Notes


Matches 175,351 to 175,400 of 177,162

      «Prev «1 ... 3504 3505 3506 3507 3508 3509 3510 3511 3512 ... 3544» Next»

 #   Notes   Linked to 
175351 woonde bij haar grootmoeder in Finsterwolde. Nadat die in 1729 was overleden, raakte ze zwanger van een zekere Jan Jans Zand uit Bellingwolde, waarna het jonge stel moest trouwen. Deze Jan werkte wellicht op de boerderij als eerste knecht. Hij kwam in elk geval niet uit een bekende boerenfamilie. Met uitzondering van de jongste zoon Jan namen alle kinderen de deftige achternaam van hun moeder aan. Daaruit stamt de Oldambtster boerentak van de familie.
In de Oldambtster tak treffen we verschillende orthodoxe predikanten, terwijl de boerendochters vaak met predikanten of godsdienstonderwijzers trouwden, met namen als Cazemier, Jellema, Kramer, Van der Lecq, De Vries, Jonkers, Tichelaar, Van Anken, Lodder, Van Noppen en Riphaagen. 
Knöttnerus, Diewertien (I1383956)
 
175352 Woonde bij haar verloving op de v. Slichtenhorststraat 6 Nijmegen Vos de Wael, Theresia Francisca Maria (I11947)
 
175353 Woonde bij haar zuster en zwager Coebergh in huis. Schermer, Marie Catherine Gertrude Jeanette (I12359)
 
175354 Woonde bij verloving te Schoonhoven Malingré, Elisabeth Maria Anna (I926)
 
175355 Woonde bij zijn huwlijk in de Gasthuisstraat van den Braak, Joannes (I2615)
 
175356 Woonde Bijleveldsingen 25 Nijmegen Wijnkoper te Nijmegen, consul van Frankrijk de Bruijn, Arnoldus Leonardus Antonius Joseph Marie (I7435)
 
175357 Woonde boven de apotheek van haar zoon Henri. Zij was een magere vrouw met zwarte muts met linten op, zooals toen gedragen werd. Tegen St. Nicolaas mochten de Peetkinderen de schoen komen zetten en op 5 Dec. werd dan eerst naar den sleutel gezocht, daar "St. Nicolaas" de kamer afgesloten had en vonden wij daarna bij iedere schoen, een geschenk staan met versnaperingen. Zij kwam dagelijks bij haar schoonzoon Willem Petrus eten op de Lange brug en daar zij oud zijnde ook slecht ter been was, mocht Willem Theodoor als jongen van 10, 11 jaar haar halen voor tafel en 't ronde bolle mandje dragen, waarin de muts was geborgen. Zij was een groot liefhebster van kaartspelen (jassen, en "smous" jassen (a deux), 't kruisjassen gebeurde met vieren); zij had in de laatste jaren van haar leven, daar zij wat kindsch werd, een Belgische zuster als verpleegster bij zich. Zij was een zuster van oud oom Cornelis van den Braak, wethouder te Schoonhoven, van waar Grootma Weebers (Johanna Wilhelmina van den Braak) afstamde; de familie Coebergh logeerde vaak in Schoonhoven op de Haven. van den Braak, Dorothea Maria (I510)
 
175358 woonde Breedstraat Cruijs, Magdalena (I462703)
 
175359 woonde buiten de Sint Antoniuspoort aan de Oude Schans bij de Snoekjesbrug in den Snoeck Snoeck, Jan Pieterszn (I641088)
 
175360 Woonde eerst te Waarder (waarschijnlijk op de Zwarte Dijk), later te Woerden. Zwartendijk, Dirk Pietersz (I505282)
 
175361 Woonde en studeerde in Leiden op de tekenschool van het genootschap "Mathesis Scientiarum Genetrix", daarna leerling van de Haagse Akademie van B.K.(Beeldende Kunsten); raadgevingen van W. Maris, trok in 1884 naar Vreeland, daarna weer naar Den Haag (Scheveningen), van 1887-1908, maakte een reis naar Nederlands Indië en bleef daar tot 1914, keerde terug naar Den Haag en ging in 1916 weer naar Nederlands Indië. Belangrijk schilder en vooral ook aquarellist van landschappen en vooral watergezichten, heeft ook geëtst. Signeerde: F.J. du Chattel. Tentoonstellingen te Amsterdam, Rotterdam, Den Haag van 1873-1905: stadsgezicht te Leiden; de omgeving van Wassenaar; bij Warmond; bij Oegstgeest; hofje te Leiden; tientallen zomer- en winterlandschappen; watergezichten, o.m. aan de Vecht; vijvers in parken en bossen; veel in aquarel enz., vooral ook de Broeksloot bij Den Haag en gezichten bij Vreeland. Haags gemeentemuseum: winter; winterlandschap; landschap. Boeken: Colmjon-Scheen; Luns; Lurasco; Plasschaert; Thieme-Becker; van Hall I en II; Waller.

Officier in de Orde van Oranje Nassau. 
van Rossum du Chattel, Fredericus Jacobus (I661083)
 
175362 At least one living or private individual is linked to this note - Details withheld. Living (I476)
 
175363 woonde Herpenschayck op ,,Hooch Believen" en bezat nog een huis, het Erckelskot, ald.
Hij wordt vermeld (Heerlijkheid Uden) 10 Jan. 1542 en 3 Febr. 1542. 
de Bruyne, Gerrit "d' Alde" (I510314)
 
175364 woonde in 1619 waarschijnlijk te Goch Beek, Jan (I646270)
 
175365 woonde in 1632 in de Molenstraat te Den Haag. Zij liet 955 gulden na, waarvan haar broer Job de helft erfde. van Brederode, Petronella of Perona (I246684)
 
175366 woonde in 1679 in de Visscherstraat Begraven 29.01? Coebergh, Cornelis (I2598)
 
