Notes


Tree:  

Matches 175,351 to 175,400 of 175,857

      «Prev «1 ... 3504 3505 3506 3507 3508 3509 3510 3511 3512 ... 3518» Next»

 #   Notes   Linked to 
175351 Zijn grafsteen bevindt zich in de kerk van Tholen.
 
van Dalem, Cornelis Pietersz. (I711440)
 
175352 Zijn kinderen erfden van Rudolph van Rees bij testament van 1185 zijne goederen in Warr en Winnendael. van en tot Steenhuys, Godfried heer (I162802)
 
175353 Zijn kinderen erfden van Rudolph van Rees de goederen in Veen en Appeltern. van Steenhuys, Gerard (I159780)
 
175354 zijn kinderen zijn verm. broers en zussen. Misschien is Gerhard H. ook wel
de vader van de andere 2 
Hülshorst, NN (I60679)
 
175355 zijn nageslacht wordt 15 maart 1645 door keizer Ferdinand III in de
Rijksgravenstand verheven, en sterft in mannelijke linie uit in 1837 
von Preysing, Johann Albert I (I72672)
 
175356 zijn nageslacht wordt door keizer Leopold I 10 febr. 1664 in de
Reichsgrafenstand verheven
nageslacht in mannelijke lijn uitgestorven 1853 
von Preysing, Freiherr Johann Christoph (I72666)
 
175357 Zijn nakomelingen krijgen Henegouwen.

Henegouws Edelman. Is cantor van de N.D. van Laon sept. 1205; subdiaken en tresorier van het kapittel van Doornik, maar legt deze functies neer en keert, zonder dat zulks kerkelijk officieel is gesanctioneerd, terug in de wereldlijke staat enkele jaren voor 11-12-1211, wordt door de graaf van Vlaanderen (Ferrand van Portugal) aangesteld tot hoogbaljuw van Henegouwen begin 1212 (tot uiterlijk 22-11-1213) en door hem bevestigd als leenman voor Estroengt 23-7-1212 ; claimt namens zijn echtgenote een deel van haar vaders erfenis 3-4-1214; neemt aan Vlaamse zijde deel aan de slag bij Bouvines 27-7-1214, wordt gevangen genomen, maar weet te ontsnappen en begeeft zich met zijn echtgenote naar zijn neef te Houffalize waar hij zes jaar met haar woont; wordt inmiddels (te beginnen 20-2-1215) op grond van aanklachten van zijn schoonzuster gravin Johanna van Vlaanderen door de pausen Innocentius III en Honorius III herhaaldelijk in de ban gedaan; doet van tijd tot tijd invallen in Henegouwen, doch wordt bij een daarvan gevangen genomen 1219 en uitgeleverd aan zijn schoonzuster die hem gevangen houdt tot 1221; begeeft zich naar Rome om zijn positie (en daarmee zijn huwelijk) te regelen 1222, keert terug tweede helft 1224, maar moet dan constateren dat zijn vrouw inmiddels hertrouwd is met Guillaume van Dampierre. 
d' Avesnes, Burchard (I13914)
 
175358 Zijn nakomelingen krijgen Vlaanderen. de Dampierre, Guillaume (I13915)
 
175359 Zijn nakomelingen noemen zich Meyer Timmerman Thijssen Meyer, Henri Pieter (I493828)
 
175360 Zijn nakomelingschap is vermeld in het grote Familieboek op blz. 41. Family F206191
 
175361 Zijn ouders zijn niet zo maar, op goed geluk, naar de nog maar enkele tientallen jaren tevoren drooggevallen Haarlemmermeer geko­men.
Hun vestiging in de polder maakte deel uit van een migratiebeweging van een specifieke bevolkingsgroep. Het gaat daarbij om leden van de Christelijke Afgeschei­den Kerk uit het Land van Heusden en Altena, die daar hun bestaan in de landbouw vonden. Dit kerkgenoot­schap, de Christelijke Afgescheiden Kerk, was ontstaan nadat vanaf 1834 groepen orthodoxe protestanten de Nederlandse Hervorm­de Kerk de rug hadden toegekeerd, omdat zij vonden dat modernere geloofsopvattin­gen daarin teveel ruimte kregen. Dit proces staat bekend als de Afscheiding van 1834; het Land van Heusden en Altena was een van de brandpunten van deze Afscheiding.
Kort na het droogvallen van de Haarlemmermeer omstreeks 1850 vestigden zich de eerste afgescheiden boeren uit het Land van Heusden en Altena in de nieuwe polder. Het gaat hier om families als de Verkuyls, de Biesheuvels, de Groenenbergs en de Van den Heuvels. Uit deze specifieke bevolkingsgroep, afgescheiden boeren uit het Land van Heusden en Altena die zich in de Haarlemmermeer hadden gevestigd zijn twee Nederlandse minister-presi­den­ten voortgekomen: naast Hendrikus Colijn ook Barend Biesheuvel, minister-president van 1971 tot 1973

Hij was betrokken bij de expeditie naar Lombok (1894), en onder Van Heutz bij de Atjeh-oorlog (vanaf 1904).
-minister van koloniën , 1925(ad interim) en 1933-1937.
-minister-president in vijf kabinetten, in de periode 1925 – 1939
Op de 15de mei 1940 keurde hij de ‘vlucht’ van de regering, met name die van de Koningin, af . Hij publiceerde eind juni 1940 een brochure, waarin hij de val van Engeland onvermijdelijk noemde en een nederlaag van Duitsland buiten ‘de grens der mogelijkheden’ stelde. Enkele weken later herriep hij zijn uitspraken en gaf sindsdien steun aan de clandestiene verzetsbeweging. Na de Duitse inval in Sovjet-Unie (juni 1941) werd hij gearresteerd en stierf in gevangenschap.

