Notes


Tree:  

Matches 174,801 to 174,850 of 175,384

      «Prev «1 ... 3493 3494 3495 3496 3497 3498 3499 3500 3501 ... 3508» Next»

 #   Notes   Linked to 
174801 Zij hertrouwde 25 aug 1710 te Nispen-Essen, met Bernardus Janssen Swaenen; gedoopt 19 juli 1680 te Essen, begraven 29 juli 1746 te Nispen-Essen Mutsaerts, Cornelia Jansen (I652004)
 
174802 Zij is de nicht van haar echtgenoot. van der Lely, Theodora (I504867)
 
174803 Zij is een van de weinige heldinnen die de vaderlandse geschiedenis heeft opgeleverd en zij is nog steeds niet helemaal vergeten dankzij de betekenis van haar naam: een lastige, strijdbare, sterke vrouw. Toen de stad Haarlem in de maanden tussen december 1572 en juli 1573 door de Spanjaarden werd belegerd, zou Kenau door haar moedige optreden zijn opgevallen bij vriend en vijand. De overlevering wil zelfs dat zij driehonderd vrouwen zou hebben aangevoerd. Emanuel van Meteren (1535-1612), de eerste geschiedschrijver van de Tachtigjarige Oorlog, zegt in zijn Belgische ofte Nederlantsche historie van onsen tijden (1599) het volgende over haar:
Die van binnen [Haarlem] hadden ooc een cloecke vrouwe ende eerbaer weduwe, omtrent XLVI jaren out, Kennau genoemt, die dander vrouwen in allen noot aenvoerde ende met eenighe andere veel manlycke daden boven vrouwen aert bedreef op ten vijant, met spiessen, bussen ende sweert, als een man haer behelpende in vrouwelycke habijt.
Ook de Jezuiet Famianus Strada maakt in zijn De bello Gallico (in 1632 verschenen, maar geschreven rond 1602) melding van een heldin genaamd Kennava, ongeveer vijftig jaar oud, die leiding gaf aan een groep Haarlemse vrouwen die zich als ware krijgslieden gedroegen in het bespringen van de Spanjaarden, tot grote verwondering van de vijand. En Pieter C. Hooft (1581-1647), Nederlands beroemdste geschiedschrijver uit de Gouden Eeuw, noemt Kenau met naam en toenaam in zijn Nederlandsche historiën (1642). Hij spreekt van een 'moedighe mannin', weduwe van 46 jaar, Kenauw Simon Hasselaers geheten, van onbesproken gedrag en zeer goede huize, die ten tijde van het beleg leiding had gegeven aan meer dan driehonderd Haarlemse vrouwen. Zij schroomde niet om met spies, bus (geweer) en rapier (degen) - in vrouwengewaad - tegen de vijand te keer te gaan, aldus Hooft.
Het woord 'mannin' was door Hooft niet negatief bedoeld. Hij wilde er alleen maar mee onderstrepen dat zij een vrouw was geweest met een mannelijk gemoed, en dat betekende dapperheid en onverschrokkenheid, eigenschappen die men in de zeventiende eeuw niet zo snel bij vrouwen verwachtte. Pas later zou de naam Kenau een louter negatieve bijklank krijgen. De meisjesnaam Kenau raakte in onbruik, en het woord 'kenau' werd na verloop van tijd alleen nog maar gebruikt als scheldwoord voor vrouwen met haar op hun tanden. Wanneer deze omslag heeft plaatsgevonden, is niet met zekerheid te zeggen, maar wel staat vast dat de naam al in de zeventiende eeuw ook negatieve bijklanken kende. Er is namelijk een brief uit 1662 overgeleverd waarin een inhalige koopvrouw uit Rotterdam, die haar schuldenaars meedogenloos voor het gerecht sleepte, wordt uitgemaakt voor een 'keno'. Kennelijk had Kenau al snel na haar heldhaftige optreden een ambivalente reputatie.