175367 woonde in 1934 te Gantjer Temoe Nederlandsch Indie van den Bergh, Johannes Paulus (I661019)
 
175368 Woonde in Bandoeng
werkz. Ondern. Sadarche Madjalenka (Cheribon, Java) 
Schaepman, Gustaaf Ignatius Johannes (I11102)
 
175369 woonde in bij zijn broer Albertus van Empel, Henricus (I348410)
 
175370 Woonde in de Breestraat te Enkhuizen.
Met regeerteeken  
Semeijns, Meinert (I791617)
 
175371 Woonde in de Caterstraete te Breda naast 't Begijnhof, onbejaard in 1563; wordt genoemd in de akte bij het overlijden van Cathelijn Papenbrugs in 1580 Lips, Jan (I4755)
 
175372 woonde in de Hamstraat als bakker.  Veldhuyzen, Egidius Marcellus (I685362)
 
175373 woonde in de Herenstraat te Utrecht, procureur voor de kleine rol 's
Hoofs van Utrecht. 
van Brederode, Artus (I246529)
 
175374 woonde in de Meierij, wellicht te Oirschot. de Cort, Henricus (I512267)
 
175375 woonde in Dordrecht bij zijn vader in huis "De Gans" naast de Munt. Hij werd genoemd 1439-1457. van Beveren, Jacob Willemsz. (I482711)
 
175376 woonde in Grave aan "Dander Sijde van de Olijstraat" Coebergh, Gillis (I3254)
 
175377 Woonde in het huis bij de St. Petruskerk te Boxtel, Kerkstraat van Erp, Johanna (I503767)
 
175378 woonde in Kradenholl Halbach, Johann Caspar (I176152)
 
175379 Woonde in Parijs en was employe bij 't National Comptoir d'Escompte. Maakte het beleg van Parijs mee in 1870. Volgens de overlevering zou hij in 1870 bij de commune van Parijs met een milliard francs met een zijner directeuren van Parijs naar Nantes zijn gevlucht om dit geld te bergen. Na den opstand kwam hij terug en verbeterde zijn positie. Intusschen ging hij toen lijden aan algemeene paralyse (t.g.v. een venerische ziekte ?) en werd door zijn broer Willem Petrus uit Parijs gehaald en onder gebracht bij broer Jan in Vught nadat zijn pensioen was vervallen door het faillissement van het Comptoir (door speculatieve verliezen in koper van een der direkteuren). Was helemaal van zijn godsdienst af doch overleed gereconcilieerd, mede door invloed van zijn vrome broer Jantje. Weebers, Michiel Willem Hendrik (I252)
 
175380 woonde in Pernis. Hij werd van 1379 tot 1397 vermeld in domeinrekeningen van Putten. De hofstad Putten beleende hem op 01-05-1384 met een huis en land te Pernis. van Riede, Arnt Arntz (I482801)
 