Colijn groeide op in een gezin waarin de ouders de gereformeerde religie waren toegedaan en behoorden tot de kerk die was voortgekomen uit de Afscheiding van 1834. Noch het boerenbedrijf noch het beroep van onderwijzer, waarvoor hij in de praktijk was opgeleid door het schoolhoofd Valkenburg te Nieuw-Vennep in de Haarlemmermeer, lokten hem aan: hij zocht een breder horizon. In 1886 meldde hij zich bij het instructiebataljon te Kampen voor de militaire opleiding. Na in 1887 te zijn overgeplaatst van Kampen naar Bergen op Zoom, volgde hij sinds 1890 de hoofdcursus te Kampen. In 1892 vond zijn benoeming plaats tot tweede luitenant van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger. Na zijn huwelijk met Helena Groenenberg vertrokken zij op 16 september 1893 naar Ned.-Indië.
In 1894 nam Colijn deel aan de Lombokexpeditie, waarvoor hij de Militaire Willemsorde vierde klasse ontving. Om financiële redenen meldde hij zich in 1895 voor dienst in Atjeh, waar men zijn bestuurscapaciteiten onderkende: sedert 1897 werd hij belast met bestuurszaken in enkele delen van Atjeh. Dat betekende overigens niet dat Colijn wegbleef van het eigenlijke slagveld; hij nam deel aan menige expeditie en ontving daarvoor de eresabel voor betoonde dapperheid, waarna hij in 1901 wegens bijzondere verdiensten tot kapitein werd bevorderd. In 1904 ging hij met verlof naar Nederland, waar hij ontvangen werd door koningin Wilhelmina en koningin Emma. Tevens had hij toen zijn eerste onderhoud over de koloniale politiek met minister-president Abraham Kuyper. Dat zelfde jaar reisde hij naar Indië terug als adjudant van de tot gouverneur-generaal benoemde J.B. van Heutsz, die hem al spoedig tot assistent-resident van de Gajoe- en Alaslanden benoemde.
Na van 1905 tot 1907 diverse bestuursopdrachten te hebben uitgevoerd, verliet hij in 1907 de militaire dienst onder toekenning van de rang van majoor en werd hij op 30 mei van dat jaar benoemd tot secretaris van het gouvernement van Ned.-Indië, belast met gelijksoortige werkzaamheden als door hem sedert 1905 vervuld waren met betrekking tot de gewesten buiten Java en Madoera. In deze kwaliteit maakte hij reizen naar de gewesten Banka en Billiton, Zuider en Ooster Afdeeling van Borneo en de Wester Afdeeling van Borneo en naar het gouvernement van Celebes en onderhorigheden, Menado, de Molukken en Timor en onderhorigheden. Op grond van zijn ervaringen schreef hij zijn driedelige studie Politiek beleid en bestuurszorg in de Buitenbezittingen (1907), in ambtelijke kringen wel de 'Bijbel van Colijn' genoemd, vanwege de grondige kennis van de koloniale verhoudingen die eruit sprak.
In 1908 werd hij in zijn rang van gouvernements-secretaris toegevoegd aan de regeringscommissaris voor de decentralisatie, met de titel van adjunct-regeringscommissaris, in welke kwaliteit hij de instelling voorbereidde van het ressort Cultuurgebied van Sumatra's Oostkust en die van het gewest Palembang. In 1909 ontwierp hij de Afdeeling Buitenbezittingen aan het departement van Binnenlands Bestuur en werd hij benoemd tot hoofd van die afdeling, met de titel van adviseur voor de bestuurszaken der Buitenbezittingen.
Het zou voor Colijn de laatste bestuursfunctie in Indië zijn, die hij overigens maar korte tijd kon vervullen. De verkiezingen in Nederland van 1909 brachten Colijn in de Tweede Kaner voor het district Sneek. Hij kon nu nog slechts in Indië zijn tweede ambtelijke reis naar Timor en onderhorigheden maken om in het najaar van 1909 definitief naar Nederland te vertrekken en daar op 9 november tot lid van de Tweede Kamer te worden beëdigd.
Spoediger dan was voorzien volgde nu voor Colijn een ministerschap. Reeds eind 1910 werd hem bij het aftreden van minister W. Cool verzocht als minister van Oorlog op te treden in het kabinet-Heemskerk. Op 4 januari 1911 werd hij als zodanig benoemd, met gelijktijdig ontslag als ambtenaar uit de Indische dienst. In dit ministerschap bleek Colijns doortastende voortvarendheid, die bij velen van zijn voorgangers, zeker in de ogen van koningin Wilhelmina, had ontbroken: in feite reorganiseerde hij het Nederlandse leger, mede dank zij de door hem ingediende en door de Kamers aangenomen Militiewet. In 1912 volgde de aanvaarding van de Landweerwet, de Landstormwet en de Wet op de kustverdediging; tevens werden geheel nieuwe regelingen in het leven geroepen, waarbij ter bespoediging van een eventuele mobilisatie de kernen van alle oorlogseenheden reeds in vredestijd werden opgericht. Het is zeker niet te veel gezegd wanneer men stelt dat Colijns reorganisatie voor een deel het welslagen van de mobilisatie en troepenlegering in 1914 mogelijk heeft gemaakt. Colijn won door deze voortvarendheid en beslistheid zozeer het vertrouwen van het kabinet en de beide Kamers dat hij na het aftreden van de minister van Marine, J. Wentholt, tot 29 augustus 1913 minister van Marine a.i. bleef. Hoewel sommigen van de linkerzijde hoopten dat hij beide portefeuilles zou blijven beheren, ook wanneer een links kabinet zou optreden, trad hij met het gehele kabinet-Heemskerk af.
Direct na zijn aftreden ondernam hij een reis naar het Oosten via Rusland en Siberië, waarbij hij China, Indo-China, Java en Sumatra bezocht. Kuyper deed een dringend beroep op hem zich geheel aan de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) te wijden, maar hoewel jegens zulk een beroep voor de verre toekomst niet geheel afwijzend, was hij van mening dat een invloedrijk staatsman zich eerst financieel onafhankelijk diende te maken. Daarom aanvaardde hij op 1 april 1914 de benoeming tot directeur van de Bataafsche Petroleum Maatschappij (BPM) tegen een salaris van f 25.000,- per jaar. Wel bleef hij zijn contacten met de politiek behouden door zijn verkiezing tot lid van de Eerste Kamer in 1914 en door de mogelijkheden die hem als directeur van de BPM geboden werden om tijdens de Eerste Wereldoorlog bij de Entente en vooral Groot-Brittannië op informele wijze de belangen van Nederland te behartigen bij talrijke neutraliteitsproblemen - o.a. betreffende de economische blokkade. Verder maakte hij voor de BPM verschillende buitenlandse reizen, o.a. naar Roemenië (mei-juni 1914) en naar Ned.-Indië en Egypte (mei-december 1915).
Nadat hij in april en mei 1918 op uitnodiging van de Engelse regering vredesbesprekingen had gevoerd in Londen, waarvan hij in Den Haag de povere resultaten doorgaf aan het Nederlandse kabinet en aan het Duitse gezantschap, nodigde de Koningin hem in augustus van dat jaar tijdens de moeizame kabinetsformatie uit op te treden aan het hoofd van het kabinet. Maar Colijn moest weigeren, omdat hij zich gebonden achtte aan de belofte de BPM niet voortijdig te verlaten, terwijl het hem bovendien niet aanlokte de door W.H. Nolens reeds gepolste kandidaat-ministers en het door Nolens samengestelde program over te nemen. Wel verklaarde Colijn zich bereid op verzoek van het nieuwe kabinet-Ruijs de Beerenbrouck aan het hoofd van een regeringsdelegatie in Londen op te treden om te onderhandelen over verbetering in de aanvoer van levensmiddelen voor Nederland.
Begin 1919 uitgenodigd om deel uit te maken van het leidinggevend personeel van de Koninklijke/ Shell groep, vertrok Colijn voor enige jaren naar Londen, maar evenals in de voorgaande periode, bleef hij contact houden met politieke kringen in Nederland. In 1920 werd hij benoemd tot directeur van de Koninklijke Petroleum Maatschappij en tot lid van de raad van beheer van de Shell.
Deze belangrijke en invloedrijke functies behield Colijn echter slechts tot 1 april 1922, toen hij ontslag nam om zich geheel te wijden aan de landspolitiek en met name aan het werk van de ARP, waarvoor hij reeds op 14 oktober 1921 zijn eerste deputatenrede uitsprak. Tevens aanvaardde hij op 1 april 1922 de functie van politiek hoofdredacteur van het antirevolutionaire dagblad De Standaard, in welk orgaan hij, wanneer hij geen minister was, vele niet-gesigneerde artikelen zou schrijven. In juli 1922 tot lid van de Tweede Kamer gekozen, aanvaardde hij direct het presidium van de antirevolutionaire fractie.
