  Photos |  Histories |  Documents |  Cemeteries |  Places |  Dates |  Reports |  Sources