175381 woonde in zijn jeugd in Hanau, een stad bij Frankfurt am Main. Zijn vader was werkzaam als 'architect' (Baumeister in het Duits) en moet genoeg inkomsten hebben gehad om zijn zoon naar het gymnasium in Hanau te kunnen sturen. Hij groeide op in een Evangelisch gezin in een stad die onderdak had verleend aan Nederlandse protestanten die voor de Spaanse vervolging waren gevlucht. Er wordt verondersteld dat zijn moeder een Nederlandse was, alleen al om zijn fraaie Nederlandse prozastijl te kunnen verklaren. Hij bleef tot zijn achttiende jaar in Hanau.
Omstreeks 1645 bedroog graaf Ludwig von Solms-Greiffenstein, een verarmde edelman uit dezelfde streek als Rumphius, zijn landgenoot en anderen met het praatje dat hij soldaten rekruteerde voor de republiek Venetië, terwijl hij in werkelijkheid 'zielen' ronselde voor de Nederlandse West-Indische Compagnie. In de illusie dat hij naar Italië reisde, ging Rumphius aan boord van het schip met de toepasselijke naam De Swarte Raef, dat onderweg was naar Brazilië, waar de Nederlanders tegen de Portugezen vochten. Maar het schip bereikte nooit zijn bestemming; het werd door de vijand veroverd en de misleide passagiers belandden in Portugal. Rumphius bracht daar bijna drie jaar door, hoogstwaarschijnlijk als soldaat, en het kan heel goed zijn dat hij in het land van de koloniale concurrent van de Nederlanders de bekoring onderging van wat Camões noemde 'de oceanen van het Oosten bezaaid met hun ontelbare eilanden'.13
Dat zijn verbeelding op hol is geraakt door de woorden van zijn Lusitanische voorganger, Garcia da Orta, die een invloedrijk boek over tropische kruiden en planten schreef, Coloquios dos simples e drogas da India, gepubliceerd in 1563, is onwaarschijnlijk. Op basis van interne aanwijzingen in het werk van Rumphius en Orta trachtte de Portugese geleerde Ficalho dit aannemelijk te maken. Orta's oorspronkelijke tekst was zelfs in die tijd buitengewoon schaars, zodat Rumphius alleen in Portugal een exemplaar kan hebben gelezen.
Na een verblijf van bijna drie jaar in Portugal (waarschijnlijk van 1645 tot 1648) keerde Rumphius naar Hanau terug. Hij schijnt als 'bouwopzichter' en leraar van de zoon van de edelman gewerkt te hebben bij een plaatselijke graaf, Johannes von Nassau-Idstein. In 1652 nam Rumphius vrijwillig dienst bij de Nederlandse Oost-Indische Compagnie en ging op de dag na Kerstmis onder-weg als adelborst, een rang tussen gewoon soldaat en korporaal. In juni 1653 kwam hij in Batavia aan en hij verliet de tropen nooit meer.
Toen Rumphius in Indië aankwam veranderde de Compagnie zonder dat men er erg in had van een zuivere handelsorganisatie in een koloniale macht. De redenen waren zowel politiek als economisch: om de onophoudelijke infiltratie van concurrerende Europese machten in wat de voc als haar privé-handelsgebied beschouwde, ongedaan te maken. De Molukken, beter bekend onder de foutieve verzamelnaam Specerij-eilanden, waren hun oorspronkelijke doel geweest en de Nederlanders stichtten hun eerste handelspost op Ambon, het eiland dat Rumphius nooit zou verlaten. Sinds 1650 was er op deze eilanden een slepende oorlog gevoerd - speciaal op Banda, Ambon, Ceram, met het rijk van Ternate, en met Makassar op Celebes - in stand gehouden door de harde maatregelen van de militaire leiders van de Compagnie om de trouw aan hun monopolie te verzekeren. Opstanden vlamden op en werden slechts gedoofd om elders weer op te laaien. Het werd een lange strijd die eindigde in de overwinning voor de Nederlanders maar die de Molukken veroordeelde tot een beginnende achteruitgang en kleurloze saaiheid. De man wiens naam voor de plaatselijke bevolking synoniem werd met vrees en eerloosheid was Arnold de Vlamingh van Oudshoorn (1608-1661). Als admiraal en gouverneur van de Molukken sloeg hij de opstanden neer, ontdeed de kruidnagelbomen van hun bast of rooide deze waar de autochtonen de kruidnagels oogstten voor de Portugese en Engelse handelaars. Hij ging door met de gevreesde hongi-tochten (politionele acties uitgevoerd door een kleine vloot plaatselijke vaartuigen en Nederlandse schepen uit Batavia) en vestigde de absolute macht van de Compagnie op de eilanden. Ten gevolge van sterfgevallen door oorlog en ziekte was De Vlamingh gedwongen elke paar maanden naar Batavia terug te keren om zijn manschappen en munitie aan te vullen. Dat deed hij ook in 1653 en het is waarschijnlijk dat de soldaat Georg Rumpf met de vloot van De Vlamingh terugkeerde naar het toneel van de strijd en in deze campagnes heeft meegevochten. Uit zijn beschrijvingen van militaire veldtochten zowel in zijn Amboinsche historie als in teksten als 'Macassarsche Gift-Boom' (in Het Amboinsche kruidboek), krijgt men de indruk dat er sprake is van persoonlijke ervaring, zodat men ervan overtuigd kan zijn dat Rumphius het gevecht kende.
De volgende decade was een tijd van geleidelijke vooruitgang voor Rumphius. In 1656 werd hij gepromoveerd tot de rang van vaandrig. Rumphius' talenten werden beter gebruikt als officier. In 1657 kreeg hij de taak van 'fabryck', een positie die ruwweg overeenkwam met dienst in het corps van technici, om meer gebruik te maken van zijn gaven als wiskundige en architect - gaven die lang niet algemeen waren in het Indië van die tijd. Maar het militaire leven lag hem niet, en Jacob Hustaert, de gouverneur van Ambon na De Vlamingh, stemde in met Rumphius' verzoek overgeplaatst te worden naar de administratie van de Compagnie. Er waren vier rangen - assistent, onderkoopman, koopman en opperkoopman - en Rumphius, die de laagste rang oversloeg, klom binnen vijf jaar op tot de rang van opperkoopman, de officiële aanstelling kreeg hij in 1662. Hij werd eerst gestationeerd in de stad Larike op het noordelijke schiereiland van Ambon ('Hitu' geheten), en ging vervolgens omhoog langs de kust naar de stad Hila. Hoewel hij in 1666 werd afgewezen voor de op één na hoogste positie op Ambon, direct onder de gouverneur, had hij snel promotie gemaakt, want in minder dan tien jaar was hij van infanterist opgestegen tot de aanzienlijke positie van koopman.