Na het onverwachte aftreden van D.J. de Geer werd Colijn op 11 augustus 1923 benoemd tot minister van Financiën, in welke functie hij erin slaagde strenge bezuinigingsmaatregelen door te voeren, waarmee hij de positie van het kabinet versterkte, maar scherp verzet uitlokte van o.a. sociaal- en vrijzinnig-democraten.
Hoewel de ARP bij de verkiezingen in juli 1925 niet minder dan drie zetels verloor, trad op 4 augustus 1925 onder sterke aandrang en stimulans van Nolens een kabinet-Colijn op, dat echter reeds op 14 november 1925 demissionair werd omdat de rechtse coalitie niet bestand was tegen de onenigheid tussen rooms-katholieken en christelijk-historischen over het voortbestaan van het Nederlandse gezantschap bij het Vaticaan. Na een langdurige kabinetscrisis, waarbij Colijn en Nolens eensgezind poogden het demissionaire kabinet alsnog te handhaven, bleek De Geer op 8 maart 1926 gereed te zijn met een in het geheim volbrachte formatie, en trad het eerste kabinet-Colijn definitief af. Tot 1929 was Colijn lid van de Eerste Kamer.
Na in 1926 een politieke oriëntatiereis te hebben gemaakt naar diverse Europese landen en te Boedapest en Debreczen lezingen te hebben gehouden, trad Colijn in 1927 op verzoek van het kabinet-De Geer op als leider van de Nederlandse delegatie voor de internationale economische wereldconferentie te Genève. Tot in 1932 heeft hij zijn arbeid daar voortgezet in contact met vrijwel alle toenmalige internationale politieke leiders en tot grote tevredenheid van allen die met hem samenwerkten. Ondertussen verloor hij zijn belangstelling voor andere Nederlandse, vooral koloniale, belangen niet uit het oog. Van december 1927 tot juli 1928 had hij een laatste reis naar Ned.-Indië gemaakt, mede ter voorbereiding van zijn boek Koloniale vraagstukken van heden en morgen, dat hij in overleg met de gouverneur-generaal, jhr. A.C.D. de Graeff, schreef, zij het in kritische zin jegens diens beleid.
Tegenover het streven van De Graeff en anderen om juist de Volksraad in Indië te versterken en als het ware van 'bovenaf het bestuur te moderniseren drong hij erop aan meer rekening te houden met de grote etnische en culturele diversiteit der Indische bevolking en door middel van decentraliserende bestuurshervormingen van 'onderop' deelneming aan bestuur en medezeggenschap te bevorderen en vooral lokale en regionale belangen daarbij tot hun recht te laten komen. Een al te drastisch 'parlementje spelen' zonder de daarbij behorende bevoegdheden en mogelijkheden aan de Volksraad te kunnen geven achtte hij voor Indië hoogst ongewenst.
Ook in de binnenlandse politiek trad Colijn spoedig weer duidelijk naar voren. Na van 1926 tot 1929 lid te zijn geweest van de Eerste Kamer, werd hij in 1929 weer lid van de Tweede Kamer en nam hij het fractiepresidium van Th. Heemskerk over, een overgang die niet zonder, destijds echter onbekend gebleven, conflicten verliep omdat Heemskerk zich onrecht gedaan achtte door de jongere Colijn, die hem zonder enig vooroverleg opvolgde. In die zelfde periode (1929-1933) was hij voorzitter van de Zuiderzeeraad. De algemene erkenning die hij in brede kring genoot bleek onder meer uit zijn benoeming tot minister van Staat in 1929 en uit het eredoctoraat in de rechten dat hij in 1930 van de Vrije Universiteit ontving. Bij de in die tijd optredende achteruitgang van de economische wereldsituatie maande hij gedurig tot strikte bezuinigingsmaatregelen en durende versobering, de hoop uitsprekend dat door liberalisatie van de wereldhandel de economische crisis op den duur overwonnen kon worden, terwijl hij bij de muiterij van 'De Zeven Provinciën' in februari 1933 opriep tot stipte gezagshandhaving.
Mede omdat zijn partij bij de Tweede-Kamerverkiezingen in april 1933 twee zetels had gewonnen, ontving Colijn opdracht tot kabinetsformatie, waarbij hij met een beroep op de noodzaak tot samenwerking ter bestrijding van de economische crisis een oud ideaal realiseerde: de formatie van een kabinet op brede basis onder rechtse leiding. Daartoe vormde hij op 26 mei 1933 het zg. crisiskabinet, waaraan ministers uit de Roomsch-Katholieke Staatspartij (RKSP) - zij het onder zekere reserve -, de ARP, de Christelijk-Historische Unie, de Liberale Staatspartij en de Vrijzinnig-Democratische Bond deelnamen. Hoewel ernstige pogingen gedaan werden om te komen tot strenge bezuinigingen en tot werkloosheidsbestrijding (o.a. door middel van werkverschaffing) zijn de kabinetten-Colijn die sinds 1933 optraden in deze doelstellingen slechts zeer ten dele geslaagd. Vooral nadat de te Londen bijeengeroepen economische wereldconferentie van mei tot juli 1933, waar Colijn als voorzitter van de economische commissie wederom een vooraanstaande rol speelde, geheel mislukt was, kon het kabinet moeilijk anders dan zo goed mogelijk het bewind waarnemen, zonder dat het echter in staat bleek aan de noden van de werklozen tot algehele tevredenheid tegemoet te komen.
Ten aanzien van de economische crisis stond Colijn met zijn verschillende kabinetten voor een eigenlijk onoplosbaar dilemma. Colijn was er zelf van overtuigd dat de crisis aantoonde hoezeer de wereldeconomie zich industrieel en financieel overspannen had en inkrimping en versobering ook voor het Westen noodzakelijk waren. Hij meende dat ernaar gestreefd moest worden de economische toestand in Nederland, desnoods op een lager niveau te stabiliseren, totdat zich wellicht enige internationale economische opleving zou voordoen en hij wenste daartoe vóór alles een evenwichtig sluitende overheidsbegroting en behoud van de gave gulden. Hiertegenover echter stonden talrijke diep getroffen economische sectoren, zoals land- en scheepsbouw en diensten die overheidssteun vroegen en overheidstoezicht vergden, terwijl werkloosheid en werkverschaffing eveneens stijgende overheidsuitgaven eisten. Het dilemma kon op deze wijze voor Nederland vóór 1940 niet worden opgelost, al is het de vraag of enige andere economische politiek wel succes zou hebben gehad. De onlusten in Amsterdam in juli 1934, waarbij doden en gewonden vielen, waren regelrecht tegen het beleid van het kabinet gericht. Internationaal was er sprake van een diepe crisis, ook van de democratie, en in dit opzicht zou blijken dat mede Colijns vaste keuze voor het behoud van het constitutioneel-parlementaire stelsel in Nederland, ertoe bijdroeg voor Nederland enig afglijden naar een rechts etatisme of zelfs fascisme te voorkomen. Met al zijn kritiek op het stelsel hield Colijn met overtuiging vast aan de democratische spelregels en het behoud van de grondwettelijke vrijheden, en nam hij duidelijk stelling tegen de opkomende Nationaal-Socialistische Beweging (NSB).
Rondom het grote bezuinigingsontwerp van het kabinet vond in juli 1935 een conflict in de Tweede Kamer plaats met de rooms-katholieken, maar dank zij de homogeniteit van zijn ministersploeg wist Colijn het vertrouwen van de Tweede Kamer te herwinnen. Ondanks het feit dat de minister van Economische Zaken, M.P.L. Steenberghe, zich in 1935 niet langer kon verbinden met Colijns overtuigde afwijzing van de devaluatie van de gulden, en daarom op 6 juni 1935 aftrad, om opgevolgd te worden door prof. H.C.J.H. Gelissen, werd het derde kabinet-Colijn in september 1936 door buitenlandse invloeden alsnog gedwongen tot muntdevaluatie.
Hoewel de economische depressie voortduurde behield Colijn ook buiten zijn partij zozeer het vertrouwen van velen, dat hij bij de verkiezingen in mei 1937 voor zijn partij drie zetels winst in de Tweede Kamer veroverde. Als gevolg hiervan kreeg hij de opdracht tot kabinetsformatie, maar, mede gedwongen door de sterke pressie van de nieuwe rooms-katholieke fractieleider C.M.J.F. Geseling, vormde Colijn, tegen veler verwachting in, thans een rechts kabinet, dat slechts met twee partijloze vrijzinnigen nl. J.A.N. Patijn (Buitenlandse Zaken) en J.A.M. van Buuren (Waterstaat) werd aangevuld.