Ongetwijfeld had men ook in de tijd van Van Meteren en Hooft moeite met vrouwen als Kenau, die de perken van hun vrouwenrol te buiten gingen en zich als man gedroegen. Maar nood breekt wet. De strijd tegen de Spanjaarden was nog steeds niet voorbij, en de herinnering aan de heroïsche jaren van verzet tegen Alva moest dan ook worden gekoesterd. Het verhaal van Kenau was heel geschikt om te onderstrepen wat de tirannie van de vijand zoal teweeg kan brengen bij onschuldige mensen die voor hun recht en vrijheid opkomen: zelfs vrouwen werden onder die omstandigheden gedwongen om naar de wapenen te grijpen. In de geschiedschrijving stond Kenau als het ware symbool voor de rechtvaardige strijd die de burgers van Haarlem hadden gevoerd ter verdediging van hun stad.
Het was een ongelijke strijd geweest, want na een half jaar van dapper verzet had de intussen uitgehongerde stad zich alsnog aan de tiran Alva moeten overgeven.
Kapitein van vrouwenvendels?
Dankzij het werk van beroemde historici zoals Van Meteren en Hooft is Kenau de geschiedenis ingegaan als aanvoerster van de Haarlemse vrouwen. Van Meteren zat in Londen toen hij zijn notities maakte voor zijn Belgische ofte Nederlandsche historie, en Hooft pubiceerde zijn Nederlandsche historiën pas in 1642, zeventig jaar ná het bewuste beleg van Haarlem. Geen van beiden hadden het beleg zelf meegemaakt - Hooft moest toen zelfs nog geboren worden -, en beiden moeten hun informatie over deze legendarische heldin daarom uit tweede of derde hand hebben gehad. Nu was het niet zo moeilijk om aan informatie over de rol van Kenau te komen. In 1573 gingen de verhalen over het beleg van Haarlem als hot news door Europa; diverse ooggetuigeverslagen waren in de vorm van pamfletten gepubliceerd, en in sommige daarvan werd inderdaad melding gemaakt van het moedige optreden van een weduwe die luisterde naar de naam Kenau, Kenu, Konow, of hoe men haar naam ook spelde. In één van deze dagverhalen was als bijlage zelfs een afbeelding opgenomen van Kenau, met een bijschrift zowel in het Latijn als in het Nederlands: Haec Batava est Kennou, quam armat sic mascula virtus, Haec Mauros hybridas Harlemi exercet & urget.
Dit is Capiteyn Kennou, de Hollandsce vrou, manlijck onversaecht, De Spaensce Mooren ontrou, bij Heerlem nou, dees oeffent en jaecht.
Helaas is niet met met zekerheid vast te stellen wanneer het dagverhaal met deze prent is verschenen. Volgens de titelpagina zou het in 1573 zijn gepubliceerd, en dat zou betekenen dat Kenau reeds in dat jaar als een soort icoon van het Haarlemse beleg naar voren werd geschoven. Onderzoek heeft echter uitgewezen dat de drukker van het betreffende boekje pas in 1581 actief was op het adres dat in deze druk wordt genoemd, en dat zou impliceren dat het prentje van Kenau van latere datum is dan het dagverhaal. Maar er zijn meer voorbeelden van eigentijdse prenten van de Haarlemse heldin Kenau, al dan niet afgebeeld met afgehouwen hoofden van Spanjaarden, wapens, en begeleidende teksten die haar heldenmoed bezingen.
Waarschijnlijk zijn al deze prentjes en houtsnedes gekopieerd naar de 'oerprent' die de altijd zeer in de actualiteit geïnteresseerde graveur Frans Hogenberg (1538? -1590?) van Kenau heeft gemaakt.