Voor zover men uit de verhalen kan opmaken, moet het een aangenaam hoewel eentonig leven zijn geweest in een prachtig gebied waar een man op Rumphius' positie, volgens Valentijn (hoofdstuk 6), kon leven als een vorst. Er zijn goede aanwijzingen dat het vertrouwen dat de Compagnie in hem stelde terecht was. Zijn meerderen beschreven hem als 'een man van nuchtere bequaemheit die sich heel wel na de humeuren der Amboinesen weet te schikken, het Arabisch schrift lesende en schrijvende'. Taalkundige vaardigheid werd zeer op prijs gesteld en het is duidelijk dat Rumphius waarschijnlijk Portugees kende, evenals Duits, Latijn, Nederlands, Arabisch en Maleis. De laatste taal kende hij grondig: in 1661 werd hem gevraagd Maleise preken geschreven door een predikant Molanus te corrigeren, en wat belangrijker is, voor 1670 heeft hij zich beziggehouden met het schrijven van een woordenboek in het Maleis dat eindigde met de letter 'P' en nooit is voltooid. Zijn wiskundige bekwaamheden en zijn waarde als architect worden bevestigd door het feit dat hij versterkingen ontwierp voor een fort op Banda en verbouwingen schetste voor het fort Victoria in de hoofdstad van Ambon.
In 1669 horen we van zijn vrouw, zoon en dochter. Er kan nog een kind zijn geweest. Alles wat we met zekerheid van zijn vrouw weten is dat haar naam Susanna was, dat ze stierf bij de vreselijke aardbeving van 1674 en dat Rumphius een zeldzame orchideeënsoort naar haar noemde. Susanna was geen Nederlandse, want als dat het geval was geweest zouden er documenten over haar zijn gevonden, zoals er bijvoorbeeld zijn gevonden over Rumphius' tweede vrouw, Isabella Ras. Het was niet ongewoon dat een Europeaan trouwde met een van de vrouwen met gemengd bloed, die naar het Portugese woord 'mestiços' 'mexticen' werden genoemd. De vrouw nam een Nederlandse voornaam aan en stond in de gemeenschap bekend onder de familienaam van haar man. Uit de tekst die is gewijd aan de 'Susanna-Bloem' blijkt dat zijn vrouw hem bij zijn botanische werk hielp en het in memoriam dat Rumphius in deze tekst invlocht is des te treffender in zijn ingehouden soberheid: 'Dewyl ik geen Maleytschen noch Amboinschen naam heb konnen verneemen, zoo heb ik ze in 't Latyn genaamt Flos Susannae. In 't Maleyts Bonga Susanna, ter gedachtenisse van die geene, die by haar leven myn eerste Gezellinne en Behulpe in 't opzoeken van kruiden is geweest, ook de eerstemaal my deze bloem getoond heeft.'
Niets duidde erop dat de voorbeeldige ambtenaar meer was dan dat. Er wordt verscheidene malen gezinspeeld op zijn prijzenswaardige leven en hij schijnt een persoonlijkheid te zijn geweest die zichzelf wegcijferde. Hij was een toegewijd
protestant en, wat vreemder was, een felle patriot. Als je niet wist uit welk land hij afkomstig was, zou je nooit raden dat deze patriottische Nederlander in werkelijkheid een immigrant was. Hier was sprake van een voorbeeldig, bescheiden leven.
In 1658, pas vijf jaar nadat hij in Indië aankwam, schreef hij zijn naam niet langer als 'Jeuriaen Rumph van Hanau' (de spelling van zijn voornaam was zeer Nederlands) maar als 'Georgius Everhardus Rumphius'. Dit was in het geheel geen algemene praktijk; alleen personen met wetenschappelijke pretenties latiniseerden hun naam. In 1663 schreef hij een brief aan zijn superieuren over zijn botanische werk, waarmee Rumphius een jaar na zijn aankomst op Ambon in 1654 was begonnen. De vroege datum steunt ongetwijfeld zijn opmerking: 'de ondersoeckinge van Amboinaes gewassen is wel het meeste oogmerck waerom ik mij in India begeven hebbe.' De brief van 1663 geeft aan dat dit onderzoek in zijn leven van groot belang was. Hij noemde deze intellectuele activiteiten lucubrationes - 'nachtelijke studiën bij lamplicht' - waarmee hij eventuele officiele bezwaren voor was. De directe aanleiding voor zijn brief was het verzoek naslagwerken en instrumenten voor zijn onderzoek te mogen ontvangen. Heel diplomatiek wees Rumphius een lid van de geestelijkheid aan als zijn contactpersoon in Nederland, en sprak de hoop uit dat zijn aankopen vanaf dat moment verscheept konden worden met de vertrekkende vloten onder de bescherming van de vlag van de Compagnie. Zijn verzoek werd gunstig ontvangen en ondersteund door Joan Maetsuycker, de toenmalige gouverneur-generaal van Indië.
Met deze publieke bekendmaking van het werk dat een van de trotse hoogtepunten van de Nederlandse koloniale geschiedenis zou blijken te zijn, krijgt het voorbeeldige bestaan van deze bescheiden en trouwe dienaar van de Compagnie een andere kleur. Zijn voorbeeldige carrière was in feite wat hij (in een brief van 1699, drie jaar voor zijn dood) 'een masker' noemde, 'welcke masque ick voor dese tyt dragen moet, om het dagelijxse broot voor my en de myne te winnen'. Dit is misschien wel de eerste toespeling op het onwettige bestaan van de schrijver van fictie in de koloniale maatschappij. Het 'vluchtige en ontwijkende soort incidenten' waarvan Samuel Johnson oordeelde dat zij 'excellence' verlenen aan een leven, maakt dat wij de verspreide sporen van Rumphius' leven in een ander licht bezien. Zijn doelgerichtheid, zijn koppigheid bijna, wordt zo haast een deugd, en is in ieder geval het noodzakelijke aanhangsel van een hevige toewijding aan een moeilijk bereikbaar ideaal. En de voortgang was omringd door rampen die de grootste geesten en de beste karakters op de proef zouden stellen. Het lijkt immers wel of deze eerste publieke bekendmaking van zijn project door het lot als een uitdaging werd opgevat, want allerlei belemmeringen maakten van deze liefdevolle inspanning een Sisyfusarbeid.
De brief is gedateerd in het jaar 1663; tien jaar lang was het lot hem goedgezind geweest. Maar in 1666 stelde Pieter Marville, de toenmalige gouverneur van Ambon, Rumphius met de meest gunstige termen voor voor de op één na hoogste post op het eiland. De aanbeveling werd in 1667 door Batavia afgewezen.
Om de afwijzing te verzachten kreeg Rumphius een 'seker stuckie landt' bij fort Victoria (ook wel het 'kasteel' genoemd), waarvan de voorzichtige correspondent zijn meerderen verzekerde dat het niet overdreven groot was, want 'dewyl hetselve by vercoopinge geoordeelt wordt doch niet meer te sullen opbrengen als ongeveer 100 rycksdaelders'. Na vijftien jaar dienst vroeg Rumphius in 1668 verlof om zich helemaal aan zijn 'curieuse studiën' te kunnen wijden. Dit verlof werd om diverse redenen niet verleend, maar het feit dat hij ontslag aanvroeg zorgde ervoor dat hij de hoge positie in 1667, evenals in 1669 toen deze opnieuw vacant kwam, misliep. Op deze plotselinge tegenslagen in zijn publieke loopbaan volgen binnen de volgende vijf jaar nog twee rampen.
In een missive van 9 mei 1670 berichtten zijn superieuren op Ambon aan Batavia: 'Den Coopman Rumphius is nu sedert eenige weken blind geworden.' Rumphius zelf noemde zijn aandoening 'suffusio oculorum' (een uitdrukking van Plinius, de bron van zijn voorkeur voor Latijnse benamingen), wat 'een ontsteking van het hoornvlies' betekent; hij noemde het ook 'cataracta nigra'. Uit de symptomen blijkt dat hij aan grauwe staar leed, een aandoening die in zijn tijd onherroepelijk eindigde in volledige blindheid, zelfs als ze zoals in Rumphius' geval werd voorafgegaan door een misleidende periode van louter verminderde gevoeligheid voor licht.