Colijn kon zijn bewind voortzetten, maar binnen zijn vierde kabinet traden thans Steenberghe (Economische Zaken) en C.P.M. Romme (Sociale Zaken) meer en meer als zijn critici naar voren, die minder dan Colijn hechtten aan een stipt sluitende begroting en meer geld wensten aan te wenden voor de werkverschaffing, terwijl J.J.C. van Dijk (Defensie) en Ch.J.I.M. Welter (Koloniën) wegens de toenemende buitenlandse spanningen meer geld wensten voor de defensie van Nederland en Indië.
Op 19 mei 1939 trad de minister van Financiën, J.A. de Wilde, af, omdat hij via de door het kabinet gevolgde weg een sluitende begroting niet meer voor mogelijk hield. Ondanks pogingen van Colijn als minister van Financiën ad interim om het binnen het kabinet alsnog over de begroting eens te worden, bleek geen eensgezindheid meer mogelijk en bood het kabinet op 30 juni 1939 zijn ontslag aan.
Aangezien Geseling als minister van Justitie grote moeilijkheden met de Tweede Kamer had gekregen over de zg. kwestie-Oss, had de thans jegens Colijn uiterst kritisch gestemde RKSP na de dood van Nolens (1931) en Ch.J.M. Ruijs de Beerenbrouck (1936) nauwelijks figuren van aanvaardbaar formaat om tegen de gezaghebbende Colijn in het krijt te treden en hem zo nodig op te volgen. Mede om die reden vormde Colijn op 25 juli 1939, na aanvankelijk mislukte formaties van hemzelf en D.A.P.N. Kooien (RKSP), zijn vijfde kabinet, eigenlijk een soort zakenkabinet, dat weliswaar uit enige politieke figuren bestond maar aangevuld werd door gezaghebbende personen die in Oost-Indië en in het Nederlandse zakenleven werkzaam waren. Onder hen was echter geen rooms-katholiek, sociaal- of vrijzinnig-democraat. Met de aanvaarding van de motie-Deckers op 27 juli 1939 sprak de Tweede Kamer haar afkeuring uit over samenstelling en optreden van dit kabinet. Het zich op 10 augustus presenterende tweede kabinet-De Geer betekende het einde van Colijns leidende rol in de Nederlandse politiek, al bleef hij in de ogen van het grote publiek een niet weg te cijferen invloed behouden en poogde De Geer na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog hem opnieuw tevergeefs voor het minister-presidentschap terug te winnen.
Het was Colijns plan direct (evenals in 1913 en 1926) een wereldreis te maken, ditmaal van twee jaar, o.a. naar Indië en Amerika, maar op speciaal verzoek van koningin Wilhelmina, die hem in geval van nood wenste te kunnen raadplegen, kwam dit plan niet tot uitvoering. Evenals na zijn aftreden in 1913 en 1926 gekozen tot lid van de Eerste Kamer, verrichtte hij in 1940 diverse werkzaamheden voor de Volkenbond, o.a. als voorzitter van de in december 1939 door de Assemblée van de Volkenbond in het leven geroepen Centrale Volkenbondscommissie, en als lid van de financiële controlecommissie van de Volkenbond. In januari 1940 reisde Colijn tevens op verzoek van de Nederlandse regering naar Rome voor besprekingen met graaf Ciano, de minister van Buitenlandse Zaken van Italië, teneinde het standpunt van dat land inzake oorlog en vrede te leren kennen. In maart 1940 vertoefde Colijn te Genève, Parijs en Londen en sprak hij voor de laatste maal met vooraanstaande staatslieden als Paul Reynaud, A. de Monzie, J. Paul-Boncour, R. Coulondre, Neville Chamberlain, Winston Churchill, E.L.F.W. Halifax, Sir John Simon, R.A. Butler en Anthony Eden, terwijl hij ook door de Engelse koning George VI ontvangen werd. In april 1940 voerde hij te Brussel besprekingen met Paul Henri Spaak en August de Schrijver en te Parijs met A. Léger, de secretaris-generaal van het departement van Buitenlandse Zaken.
Hoewel Colijn tijdig als zijn mening had uitgesproken dat er heel wat minder kans was dat Nederland buiten de oorlog zou blijven dan in de jaren 1914-1918, werd ook hij bij de Duitse inval op 10 mei 1940 verrast door de zo spoedige capitulatie van het Nederlandse leger. In scherpe bewoordingen veroordeelde hij in een hoofdartikel in De Standaard van woensdag 15 mei 1940 het vertrek van het kabinet-De Geer naar Londen. Hoewel hij achteraf deze aanval betreurd heeft, sprak hij bovendien in de vroege zomer van 1940 in de brochure Op de grens van twee werelden als zijn mening uit dat het machtsoverwicht in Europa voorlopig bij Duitsland lag. Hoewel geen enkele sympathie gevoelend voor 'een goddeloos machtsregime' (zoals hij in een hoofdartikel van 10 mei 1940 in De Standaard de Duitse regering getypeerd had) meende hij op dat moment het Nederlandse volk bij de realiteit te moeten bepalen, vergetend dat zijn opinie defaitisme in de hand zou kunnen werken en als een nieuwe uitspraak tegen het te Londen zetelend kabinet werd opgevat. In een gesprek tussen Colijn en Seyss-Inquart in juni 1940, voorafgaande aan de publikatie van de brochure, was de laatste overigens reeds tot het inzicht gekomen dat Colijn 'als betonter Calvinist für nationalsozialistische Gedankengänge irgendwelcher Art nicht zu haben' was.
Het werd hem dan ook spoedig duidelijk dat tegen de Duitse bezettende macht niet enkel met volkenrechtelijke middelen kon worden opgetreden. Hij distantieerde zich openlijk van de actie van het driemanschap van de Nederlandsche Unie. In plaats daarvan probeerde hij zich zo lang mogelijk op het politieke toneel in Nederland te handhaven door samenwerking en besprekingen met de voornaamste politieke leiders van vrijwel alle partijen. Intussen werd ook zijn dagblad getroffen door een wekenlang verschijningsverbod. Deels omdat hij door de bezetter gevaarlijk werd gevonden, mogelijk ook om hem gereed te houden voor vredesonderhandelingen, werd hij op 30 juni 1941 gevangengenomen. Na een geïsoleerd verblijf van enige weken in Valkenburg (Zuid-Limburg) werd hij naar Berlijn gevoerd, waar hem dertig verhoren werden afgenomen. Sinds 26 maart 1942 werd hem op eigen kosten een gedwongen verblijf in Ilmenau (Thüringen) opgelegd, waarbij alleen zijn vrouw hem mocht vergezellen. In een strikt isolement, dat slechts verzacht werd door het ontvangen van streng gecensureerde post, spaarzame voedselpakketten en een hoogst enkel bezoek uit Nederland (familieleden en prof. J. Oranje), bracht hij zijn laatste jaren door met studie. Op 18 september 1944 maakte een hartverlamming een plotseling einde aan zijn nijver en vruchtbaar leven.
Hoewel Colijn altijd trouw is gebleven aan zijn gereformeerde overtuiging, is hij mede door zijn opvoeding in het leger, zijn arbeid in Ned.-Indië en bij het wereldconcern de Shell en zoveel internationale contacten altijd een ruimdenkend politicus geweest, aan wie iedere geborneerdheid vreemd was. Opvallend zijn de grote veelzijdigheid in zijn politieke optreden en zijn internationale allure. Hoewel geen studeerkamergeleerde was hij ruim belezen en een staatsman van het Engelse type. Opgevoed in eigen stijl binnen de school van Kuyper (van wie hij onder meer de liefde erfde voor de Vrije Universiteit, waarvan hij jarenlang president-directeur was) behoorde hij met de theoloog H. Bavinck tot de weinigen die de gereformeerden in die jaren tot meer contact met andersdenkenden stimuleerden. Hij was tevens de eerste antirevolutionaire leider die zijn partij bracht tot samenwerking met niet-christelijke partijen binnen een kabinet.
Hoewel hij van zijn generatie de meest vooraanstaande, meest begaafde en meest internationaal georiënteerde staatsman was, moet toch erkend worden dat hij de drie grote vraagstukken waarvoor zijn generatie stond - het koloniale vraagstuk, het militaire vraagstuk en het sociaal-economische vraagstuk - niet alleen niet heeft kunnen oplossen, maar ook niet scherp heeft onderkend. Desalniettemin is zijn nationale invloed zo groot geweest, was hij bij voor- en tegenstanders persoonlijk zozeer gerespecteerd en waren zijn kwaliteiten dermate algemeen erkend, dat men terecht spreekt van de periode-Colijn, omdat vooral in de jaren dertig niemand hem als leidinggevende politieke figuur evenaarde. 
Colijn, Dr. Hendrikus (I479083)
 