Hogenberg was aanvankelijk in dienst geweest van Margaretha van Parma - hij werkte in Mechelen-, maar was vanwege zijn geloof rond 1570 naar Keulen gevlucht, waar hij met zijn prenten de gebeurtenissen van de Opstand in de Lage Landen op de voet bleef volgen. Een exemplaar van zijn prent van Kenau gaat vergezeld van een Duits loflied van ene M. Q. (dit moet zijn leerling Mathias Quadus zijn geweest), gedateerd 1573, op 'der Amazonen Weiberstreit' en haar aanvoerster Kennow Iansen (sic!). Een begeleidende tekst legt uit dat het gaat om een Haarlemse burgeres op leeftijd, van beroep scheepstimmerman, actief in bijna alle mannelijke zaken zowel te land als ter zee, die tijdens het beleg het grootste stuk geschut dat op de wal stond, op Alva liet vuren. Het geschut was echter te hoog afgesteld, met het gevolg dat niet Alva zelf, maar alleen zijn hoed werd geraakt. Tot haar geluk, zo gaat de tekst voort, was zij niet in de stad aanwezig ten tijde van de overgave, want zij was toen net op een belangrijke missie naar de prins gestuurd; anders zou de tiran deze heldin wel tot ridder hebben geslagen (en haar natuurlijk vervolgens hebben laten afslachten, zoals met de andere krijgslieden was gebeurd). Haar luitenant was Dyver Claissen, een jong meisje met een lange roer. Op een andere - wederom Duitse - prent met hetzelfde jaartal 1573 heet zij 'Margret von Kennow, Hauptmännerin und oberster Anführerin der Weiber ... in der belägerten Stat Harleim'. Bij een Duitse prent die de bestorming van de stad aan de noordzijde moet verbeelden, is in een begeleidend gedichtje opgenomen waarin sprake is van de moed van de Haarlemse vrouwen, die zich als twee vendels hebben laten monsteren onder 'Margreit irem Capitain', en op 6 februari 1573 een storm van de Spanjaarden hebben weten af te slaan. Uit al deze voorbeelden kan worden afgeleid dat het verhaal van het heroïsche optreden van Kenau en haar vrouwenvendels onmiddellijk al tot de verbeelding gesproken moet hebben, ook al wist men soms niet precies hoe deze aanvoerster heette. Daarnaast waren er ook talloze bronnen die in meer algemene termen spraken van de inzet van de Haarlemse vrouwen bij de verdediging van hun stad. Meestal gaat het in deze passages om de hulp die vrouwen (en kinderen) hadden geleverd bij het versterken van de wallen, maar sommige bronnen noemen ook het feit dat vrouwen de Spaanse belegeraars met hete pek en kokend water hadden belaagd. Met name Duitste krijgslieden, die onder andere als huurlingen meevochten bij de verdediging van Haarlem, maken in hun 'Zeitungen' regelmatig melding van het onverzettelijke gedrag van de Haarlemse vrouwen. Zij beschrijven vol ontzag de 'mannhaftige Weiber' die met pektonnen, brandend stro, kokend water, stenen en dakpannen de Spanjaarden vanaf de stadsmuren zo'n schrik wisten aan te jagen dat zij op de vlucht sloegen. Eén van deze ooggetuigeverslagen draagt ook een verklaring aan voor dit manmoedige gedrag van de vrouwen van Haarlem: de vrouwen hadden gehoord hoe schandalig de Spanjaarden in andere steden met vrouwen waren omgegaan, en wisten wat hun te wachten stond.
Daarom hebben zij zich 'künlich im Sturm gewehret'.
Waarschijnlijk zullen we wel nooit precies te weten komen op welke bron of zegsman Van Meteren, Strada en Hooft zich hebben gebaseerd voor hun verhaal over Kenau als aanvoerster van andere vrouwen. Ongetwijfeld kenden zij dankzij het zojuist genoemde
prentje of een van de vele kopieën het beeld van 'kapitein Kennou',
en ongetwijfeld hadden zij de ooggetuigeverslagen van Duitse
soldaten en anderen - ook onder de belegerden bevonden zich heel
wat dagboekschrijvers - bestudeerd die melding maakten van de
dappere vrouwen van Haarlem. Bekend is bovendien dat Hooft voor
zijn boek uitgebreid heeft gesproken met Pieter Dirksz. Hasselaer, de
neef van Kenau. Dat deze verhalen over de dappere vrouwen van
Haarlem ten tijde van het beleg zelf al ruimschoots de ronde deden, is
zeker. Zo noteerde broeder Wouter Jacobsz., een monnik uit Gouda
die naar het nog koningsgezinde Amsterdam was gevlucht en daarmee
als een onverdachte bron mag worden beschouwd, op 4 juni 1573 in
zijn dagboek dat hij had gehoord dat er twee vendels vrouwen in
Haarlem meevochten op de stadsmuren, 'als andere crijchsluyden in
wapenen ..., seer stoutelic ende vroom, gheheel deze rebellicheyt
toegedaen'. Het andere bewijs is een geuzenliedje dat dateert uit het
jaar 1573 en waarschijnlijk in de tijd van Van Meteren en van Hooft
nog in bredere kring gekend werd.