Uit de officiële reactie op dit nieuws blijken tegenstrijdige aspecten van de Compagnie. De gouverneur van Ambon, Jacob Cops, schreef Rumphius op een manier die volkomen past bij de reputatie van harteloos en brutaal kapitalisme: 'daer de verduystering van UEd. gesicht nu al een geruymen tyt heeft geduirt, en dat by onverwacht voorval niet wel gerust souden connen syn, op de versekering der costelycke cust van Hitoe, hebben wy heden in Rade van Amboina goet gevonden UEd. persoon bij provisie te doen vervangen.'Rumphius werd verzocht met zijn gezin te verhuizen naar de stad Ambon, waar hij in juni 1670 aankwam en onderdak vond in fort Victoria. Terwijl hij in het kasteel verbleef drukte hij zijn grieven over de manier waarop hij was behandeld uit in een brief aan de gouverneur-generaal. Maetsuycker antwoordde met de volgende aanwijzingen voor Cops, waaruit blijkt dat een ongenuanceerde veroordeling van de Compagnie op onjuiste vooroordelen berust. Hij gaf opdracht dat 'de gagie van den Coopman Rumphius vooreerst noch tot nader ordre sal blyven voortloopen' niet alleen omdat er misschien nog hoop op genezing bestaat, maar temeer vanwege 'syne langduyrige, goede, onopspraeckelijcke diensten, en dat het oock misschien noch op Hitoe met syn persoon wel wat had mogen aengesien worden'. Hij schrijft voor dat Rumphius lid moet blijven van de Raad van de gouverneur, terwijl hij ook op elke andere vergadering '(vermogens synde) sal hebben te verschijnen' en dat hij 'syn oude sitplaets en rang, sonder vercleyninge in dien deele' moet behouden.
Maetsuyckers richtlijnen betreffende een man die hij nooit had ontmoet waren slim. Hij berispte de hardvochtigheid van de gouverneur van Ambon op een diplomatieke wijze, zorgde ervoor dat Rumphius niet nog meer beledigd werd
en vond een manier om te maken dat hij zich zowel nuttig als onmisbaar voelde. Rumphius werd benoemd tot wat we vandaag een overheidsadviseur van Ambon zouden noemen. Het moet een bittere ironie voor hem zijn geweest dat hij, net de veertig gepasseerd, door een ramp meer vrije tijd kreeg om zijn werk voort te zetten. Rumphius, die bekend werd om de buitengewone verfijning van zijn gedetailleerde beschrijvingen, moest het gedurende de resterende dertig jaar van zijn leven als blinde doen 'met een geleende pen en oogen' voor de duur van 'een droeve lange nacht' zoals hij schreef in het voorwoord van zijn Kruidboek.
Het officiële register van fort Victoria op Ambon bevat voor 17 februari 1674 de volgende mededeling aangaande een van de meest verwoestende aardbevingen die het eiland ooit heeft meegemaakt en die de dood van 2322 mensen ten gevolge had. Rumphius' vrouw en haar jongste dochter maakten een wandeling door de Chinese wijk van de stad,
door zeeckere Sineese vrouw aengeroepen ende genoodigt sijnde om te besien het spelen der Sinesen met papieren paerden, op hunnen tegenwoordigen nieuwejaerstyd, op 't gevoel van d'eerste dreuning willende wegloopen, de muur van 't huys achter op den rugge kregen ende alsoo daeronder deerlyck versmoorden, onaengesien deselve soo spoedig als mogelyck was opgegraven wierden. Gemelte Rumphius was even te voren voorby 't selve huys om een avondwandeling gegaen en noch door zyn vrouw en dochter aengeroepen, doch had zulcks geweygerd; waeraen de schickinge Godes tot zyn behoud klaer gebleecken is, want zoo hy geseten ware, zoude ongetwyffeld, mits zyn blindheyd, geen ontkomen voor hem geweest hebben. Erbermelyck was het, dien man by deze zyne lycken te zien zitten, alsmede aen te hooren zyne weeklacht, beyde op dit toeval ende zyne blindheid gepast.
Rumphius hertrouwde (hoewel we niet weten wanneer) en overleefde ook zijn tweede vrouw.
Rumphius' vastbeslotenheid om zijn werk te voltooien is verbazingwekkend. Hindernissen en tegenslagen bleven hem achtervolgen, maar zijn onvermoeibare ijver bleef. Ook al was dit, zoals in 1697 over hem werd geschreven, 'om de geesten [zijn geest] wat werck te geven, zonder het welck hy anders sorgt in melancholy zyne dagen te sullen moeten eyndigen', doet dit niets af aan zijn prestatie. De man is zo groot als zijn werk.
De enige tekst die tijdens zijn leven werd gepubliceerd was 'Waerachtig Verhael van de Schrickelijke Aerdbevinge' gedrukt in Batavia in 1675. In 1678 beëindigde hij Amboinsche historie, voorafgegaan door een algemene beschrijving. In 1686 schreef hij een verslag over Ambonese landbouw. We weten dat hij een woordenboek van de Maleise taal (tot de letter 'P') had geschreven, 'noch drie andere boeken van Land- Lugt ende Zeegedierte deser eylanden' en de drie boeken van zijn D'Amboinsche rariteitkamer (Het Ambonese rariteitenkabinet). Tegelijkertijd had Rumphius gestaag gewerkt aan zijn levenswerk, het boek over tropische planten op Ambon en in andere delen van Indië. Aan het begin van 1687 waren meer dan zevenhonderd hoofdstukken van Het Amboinsche kruidboek in manuscript gereed. Een dergelijk werk was altijd voorzien van illustraties van de beschreven planten en voordat hij blind werd had Rumphius een flink aantal daarvan in kleur getekend. Maar op 11 januari 1687 verwoestte een grote brand 'de helft van de nodige figuren zoo door hem als andere teyckenaers vervaerdigt'. Dezelfde brand vernietigde zijn boeken, die naar verluidt heel moeilijk te krijgen waren.
In september 1690 stuurde Rumphius de eerste zes van de uiteindelijk twaalf boeken van het Kruidboek naar Batavia. De illustraties waren opnieuw getekend door zijn zoon, Paulus Augustus, met extra hulp van twee tekenaars, aangeboden door het gouvernement in Batavia. Maetsuycker was, evenals twee andere gouverneurs-generaal, gestorven en Johannes Camphuys was nu de hoogste ambtenaar van de Compagnie. Camphuys was een enthousiast natuuronderzoeker en las Rumphius' manuscript met belangstelling.Om zelf over een duplicaat te beschikken liet hij de 345 hoofdstukken en 392 illustraties kopiëren. Dat kostte veel tijd. Het oorspronkelijke manuscript werd pas twee jaar later, in 1692, naar Holland gestuurd. Maar het bereikte zijn bestemming nooit omdat het schip, Waterlandt, door een Frans eskader tot zinken werd gebracht; daarom beschikken we alleen over het volledige werk dankzij Camphuys' belangstelling en ijver. Het is begrijpelijk dat Rumphius in 1695 aan Camphuys schreef dat al deze gebeurtenissen 'latende my egter in kleene hoope om by myn leven nog iets daervan in 't ligt te sien'. In februari 1696 werden er opnieuw kopieën van de eerste zes boeken naar Holland gestuurd, samen met de volgende drie. Deze kwamen veilig aan. Iets minder dan een jaar later werden de laatste drie boeken verscheept en eveneens veilig in ontvangst genomen door de voc in Amsterdam.