175362 Zijn Peetouders waren Jan Goswin Bomaert raad en richter te Dorsten en Margaretha de Haen, weduwe Coebergh. Na geheel of gedeeltelijk de humaniora ? te Venray te hebben gevolgd trad hij op 16 jarige leeftijd (in 1714) in het klooster St. Agatha. In 1744 werd hij daar tot Prior gekozenen 14 jaar later gedwongen afstand te doen (door de Generaal Lamb. de Fisen. Bleef te St. Agatha wonen waar hij den 10e Januari 1766 overleed Zie Notitie In 't klooster der Kruisheren te St. Agatha te Cuijck bevindt zich een levensgroot portret Coebergh, Johannes Josuinus (I4323)
 
175363 zijn tweede echtgenote Family F198812
 
175364 zijn tweede vrouw Family F286024
 
175365 Zijn tweelingzusje kwam dood ter wereld. Volgens een aantekening in Huydecoper gaat hij naar Holstein. van Heemskerck van Beest, Diederick Theodoor (I504981)
 
175366 Zijn vader had zich naar een stuk lands genoemd van den Honaert, welke naam door zijn nakomelingen als familienaam werd aangenomen. Na de latijnsche school in zijn geboortestad te hebben bezocht, vergezelde hij in 1591 Justus Lipsius en Petrus Bertius op een reis door Duitschland, werd in 1593 licentlaat in de rechtsgeleerdheid, waarna hij, in het vaderland teruggekeerd, het volgende jaar den eed als advocaat voor het Hof van Holland aflegde. In 1596 werd hij pensionaris van Dordrecht, in 1597 bij surrogatie en in 1600 'ter voller teelt' tot schepen benoemd. In 1598 werd hij aangenomen als gewoonlijk gemachtigde, om zich te onthouden in den Haag, om 's lands en stads dienst waar te nemen op een wedde van ƒ 300. In 1599 en 1603 werd hij gemachtigd tot het hooren der gemeenelandsrekening, in 1601 en 1602 was hij lid der Gecommitteerde Raden van Holland en West-Friesland: in het laatstgenoemde jaar werd hij met Hugo Muys van Holy en Johan Berck van wege Dordrecht gezonden naar het leger voor 's Hertogenbosch, om den Prins te verzoeken, dat in de verkiezing, door hem te doen, van twee leden in den Hoogen Raad op hem (van den Honert) regard mocht worden genomen, in de nominatie van de Heeren Staten van Holland. Hij had ook zitting in de Rekenkamer, en was commissaris politiek op de Synode te Dordrecht 1618-1619, waar hij zich zeer gematigd en bescheiden gedroeg. Na de veroordeeling der Remonstranten werden eenige der curatoren van de leidsche hoogeschool van hun ambt ontzet, en van den Honert tot curator aangesteld. Ook op de synoden te Hoorn, 1623, en te Enkhuizen, 1624, was hij commissaris politiek. In 1627 werd hij met Andries Bicker, Simon van Beaumont en jhr. Gijsbert van Boetzelaer naar het Noorden gezonden, ter bemiddeling van de geschillen tusschen de Koningen van Zweden en Polen, tevens om eenige voordeelen te bedingen voor den handel. De gezanten namen den 5en Mei afscheid van de Staten en ontvingen hun geloofsbrieven en den last, om hun reis te bespoedigen. Zij werden door den Koning van Zweden met de grootste onderscheiding ontvangen, maar door dien van Polen zeer onbeleefd en keerden den 11. Juni 1628 vrijwel onverrichter zake terug. Hij bewerkte naderhand in 1635 met Andries Bicker en Jo. Andrae een verlenging van het bestand van 1629 tusschen Zweden en Polen en werd bij die gelegenheid door de Koningin van Zweden tot ridder geslagen. Van zijn verrichtingen in het Noorden gaf hij een verhaal in zijn Dajla'el van zijn cerste gezantschap met afbeeldingen (Utrecht 1632) 4o.
Tusschen zijn eerste en tweede gezantschap werd hij tot eersten raad in den Hoogen Raad benoemd en bij het openvallen van het ambt van raadpensionaris door den dood van Anthony Duyck, kwam hij het meest na Adriaen Pauw in aanmerking door den invloed der voorstanders eener gematigde handeling in kerkelijke zaken (10 Dec. 1630).
Hij was een zeer geleerd man en beoefende de latijnsche dichtkunst; hij schreef o.a. twee latijnsche drama's n.l. Thamara, en Moses Legtfer sive nomenclastes (L.B. 1611 ex officina Joannes Patii), die door de geleerde tijdgenooten Grotius, Heynsius, Hooft en Huygens geprezen werden.
Zijn nagelaten gedichten in handschrift zijn in het bezit van het geslacht van den Honert gebleven tot op Mr. Cornelis de Witt, vrijheer van Jaarsveld, een groot verzamelaar van boeken, welke hij naderhand wederom gedeeltelijk verkocht. In de door hem aangelegde verkoopingen voegde hij van tijd tot tijd de handschriften van Mr. Rochus van den Honert, die alzoo in het bezit van de heeren van Braam, Hocufft en Schull zijn gekomen.
De laatste was van plan de Epigrammata van van den Honert in het licht te geven. Hoeufft bezat, behalve de handschriften der beide drama's, nog 49 Epigrammata 1616-1631 en Selectiones numi sive calculi a celsis et praepotenlibus Ordinibus Generalibus et Particularibus Foederati Belgii ab anno 1555 usque ad annum 1609 cusi epigrammate explicali, waarop Huygens een epigram vervaardigde.
Ook was hij een beminnaar der penningkunde en stond in briefwisseling met de geleerdste mannen en de beroemdste dichters van zijn tijd, en wisselde ook verzen met hen, zoo als met de Groot, Barlaeus, Heynsius, van Beaumont, Zevecote, welke laatste zijn tragoedia Maria Graeca aan hem opdroeg, Huygens en Hooft, die zoo grooten prijs op zijn oordeel stelde, dat hij hem de afgewerkte stukken zijner Historiën vóór de uitgave ter lezing en beoordeeling zond. Ook was hij bevriend met Geraerd Vossius en Cumaeus. 
van den Honert, Rochus (I641931)
 
175367 Zijn vader was door den handel een vermogend man, die aan de Nieuwehaven op het Nieuwe Werk te Dordrecht, zich een fraai huis bouwde, dat tot den aanvang der 19de eeuw het familiehuis der Neurenbergen is gebleven. Johan breidde het uit en verfraaide het aanmerkelijk.
In 1674 werd hij Veertig, in 1648 Acht, voorts (1650) schepen en lid van den Oudraad 1650-51, 1654-55, 1662-63, 1673, burgemeester van het gerecht 1673, burgemeester der gemeente 2 April 1674, 1680-81 en 1685.
Bovendien vervulde hij nog tal van andere openbare bedieningen o.a. gecommitteerde ter Staten van Holland, directeur van den Levantschen handel, regent van verschillende instellingen, enz 
van Neurenberg, Johan (I647172)
 