Men sach Haerlem bestormen
Met macht vielen de Spaengiaerts an
Daer laghen so veel int velt ghestorven,
Viermael sijnse gheslaghen daer van
Want de vrouwen quamen soo stoutelick an,
Met steenen, peckreepen, vier [vuur] ende vlam,
Wierpense de Spaingiaerts van de mueren
Sy kreten als leelicke dieren.
...
Sestien Vaendel knechten ghetrouwen
Sijn te Haerlem binnen ghewent
En twee Vaendels ghemonsterde Vrouwen
Hebben so menighen Spaengiaert gheschent,
Int stormen doen zy grooten ghewelt
En draghen dat Vendlijn als een Heldt,
Soo lustelick in haer handen
Duc dalve [Alva] tot sijnder schanden.

Samen met de dagboekaantekening van Broeder Wouter en de
Duitse bron die sprak van de twee Haarlemse vrouwenvendels onder
ene kapitein Margreit, is dit liedje de enige bron uit de tijd van het
Haarlems beleg zelf waarin expliciet sprake is van twee vendels
gemonsterde vrouwen. Ervanuitgaande dat een vendel uit hondervijftig
man bestond, kan Hooft zo op zijn driehonderd vrouwen zijn
uitgekomen. Erg overtuigend is zo'n geuzenliedje natuurlijk niet als
bewijsvoering, en daarom worden de militaire operaties van Kenau en
haar vrouwenvendels tegenwoordig als mythevorming afgedaan. Het
is echter de vraag of we daarom het hele verhaal over Kenau en de
rol van de Haarlemse vrouwen bij de verdediging van hun stad naar
het rijk der fabelen moeten verwijzen. De zojuist aangehaalde auteur
van het Duitse verslag van de gebeurtenissen in Haarlem had in ieder
geval gelijk: gelet op de manier waarop de Spanjaarden gedurende
hun strafexpeditie van 1572 de bevolking van de steden Mechelen,
Zutphen en Naarden hadden behandeld, hadden de vrouwen van
Haarlem redenen te over om, georganiseerd of niet, uit hun
traditionele vrouwenrol te stappen en de handen uit de mouwen te
steken voor de verdediging van hun stad.
na het overlijden van haar echtgenoot is Kenau niet bij de pakken neer gaan zitten, maar heeft het bedrijf
van haar overleden echtgenoot als zelfstandige onderneemster
voortgezet. Tussen 1562 en 1571 zijn er zestien scheepsbrieven op
haar naam genoteerd. Steeds gaat het om de aanbesteding van
zogenaamde 'karveelschepen', een voor die tijd modern schip dat
vooral geschikt was voor de binnenvaart, maar ook op de Europese
zeeën werd gebruikt. In waarde varieerden de schepen van 150 tot
700 carolus guldens. Haar klanten waren schippers uit tal van
plaatsen: Woensdrecht, Amsterdam, Harderwijk, Hasselt, Leiden,
Alkmaar, Amersfoort, Beverwijk. De laatste scheepsbrief op haar
naam vóór het beleg is van 19 juni 1571.