Nadat hij deze enorme taak had afgesloten, weigerde Rumphius op zijn lauweren te gaan rusten. In mei 1697 schreven de Ambonese autoriteiten aan Batavia:
Onder den voorschreven Coopman Rumphius, berusten noch eenige andere schriften, doch van minder belangh, en die hy derhalven Uw Hoog Edelh. niet zeer durft aenprysen, zynde de Ambonse Rariteytkamer, bestaende in drie boecken, ende noch drie andere boeken van Land- Lugt ende Zeegedierte deser eylanden, om welcke te perfectioneren hy zelffs weynigh moed heeft wegens zyn ouderdom ende aengroeyende swackheden. Echter versoeckt hy nochmael Uw Hoog Edelh. op het nederigste, dat hy een schryver en een teyckenaer, voor syne misschien weynige resteerende jaren syns levens magh behouden, om de geesten wat werck te geven, zonder het welck hy anders sorgt in melancholy zyne dagen te sullen moeten eyndigen.
Toen hij D'Amboinsche rariteitkamer beëindigde, waarin 'rariteiten' zoals schelpdieren, schelpen, mineralen en stenen werden beschreven, stuurde Rumphius het niet naar de voc in Amsterdam maar in plaats daarvan naar Hendrik d'Ac-quet, de burgemeester van Delft, die het manuscript in 1701 ontving. Het werd in 1705 in Amsterdam uitgegeven en genoot een zekere vermaardheid bij het publiek, hoewel te laat voor Rumphius om er nog van te genieten. In 1701 sloot hij een Auctuarium of 'vermeerdering' op zijn Kruidboek af dat hij naar Batavia stuurde om te worden gekopieerd. In een brief van 19 mei 1702 schreef de gouverneur van Ambon aan zijn superieuren: 'Wy bedancken U Hoog Edelheden dat het gesondene auctuarium van het Herbarii Rumphii, eer het na het Vaderland gesonden is geworden, hebben laten copiëeren, aengesien van dien ouden Heer niets meer te verwachten sal zyn, als uytgeleeft hebbende.'
Met de toevoeging van het Auctuarium was het Kruidboek helemaal gereed. De bewindvoerders in Amsterdam drukten hun bewondering en hoogachting voor de auteur uit door zijn zoon te bevorderen tot de positie van koopman met hetzelfde salaris van zestig gulden per maand dat diens vader tevoren had ontvangen. Maar zij stonden niet toe dat het werk werd gedrukt, omdat zij ervan overtuigd waren dat er diverse gegevens in deze botanische geschriften waren waarin de concurrentie belang stelde. In 1702 herriepen zij hun verbod en gaven het werk vrij voor publicatie op voorwaarde dat de Compagnie er niets aan zou betalen en dat passages 'die men soude kunnen oordeelen, tot naedeel van de Comp. te sullen strecken, daeruyt te lighten'. Er waren geen liefhebbers voor. Het Amboinsche kruidboek werd pas bijna veertig jaar later uitgegeven. Het negatieve besluit werd overhandigd in september 1702; Rumphius was drie maanden daarvoor overleden, op 15 juni 1702.
De twaalf boeken van Het Amboinsche kruidboek werden tussen 1741 en 1750 gepubliceerd in zes banden - in 1755 gevolgd door het Auctuarium (ook bekend als deel 7) - door een aantal uitgevers in Amsterdam, Den Haag en Utrecht. Het werk verscheen pas ongeveer een halve eeuw na Rumphius' dood in zijn geheel in druk. De volledige titel luidt: Het Amboinsche Kruidboek. Dat is, Beschryving van de meest bekende Boomen, Heesters, Kruiden, Land- en Water-Planten, die men in Amboina en de omleggende eylanden vind, Na haare gedaante, verscheide benamingen, aanqueking, en gebruik: mitsgaders van eenige insecten en gediertens, Voor 't meeste deel met de Figuren daar toe behoorende, Allen met veel moeite en vleit in veele jaaren vergadert, en beschreven in twaalf boeken, door Georgius Everhardus Rumphius, Med. Doct. van Hanau, Oud Koopman en Raadspersoon in Amboina, mitsgaders onder de naam van Plinius Indicus, Lid van de Illustre Academia Naturae Curiosorum, in 't Duitsche en Roomsche Ryk opgerigt. Nagezien en uitgegeven door Johannes Burmannus, Med. Doct. en Botanices Professor in den Hortus Medicus te Amsterdam, Medelidt van het Keyzerlyke Queekschool der onderzoekers van de Natuurkunde; Die daar verscheide Benamingen, en zyne Aanmerkingen heeft bygevoegt.
De inhoud van het werk beschreef Rumphius met zijn karakteristieke bescheidenheid in zijn voorwoord:
Het draagt de naam van een Amboinsche Kruydboek, om dat het van zig zelfs een gering gevoelen heeft; dog met dien verstande, dat het vertoont zodanige aard-gewassen, die men niet alleen in de Amboinse Eylanden kan beoogen, maar die ook in de omleggende Moluccos, Banda, en andere, tot Java toe, voor 't meesten deel mede te vinden zyn. Het werk heeft zig dan Amboins bygenaamt, om dat het in Amboina beschreven is, na zodanige gedaante, als de planten in Amboina dragen.
De opzet van het Kruidboek kwam overeen met het vaste patroon (sinds Aristoteles) waarbij beschrijvingen van planten werden ingedeeld in drie hoofdgroepen: bomen, struiken en kruiden. Elke groep kon opnieuw worden ingedeeld volgens een meer specifiek patroon van de auteur. Rumphius deelde zijn werk volgens soortgelijke principes in en kan bepaalde aanpassingen hebben aangetroffen in het werk van zijn voorganger, Carolus Clusius, die in zijn Rariorum plantarum Historia (1576) categorieën als 'geurige bloemen', 'bloemen zonder geur' en 'giftige, bedwelmende of stekelige planten' toevoegde. De eerste vijf boeken van Rumphius' Kruidboek gingen over 'alderhande Bomen, zo eetbare, vrugtdragende, als speceryagtige, en wilde'; boek 6 ging over 'allerhande Heesteren, die over eynde staan'; boek 7 bevatte 'zodanige Heesteren, die op zig zelfs niet staan kunnen, maar met een lange ranke stam voortkruipen, of zig om andere bomen winden, diergelyke wy in Indien Boschtouwen, in 't Maleyts Taly-Outang noemen'. In boek 8-11 werden kruiden beschreven, terwijl boek 12 planten bevatte 'niet op land, maar in Zee wassende, en een gemengde natuur van hout, en steen hebbende, die men Zee-boompjes of Coraal-gewassen noemt'.
Elke afzonderlijke ingang beschreef de plant of boom en detail, gevolgd door de naam in diverse talen, waaronder altijd Nederlands, Latijn, Maleis en Ambonees, terwijl Rumphius vaak ook Javaanse, Hindoestaanse, Portugese of Chinese namen gaf. Deze namen waren niet aan Linnaeus ontleend maar waren ofwel door Rumphius zelf bedacht ofwel vertalingen van inheemse namen. Vervolgens werd de habitat van de plant gegeven en werden de gebruiksmogelijkheden ervan beschreven. Wat het laatste betreft werd vooral aandacht geschonken aan de medische toepassingen van een plant, want Rumphius wilde dat zijn werk niet alleen 'vermakelyk voor de curieuse Liefhebbers' was, maar ook 'dienstig en nut zal konnen wezen, inzonderheit voor die hier in Oost-Indien wonen'.