175368 Zijn vader was streng gereformeerd en wenste, dat zijn zoon een gereformeerde schoolopleiding zou ontvangen. Daar er in Groningen toen nog geen christelijk gymnasium bestond, zond hij zijn zoon naar Dr. Fischer, rector van het christelijk gymnasium te Kampen, waar Frans in 1903 het eindexamen ? en ß aflegde. Toen voerde zijn weg naar de Vrije Universiteit te Amsterdam om aldaar rechten te studeren. Lange tijd was hij in huis bij zijn oom, de filosoof Prof. Dr. M. A. van Melle. Al spoedig voelde hij zich niet thuis in de gereformeerde kring, deed daarom zijn cand. ex. aan de Gemeentelijke Universiteit en zijn doct. ex. in Groningen, waar hij in 1910 op stellingen in de rechten promoveerde. Hier leerde hij Prof. C. A. Verrijn Stuart kennen, die stellig zijn liefde voor de economie bevorderd heeft. Voor zijn promotie brak hij met de gereformeerde kerk en trad toe tot de Ned. Herv. Kerk.
Een half jaar was hij op het advocatenkantoor van Mr. G. Seret werkzaam. Maar van beslissende invloed op zijn verdere loopbaan was 't, dat hij secretaris werd van de middenstandsenquête onder voorzitterschap van Dr. D. Bos. Toen in 1913 te Rotterdam de Ned. Handelshogeschool was opgericht, werd hij op advies van Dr. Bos, die veel in hem zag, tot lector benoemd, al had hij nog niets geschreven. In 1918 werd dit lectoraat in een professoraat omgezet, welk ambt hij tot 1945 bekleedde.
Kort tevoren, in 1916, trad hij in het huwelijk met Jonkvrouwe Pauline Geertruida de Savornin Lohman, dochter van de president van de Hoge Raad en kleindochter van de staatsman A. F. de Savornin Lohman, bij wie zij vele jaren in huis woonde, en die stellig grote invloed op de Vries heeft gehad. De Vries heeft zich dan ook bij de Christ. Hist. Unie aangesloten en was vele jaren commissaris van het dagblad "De Nederlander." Helaas bleef dit gelukkige huwelijk kinderloos.
In de jaren 1918-1945 heeft de Vries zich als econoom ten volle kunnen ontplooien. Voor de oprichting der Ned. Handelshogeschool (sinds 1938 Ned. Economische H.S.) was de economie gebonden aan de juridische faculteit, waarin grote figuren als N. G. Pierson en C. A. Verrijn Stuart mede door hun standaardwerken de economie tot een belangrijke wetenschap hebben gemaakt. De Vries kreeg breder arme slag, toen hem de algemene leer der economie werd opgedragen, die een hoofdvak aan de Hogeschool werd. Naast de theoretische economie wierp de Vries zich op de vragen van concurrentie, kartel, verkeerseconomie en wat hij graag noemde "de economische orde".
Zijn optreden maakte indruk op de studenten. Zijn grote gestalte, scherp profiel, zijn streng gezicht, het gewicht waarmee hij sprak, imponeerden. Zijn betoog was glashelder, streng logisch ontwikkelde hij zijn denkbeelden. Hij was een rechtlijnig denker, sprak met gezag en een andere mening was niet mogelijk. Geen aarzelend zoeken en tasten en alle speelse humor was hem vreemd. Voor alles was hij docent. Als zodanig drukte hij een stempel op zijn leerlingen en op de gehele Hogeschool. Hij schreef weinig; hij zag er tegen op iets op schrift te stellen, zelfs tot brieven schrijven kwam hij moeilijk. Van zijn hand verschenen enkele oraties, rapporten en tijdschriftartikelen bv. in de Economist; van de redactie hiervan was hij voorzitter. Maar geen boeken. Wel had men van hem een samenvattend werk verwacht en toen hij voor de juridische faculteit van Amsterdam werd gevraagd en mij, waar ik voor een dergelijke beslissing stond, vroeg of hij dit tegenover Rotterdam mocht aannemen, zei ik hem: je moogt het doen, als je in de tijd, die daardoor voor je vrij komt, het langverwachte boek schrijft. Het is niet gekomen. Zijn boek zijn zijn leerlingen, die talrijke vooraanstaande plaatsen bekleden.
Zijn wetenschappelijke verdiensten werden erkend door de benoeming tot lid van de Kon. Akademie van Wetenschappen (1930) en het eredoctoraat, dat de R.K. Economische Hogeschool te Tilburg hem verleende (1953).
De Vries was geen kamergeleerde; in velerlei opzicht heeft hij zijn economische kennis aan de maatschappij en de kerk dienstbaar gemaakt, alleen niet aan de politiek. Wel was hij jarenlang Christ. Hist., doch na de oorlog sloot hij zich bij geen partij aan. Vele functies werden hem opgedragen, maar de belangrijkste was het voorzitterschap van de Sociaal Economische Raad (1950-1958), waaraan hij zich eerst tijdens zijn professoraat en daarna als emeritus met hart en ziel gaf en zijn bijzondere gaven als organisator en arbiter toonde.
Daarnaast zijn verschillende overheids-commissies te noemen, bv. die voor verkeers- en vervoerseconomie. Hiervoor schreef hij een uitvoerig en belangrijk rapport over de kosten van het vervoer. Voorts was hij curator van het Erasmiaans Gymnasium te R'dam; Kon. Commissaris van de Nederl. Bank (uitgegroeid tot voorzitter van de Bankraad); commissaris der Ned. Spoorwegen en van de Mij. Zeeland. Verder vroeg het voorzitterschap van de commissie voor bedrijfsregelingen veel van zijn kracht.
Vooral in zijn Rotterdamse tijd heeft hij zich gegeven aan kerkelijke zaken. Zo was hij regent van het Ned. Herv. Weeshuis (als zodanig werden de regenten en regentessen "vader" en "moeder" genoemd) en vele jaren (1920-45) eerst lid en daarna voorzitter van de gecommitteerden tot de Zaken van de Ned. Herv. Kerk. Voorts zat hij in de commissie voor de predikantstraktementen, streed voor kerkelijke contributie; regelde de financiële basis van Rotterdam-Centrum; redde de stukken bij de brand van de Laurenskerk. Ook voor de zending stond hij op de bres ten opzichte van het financieel beheer.
Zo kwam hij door zijn velerlei bemoeiingen met alle mogelijke mensen in aanraking en het was hem een behoefte belangrijke mannen te spreken en zo van alles op de hoogte te zijn. Ook de omgang in Rotary stelde hij op hoge prijs.
Aan eerbewijzen, waarvoor hij zeer gevoelig was, heeft het hem niet ontbroken. Enige koninklijke onderscheidingen vielen hem ten deel; bij zijn 25 jarig hoogleraarschap werd hem door zijn leerlingen een bundel aangeboden (1943); bij zijn aftreden als hoogleraar (1954) hebben zijn Rotterdamse en Amsterdamse vrienden de F. de Vries Stichting in het leven geroepen, waarvan de bedoeling is: vooraanstaande economisten lectures te doen geven.
Ondanks alles wat hij verzette en zijn gezondheid niet van de sterkste was (hij leed herhaaldelijk aan zijn maag), was hij niet enkel op economisch terrein enorm belezen, maar tevens het type van een erudiet. Vooral geschiedenis, maar ook letterkunde en theologie hadden zijn belangstelling en in dit opzicht hoorde hij thuis in onze Maatschappij der Ned. Letterkunde, waarvan hij sinds 1931 lid was. 
de Vries, Prof. Dr. Mr. François (I483329)
 
175369 Zijn vader was uit Brabant en werd secretaris van de R.v.S., Calvinist en Humanist tegelijk evenals zijn vriend Marnix. Constantijn ging 1616 naar Leiden 'in de studie', in 1617 reeds kwam hij terug. Van 1618 is zijn gedicht Doris oft Herderclachte, ter ere van Dorothea van Dorp; het werd geschreven te Londen, waar Huygens was in 't gezelschap van de E. gezant Carleton. Zo vergezelde hij 1620 Aerssen van Sommelsdijk naar Venetië. Hij kwam aldus in aanraking met geleerden en kunstenaars, te Londen bv. met Bacon en de dichter John Donne.
In 1620 schreef hij Misogamos, zie Huwelyxhaeter . Van 1622 is zijn satire Costelyck Mal, opgedragen aan Cats.
In 1625 werd hij secretaris van Frederik Hendrik en sedert was hij voortdurend met de Prins te veld. Tot zijn dood bleef hij de secretaris der Oranjes.
Hij trouwde in 1627 met Suzanna van Baerle, uit Amsterdam, de Sterre van zijn gedichten.
Zij overleed in 1637, juist toen het nieuwe huis op het Plein in Den Haag gereed was. Nu bouwde hij er tot afleiding het buitentje Hofwijck bij aan de Vliet bij Voorburg, en legde daar een grote tuin aan.
Huygens' ereste bundel gedichten noemde hij Otia of Ledighe Uren, 1625. Hij had ze geschreven: voor anker bij Rammekens, in de legerplaats bij Bergen, op een rit tussen Putten en Amersfoort enz. Hij stelde belang in de gebeurtenissen van zijn tijd, dichtte op de zeilwagen, op prins Maurits, op de godsdiensttwisten van 1617. Daghwerck beschrijft zijn huwelijksleven, 1627-'30; Hofwyck, 1651, geeft een beeld van zijn verblijf buiten; Zeestraet is een pleit voor een betere weg naar Scheveningen, 1667; Cluys-Werck beschrijft weer des dichters leven, 1683. Reeds in 1621 had hij in zijn Voorhout het Haagse leven geschetst. Zedeprinten zijn karakterschetsen, 1624; Oogentroost is een moralizerend satirisch gedicht, 1647. Zijn Stedestemmen zijn gewijd aan de stemhebbende steden van Holland, 1624. 't Meest bekend werd de Scheepspraet bij de dood van Prins Maurits: overzicht van de toestand van 't Land, 1625. Dan is er nog de aardige klucht van Trijntje Cornelis, 1653, terwijl het aantal van zijn Sneldichten in de duizenden loopt. Ook heeft Huygens een groot aantal F. gedichten geschreven, meestal gericht aan buitenlandse gravinnen enz.
Al zijn werken dragen een Calvinistisch karakter; reeds in 1619 gaf hij een dichterlijke bewerking van de Artikelen des Geloofs. Van de F. piëtist De Labadie moet hij niets hebben; hij scheldt hem uit voor een geslepen vos en voor een 'haen in 't vrouwhock.' Maar als Humanist spreekt hij met bewondering van Erasmus.
Bij hemzelf overheerst steeds het verstand het gevoel. Hij is er daarbij op uit om te leren en te stichten. Door zijn werkkring kende hij de allerhoogste standen; zelf werd hij ridder en heer van Zuilichem; maar hij kende ook het volk en voelde er voor; zo als b.v. voor de Scheveningers.
Ook voelde hij voor de schoonheid en de rijkdom der Ned. taal.
In zijn L. eigen-levensbeschrijving vertelt hij, dat hij in zijn gedichten 't nuttige met het aangename wil verenigen. Maar hij zoekt vooral het vernuftige, pittige en is daardoor dikwijls moeilijk te verstaan. Een zeer bijzondere figuur in onze letteren; al komt hij als dichter te kort aan verbeelding en hartstocht, hij vergoedt dit dikwijls door zijn oorspronkelijkheid en geestigheid. Houdt zich buiten de politiek. Toen de Aanslag op Amsterdam heel Holland beroerde in 1650 en Vondel zich te buiten ging aan de grofste hekeldichten, schreef Huygens een epigram:
Hoe quam 't, dat Amsterdam soo gramm was,
En waerom was 't niet voor den Prins?
In seven woorden gaet veel sins:
Om dat de Prins voor Amsterdam was.
Zijn zinspreuk is samengevat in 2 van zijn eigen regels:
Uyt de wegh, ontijdigh pruylen!
't Leven is soo korten span.
Op zijn oude dag dichtte hij:
Mij, Heere! laat vrij gaen;
Mijn rol is afgespeelt
en al wat kan gebeuren
Van lachen en van treuren
Is mij te beurt geweest....
Gastheer van kunstenaars; leerdichter. Ook componist. Van zijn 800 compositiën zijn slechts de 39 der Pathodia Sacra et Profana over, 1647 te Parijs gedrukt.
Huygens dichtte op een 'stilzwijgende weigeringe' in Maart 1676 van de zijde van de stadhouder:
'k heb aen een deur geklopt,
Die steen of ijser was.
Hij was:
van de stoep geschopt
Als een stout Bedelaer....
Zijn Daghwerk bleef reeds in 1630 onvoltooid liggen; hij was nog maar tot de nanoen gekomen. De studie-uren en dus de gedachten over kunsten en wetenschappen moesten nog volgen en ook zijn gedachten over godsdienst en opvoeding. Uitgegeven 1658.
Huygens schreef een L. autobiografie, die onvoltooid bleef; uitgegeven door Adriaan Loosjes in 1817; door Dr. Worp, 1897; door A.H. Kan, 1946; vertaald.
A.D. Schinkel gaf in 1842 een Bijdrage tot de kennis van het karakter van Huygens uit, ontleend uit aantekeningen wegens het beheer zijner goederen. In 1851 volgden nog Nadere Bijzonderheden. Over hem verder Jorissen, Studiën I, 1871, niet verder verschenen; zijn Dagboek door J.H.W. Unger, 1885; H.J. Eymael, Huygens-studiën, 1885; Prof. G. Kalff, Ned. Dichters, 1901.
De Gedichten van Huygens uitgegeven in 9 delen door J.A. Worp, 1892-'99, die 1911-'17 ook de Briefwisseling bezorgde. Huygens-tentoonstelling, 1896.
Proefschrift over Huygens' letterkundige opvattingen van Dr. G.J. Buitenhof, 1923. Over Hofwijck zie In Gesprek. Trijntje Cornelis werd voor 't eerst na 300 jaar opgevoerd in Den Haag, 1951. Dichters uit zijn school: Westerbaen, Adr. v.d. Venne, Elias Herckmans, Tengnagel. 
Huygens, Constantijn (I499169)
 
175370 zijn vaders was minister van Financiën van het koninkrijk Württemberg von Weckherlin, Carl Wilhelm Albert (I471005)
 
175371 Zijn vroege leven is uitzonderlijk goed bekend doordat er een autobiografisch verslag door zijn familie is bewaard, waarin Sweers op ironische wijze zijn jeugd beschrijft. Hij werd op 1 januari 1622 geboren in Nijmegen en was de vijfde zoon van Alida van Bronckhorst en de schepen Aernout Sweers, een regent uit de vroedschap van die plaats die door de staatsgreep van Maurits van Oranje in 1618 zijn positie had verloren wegens zijn remonstrantse sympathieën. Zijn vader wist na de dood van Maurits zijn positie weer te herwinnen en werd door de Staten van Gelderland in 1628 gedelegeerd als bewindhebber van de VOC in de Kamer Amsterdam. Van 1628 tot 1634 woonde het gezin daar en keerde toen terug naar Nijmegen; in 1635, een jaar van een pestepidemie, overleden Sweers' beide ouders. Zijn familie stuurde hem toen naar de Franse school te Hoorn.

In 1638 werd Sweers, het schoolleven moe, op eigen verzoek naar een zakenrelatie van zijn oom in Sevilla gestuurd, toen de belangrijkste handelsstad van Spanje. Wegens een gebrek aan ijver werd hij daar echter snel ontslagen. Om aan geld te komen trok hij toen een wissel zonder order op zijn oudste broer en reisde op een vrachtschip in september 1639 naar Plymouth waar hij goede sier maakte tot geldnood hem na drie maanden dwong naar het vaderland terug te keren. Zijn familie liet hem toen als klerk werken bij zijn oudere broer Salomon Sweers, destijds de schout van Texel.

In september 1640 vertrok hij naar Nederlands-Brazilië waar hij in november 1641 een administratieve functie kreeg bij de WIC in Mauritia, eerst als klerk bij de Raad van Brazilië en toen als handelscommies voor dertig gulden de maand. Merkend dat zijn uitgavenpatroon niet met zijn inkomsten in overeenstemming was, liet hij zich ontslaan en legde het examen af voor notaris en procureur. Vanwege zijn kennis van het Spaans kreeg hij als snel een bloeiende praktijk in Sao Antonio. Ten tijde van de grote opstand van 1645 werd hij echter in dienst geroepen en raakte met zijn eenheid in een fort omsingeld; toen de commandant, majoor Hoochstraten, zich voor 3000 guldens liet bewegen dat over te geven, weigerde Sweers daaraan mee te doen. Hij raakte krijgsgevangen en werd met de hals in het blok gesloten door middel van ijzeren klemschroeven gemarteld waarbij hij tweemaal het bewustzijn verloor.

In Salvador opgesloten werd hij in mei 1646 vrijgelaten, na een moeizame reis op een piepklein vrachtschip kwam hij in november 1646 berooid thuis, gekleed in vodden: het eerste wat de familie deed toen ze hem zagen was de kleermaker bestellen. In september 1647 probeerde Sweers als zelfstandig koopman mee te doen aan een reis voor gezamenlijke rekening op de Vergulde Snoeck naar de Maagdeneilanden maar de tocht liep al snel op de klippen: in Topsham bij Exeter moesten bondsmen worden opgehaald die in dienstbaarheid in de koloniën gingen werken, maar het schip werd door een storm op een zandbank geworpen. Met een galjoot weer naar Patria terugkerend, kreeg hij zo'n ruzie met de eigenaars dat Sweers voorgoed van de koopvaart afzag.

In het voorjaar van 1649 ging Sweers in zeedienst bij de Admiraliteit van Amsterdam en voer op 5 april als adelborst uit met commandeur Jan van Galen op diens Goude Maen tegen de Barbarijse zeerovers, voor twaalf guldens de maand. Sweers deed ook mee aan de reizen van 1650 en 1651. Toen Van Galen in 1650 in een boot door Spaanse bandieten overvallen werd, raakte Sweers door twee zwaardsteken zwaargewond. Langzaam maakte hij carrière. Op 24 juni 1651 werd hij luitenant. Op 2 juli 1652, tijdens de Eerste Engels-Nederlandse Oorlog, werd hij buitengewoon kapitein bij de Admiraliteit van Amsterdam op de Engel Gabriël. In de Driedaagse Zeeslag zonk zijn schip; hij werd krijgsgevangen gemaakt maar wist te ontkomen toen een Spaanse delegatie de gevangenis bezocht en hij Spaans sprekend met het gezelschap mee naar buiten liep. Daarna voer hij op konvooitochten naar de Middellandse Zee.