een Duits militair, architect en koopman, die echter vooral voor zijn werk als natuurhistoricus faam geniet.
Hij genoot de bescherming van de VOC en is de auteur van Het Amboinsche kruidboek. In 1687 ging een groot deel van het manuscript door brand verloren, maar in 1690 werden 6 van de uiteindelijk 12 delen naar Batavia verscheept en daar uitgegeven. Het gigantische werk van maar liefst 1661 foliobladen werd naar de Republiek verscheept maar verdween naar de zeebodem in een zeegevecht. Gelukkig waren er nog exemplaren in Batavia en het lukte uiteindelijk toch in Nederland zijn werk uit te geven, hoewel het tot na 1741 duurde voor het in zijn geheel verscheen. Het werk legde de basis voor het wetenschappelijk onderzoek naar de flora en fauna van de Molukken en de zee eromheen.
Andere werken van Rumphius:
Amboinsche Rariteitkamer - over schelpen en andere curiosa (verscheen postuum in 1705);
Amboinsche Historie;
Amboinsche Lant-beschrijvinge - sociale geografie;
Amboinsch Dierboek - verloren gegaan.
Rumphius was vanaf 1670 blind, maar dat weerhield hem niet een gevierd en alom geacht wetenschapper te zijn. Zijn contacten strekten zich uit over heel Europa. Hij was lid van een wetenschappelijk genootschap in Wenen en stuurde een verzameling Molukse schelpen naar de Medici 's van Toscane .