Op 14 september 1655 werd hij poorter van Amsterdam. In 1656 deed hij mee aan het ontzet van Danzig en bleef achter met het eskader dat tot november op de nakoming van de vrede door de Zweden moest toezien maar was afwezig bij de Slag in de Sont van 1658. Op 3 januari 1659 werd hij tijdens de oorlog tegen Zweden benoemd tot gewoon kapitein, dus in vaste dienst. In 1664 deed hij op de Middelburg mee aan de expeditie van Michiel de Ruyter naar West-Afrika en Amerika.

In de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog volgde op 22 oktober 1665 de benoeming tot schout-bij-nacht; als zodanig vocht hij op de Gouda in de Vierdaagse Zeeslag en maakte het familiezilver van admiraal George Ayscue op de Prince Royal buit tot grote woede van Cornelis Tromp die er zelf op aasde. Sweers vocht in het eskader van Tromp, die hij goed kende van de expedities onder Van Galen, in de Tweedaagse Zeeslag (op de Noordzee) en werd samen met Tromp op 6 augustus in de haven van Vlissingen door De Ruyter openlijk van nalatigheid beschuldigd; op 24 augustus 1666 werd hij desalniettemin benoemd tot viceadmiraal van Holland en West-Friesland, een functie die hij al waarnemend bekleedde sinds de Vierdaagse Zeeslag. In september kreeg hij een conflict met Cornelis Evertsen de Jonge over het prijsgeld van de Royal Charles, een schip dat Evertsen en Sweers samen geënterd hadden. Evertsen kreeg uiteindelijk de 5000 guldens. Sweers had een wat intellectuelere achtergrond dan de meeste zeelui en zijn reputatie een uitstekend navigator te zijn leverde hem in 1667 de gloednieuwe Witte Olifant van 82 kanons als vlaggenschip op. Na de oorlog deed hij in 1669 en 1670 mee aan expedities tegen de kapers van Algiers en veroorzaakte weer een vlagincident toen hij de vlag niet wenste te strijken voor viceadmiraal Thomas Allin.

Tijdens de Derde Engels-Nederlandse Oorlog speelde Sweers een belangrijkere rol. In de Slag bij Solebay sneuvelde luitenant-admiraal Willem Joseph van Ghent; Sweers nam als waarnemend luitenant-admiraal zijn eskader over, met als vlaggenschip de Olifant. In de winter van 1672-1673 leidde hij de 24 compagnieën matrozen te schaats die moesten verhinderen dat de Fransen in de Hollandse Oorlog de bevroren Waterlinie zouden oversteken. In het voorjaar van 1673 echter moest Sweers zijn tijdelijke functie alsnog opgeven toen luitenant-admiraal Cornelis Tromp door stadhouder Willem III van Oranje weer tot de vloot werd toegelaten. Na de Tweede Slag bij het Schooneveld maakte Tromp hem openlijk voor lafbek uit omdat hij niet fel genoeg zou hebben aangevallen. Achteraf zou door een officieel onderzoek blijken dat Sweers' schip in een direct duel zwaarbeschadigd was geraakt en zich dus tijdelijk moest terugtrekken voor reparaties.

Woedend over Tromps beschuldiging, die misschien ook gemotiveerd was door politieke motieven, daagde Sweers Tromp uit tot een duel. Willem III beval de heren echter hun twist pas na de oorlog te beslechten. Zover zou het echter niet komen. In de afsluitende Slag bij Kijkduin op 21 augustus raakte Sweers' smaldeel in gevecht met het flottielje van Kempthorne. Na een uur werd de admiraal op de Olifant in de onderbuik getroffen door een 24-ponds kogel die zijn beide benen eraf sloeg. Het weggeslingerde bovenlichaam kwam zo terecht dat ook het halve gezicht verdwenen was. De stervende admiraal kon nog verteld worden dat Kempthorne op de vlucht geslagen was en gaf toen de geest.

Op 28 augustus 1673 werd de romp sijns lichaams in een kist versamelt in de Oude Kerk te Amsterdam begraven. Eind 1674 kwam al het epitaaf klaar, een werk van Rombout Verhulst. Algemeen kwam men tot het oordeel dat Sweers door zijn dood de beschuldiging van lafheid weerlegd had. Een gedicht luidde:

De Hemel schijnt in brant, de Lucht verstikt;
De Zee verdrinkt in bloed; het Aartrijk schrikt:
Wat's dit? 't is SWEERS: en dat's genoech geschreven.
Dus doet zijn dood de Ware Vrijheit leven. 
Sweers, Admiraal Isaac (I1382960)
 
175372 zijn weduwe en zoon Wolter sluiten na zijn dood een verdrag met het Duitsche Huis. van Keppel, Diederik (I58877)
 
175373 zijne nicht ??? Family F315717
 
175374 Zilveren eremedaille in de orde van Oranje Nassau op 29.4.1974. Adjudant bij de politie. Kooy, Hermanus Cornelis (I1157)
 
175375 Zilversmid van de Middegaal, Hermanus (I2095)
 
175376 Zilversmid Jonckheer, Pieter (I508179)
 
175377 Zilversmid van Grieken, Victor (I513901)
 
175378 Zilversmid van Grieken, Johanvoor (I513906)
 
175379 Zilversmid Moerman, Cornelis (I513890)
 
175380 Zimmergeselle Pabst, Johann Friedrich Michael (I524330)
 
175381 Zimmermann Hilden, Hermann Thomas (I567697)
 
175382 Zimmermann in Hohenmölsen Stropp, Michael (I652386)
 
175383 Zimmermann in Magwitz Pötz, Johann Heinrich (I652349)
 
175384 At least one living or private individual is linked to this note - Details withheld. Living (I1426120)
 
175385 Zinngiesser, Kaufm. in Koenigsberg Pelet, Pierre (IV) (I73410)
 
175386 Zirkusunternehmer Hagenbeck, Willy (I1399880)
 
175387 Zisterzienser-Mönch von Bayern, Konrad (I78419)
 
175388 zn. van Arthur Eduardus Paulus Maria en Lucia Marie Christina Gislena Percy Driebeek, Mr. George Marie Charles (I510930)
 
175389 zocht na het Edict van Nantes met hare vier kinderen een schuilplaats in Engeland, waar zij zich zoo van alles ontbloot vond dat zij van de protestantsche gemeente te Londen vijf pond sterling moest leenen. Arm en verlaten was zij nu, de eenmaal gevierde, de door vier minnaars begeerde vrouw; zij mocht zich gelukkig rekenen in den Haag een blijvend onderkomen te vinden. Caron, NN (I648306)
 
175390 Zoe Ramanidis Ramandi, Zoe (I687807)
 
175391 Zoe Souldjaroglou Sulgearoglu, Zoe (I687799)
 
175392 zog 1241 aus Lübeck nach Greifswald, siedelte 1255 nach Kolberg über, dort Ratsherr, kehrte 1285 nach Greifswald zurück von Lübeck, Hermann (I414935)
 
175393 Zog 1493 mit Kfst. Friedrich dem Weisen von Sachsen zum Heiligen Grab von Ende, Ulrich (I620875)
 
175394 zog mit dem pomm. Hzg. Bogislaw X. nach dem gelobten Land, überstand grausamen Anfall der türkischen Seerber, wurde vom Hzg. Bogislaw zum Ritter geschlagen, nachdem dieser selbst beim heiligen Grabe zum Ritter geschlagen war. von Krakewitz, Curd (I557612)
 
175395 zog mit seinem Bruder Jost von Konstanz nach St. Gallen und ward Bürger, Kaufmann, reich, des kleinen Rats 1452, Mitglied der Notensteiner 1466
Patrizier zu St. Gallen, Mitglied der Adelsinnung zum Rothweststein in St. Gallen, 1432 Landvogtzu Trachselvald 
Zollikofer, Hans (I560728)
 
175396 Zoijn vader is een gok Wodhull, Fulk (I261478)
 
175397 Zolldirektor des Grossherz.Luxemburg von Reibnitz, Frhr. Carl (I555626)
 
175398 Zollverwalter zu Kassel Beckerhenning, Franz (I601334)
 
175399 zomer van de Loe, Johan Ridder (I509113)
 
175400 zondag de Ruyter, Margaretha (I439683)
 

      «Prev «1 ... 3504 3505 3506 3507 3508 3509 3510 3511 3512 ... 3518» Next»

Home Page |  What's New |  Most Wanted |  Surnames |  Photos |  Histories |  Documents |  Cemeteries |  Places |  Dates |  Reports |  Sources