Grondlegger van de wetenschappelijk kennis op het gebied van flora en fauna in Indië. Hij was in dienst van de VOC als koopman en opperhoofd van Hitoe (Ambon). Toen hij in 1670 blind werd handhaafde de VOC (dankzij Maetsuyker) hem wegens zijn verdiensten als lid van verschillende bestuurscolleges op Ambon zodat hij zijn wetenschappelijk werk kon voltooien. Bekende werken: "Amboinsche Kruidboek", "D'Amboinsche Rariteitenkamer" (over schelpen en schaaldieren).
Zijn werk werd voortgezet in 's Lands Plantentuin in Buitenzorg. 
Rumphius, Georg Everhard (I647991)
 
175382 Woonde Kromme Elleboog te Dordrecht
Rotterdam, ZH, NL 
Coeberg, Egidius (I2180)
 
175383 Woonde met zijn vrouw op de Herengracht 504 te Amsterdam (geërfd).
Dirk Trip Jr. was kapitein van een compagnie voetknechten.
Hoewel hij in 1763 op jonge leeftijd stierf, bezat hij ongeveer 1,5 miljoen gulden.
Dat Dirk Trip Jr. een slechte gezondheid bezat, blijkt onder andere uit een aardig detail.
Uit een afvalput op Waterland kwamen namelijk een grote hoeveelheid oude Spawaterflessen tevoorschijn.
Spawater werd destijds medicinaal toegepast.
Het echtpaar had 2 kinderen, een zoontje Dirk en een dochtertje Geertruyt.
Dirk Trip Jr. en na zijn dood zijn weduwe zetten de bouw van het nieuwe huis ofwel in gang, ofwel voort.
Dat blijkt uit een lijst van uitgaven gedaan tussen 1761 en 1766. (Over 1761: bijna f 18.000,--, tot eind 1766 nog f 60.000,--).
Ook het verpondingenregister van Velsen laat weer verhogingen zien.
Een en ander blijkt ook uit het archief van de familie Trip, onderdeel van het huisarchief Twickel.
In dit archief bevinden zich de namen en rekeningen betrekking hebbende op bouwactiviteiten.
Timmerman Barend Kromhout en schilder, tevens glazenmaker, Jac. Van Kalker Gijsbertsz. waren afkomstig uit Velsen.
Metselaar Cornelis Twisk, steenhouwer Poggeman en stucwerker Pieter Schans kwamen uit Amsterdam.
De huidige uitwendige vorm heeft het huis sinds 1766.
Latere verbouwingen betroffen vooral het inwendige.
Wel werd het bordes nog van afmetingen veranderd. 
Trip, Dirk (I649056)
 
175384 Woonde Munthofstraat 98, Brussel van Kalken, H.M. (I9082)
 
175385 Woonde Nes Amsterdam Alewijn, Joannes (I1413513)
 
175386 woonde niet meer op Develstein, haar domicilie was het slotje Lindenberg bij Oosterhout. Snellen, Johanna Maria Elisabeth (I646050)
 
175387 woonde omstreeks 1515 te Florence di Neri, Francesco (I54351)
 
175388 woonde omstreeks 1515 te Florence di Neri, Francesco (I54351)
 
175389 woonde omstreeks 1515 te Florence di Neri, Francesco (I54351)
 
175390 woonde omstreeks 1575 te Nuth Hoen, Maria (I440203)
 
175391 woonde op ,,Hooch Believen" de Bruyne, Gerrit de Bruyne, 'de jonghe' (I510313)
 
175392 woonde op de Diefdijk onder Schoonrewoerd Westerhout, Adriaen Jansz. (I548673)
 
175393 Woonde op de Kwakkenbergweg 82, "De Meihorst" Jurgens, Gerard Constant Maria (I9069)
 
175394 woonde op een erfgoed als wijnbouwer;
vermoedelijk was dus reeds een oudere generatie te dier
plaatse aanwezig, waaruit naast Johannes, gesproten zijn:
a. Hendrich Karp, in 1475 wonende te Rheydt, wiens
nageslacht vermoedelijk wordt teruggevonden in de eerste
helft der zeventiende eeuw in het graafschap Kleef
als "Karpus?, en in de tweede helft dier eeuw in Kur-Köln als von Karp.
b. een tak te Enkirch a.d. Mosel (Sponheim] welke
daar eveneens leefde op een erfgoed met wijnbouw en
vermoedelijk aanving met Jacob, omstreeks 1516, welke
tak daar uitstierf op 29 Aug. 1642 met Johan Jacob 
Karp, Johannes (I685666)
 
175395 woonde op huize Eyckenstein in Maartensdijk
heeft Adriaan Hendrik van Eyck gekend 
Wesseling, Hendrik (I1383221)
 
175396 Woonde op landgoed Madesteyn onder Loosduinen. Had fabrieken te Leiden (de latere fabrieken Van der Heyde). Bezat op zijn buiten cameliakassen. Was tot vermaak van zijn familie afwezig toen Willem II de kasen wilde komen bewonderen. Storte door domheid en overdreven luxe zijn familie in het ongeluk. Verkoopt 6.12.1844 Madestein aan Maria Elisabeth Louisa Schiefbaa-Hovius. Regent van het Armenhuis te Amsterdam en kerkmeester van de kerk O.L. Hemelvaart (Mon Pere). Tortike, Johannes Henricus Laurentius (I11704)
 
175397 woonde op Schoonheten Bentinck, Baron Anne Gerard Wolter (I1365540)
 
175398 woonde op zijn vaders erfgoed te Trarbach Karp, Hendrich (I685665)
 
175399 woonde op zijn vaders erfgoed te Trarbach,
"censor? te Trarbach 
Karp, Paulus (I685663)
 
175400 Woonde Oude gracht 150bis Obbens, A.L.P. (I10079)
 

      «Prev «1 ... 3504 3505 3506 3507 3508 3509 3510 3511 3512 ... 3544» Next»

Home Page |  What's New |  Most Wanted |  Surnames |  Photos |  Histories |  Documents |  Cemeteries |  Places |  Dates |  Reports |  Sources