Het beeld van Kenau als de harde zakenvrouw wordt onder andere
gewekt door de vasthoudendheid waarmee zij juridische procedures
uitvocht tegen enkele schuldenaars en waarmee zij deze schuldenaars
bleef achtervolgen, ongeacht oorlog en beleg. Eén zo'n procedure
betrof de schuld die een Edamse scheepstimmerman had bij Kenau
voor geleverd hout. Hij had zijn schuld (178 goudguldens en 24
stuivers) voor Kerstmis 1571 moeten voldoen, maar was inmiddels
overleden, met achterlating van een half afgebouwd schip. Kenau liet
onmiddellijk beslag leggen op dit halve schip en het hout dat daarin
nog niet was verwerkt, en trof vervolgens een schikking met de man
die het schip had besteld, ene Jan Cornelisz. uit Oostzaan. Toen deze
op zijn beurt ook in gebreke bleef, ondernam Kenau diverse pogingen
om hem in gijzeling te laten nemen. Het interessante van dit geval is
dat zij deze juridische strijd ook gedurende het beleg voerde. Zo
werd Jan Cornelisz. onder andere op 30 maart 1573, dus middenin
de tijd van het beleg, gesommeerd te verschijnen in een herberg in
Delft. Onduidelijk is waarom het Delft moest zijn, maar het lijkt
aannemelijk dat de aanwezigheid van zwager Junius in deze stad een
verklaring biedt. Zou hij als procureur voor Kenau hebben
opgetreden? Of was ze misschien zelf meegegaan? We weten het niet.
In totaal heeft Kenau deze schuldenaar vier keer gedaagd, maar hij is
nooit verschenen. Uiteindelijk deed het Hof van Holland op 6 oktober
1574 uitspraak: Kenau werd in het gelijk gesteld.
Een andere kwestie die over vele jaren speelde, betrof een in 1571
door Kenau verstrekte lening van tweehonderd gulden aan ene Simon
Lenertsz. voor het kopen van een huis in de Anegang. Cornelis
Meynertsz., scheepmaker, en Gerrit Coenen, schipper, stonden borg.
Bij de grote brand van 1576 brandde het huis af, maar dit weerhield
Kenau en haar dochters er niet van om de borgen onder druk te
zetten toen bleek dat Simon Lenertsz. de aflossing van de
hypotheekrente niet betaalde. In mei 1578 stuurde Kenau zelfs een
deurwaarder af op de weduwe van een van de twee borgen (Gerrit
Coenen was inmiddels overleden), want zij weigerde te accepteren
dat de tegenpartij in de gelegenheid werd gesteld om te zoeken naar
andere borgen. Uiteindelijk trok Kenau ook in deze kwestie aan het
langste eind. Ze had appel aangetekend bij het Hof van Holland, dat
in 1580 tot een uitspraak kwam. De tegenpartij had een beroep
gedaan op het octrooi van de Staten van Holland van mei 1577, dat
aan Haarlemmers uitstel van betaling gaf op de rentes die rustten op
de huizen en erven die oorlogsschade hadden opgelopen. Dat
argument werd aanvaard, en kennelijk heeft het Hof daarop besloten
dat het aan Kenau verschuldigde bedrag uit de gelden voor de
schadeloosstelling moest worden betaald.
Kenau moet in de jaren vlak voor het beleg in redelijk goeden doen
zijn geweest. Dat blijkt niet alleen uit haar optreden als geldschieter
voor mensen die een huis wilden kopen, maar ook uit het feit dat zij in
1571 een boerenwoning kocht in Overveen. Overigens moest ze
hiervoor wel zelf geld lenen. Het is onbekend of zij deze aankoop
deed als geldbelegging, of dat zij van plan was hiervan later een soort
van buitenverblijf voor haarzelf en haar gezin van te maken. In de
jaren na het beleg zou ze ook over deze aankoop een juridisch
gevecht voeren: ze eiste dat de koopsom naar beneden moest omdat
de voormalige eigenaar, Jonkheer Hendrik van Assendelft, haar niet
op de hoogte had gesteld van de onderhoudsverplichtingen
(servituten) die erop rustten. In 1578 werd deze kwestie uiteindelijk
voor een Leidse notaris geregeld met de weduwe van de Jonkheer,
Dieuwer van der Laen, en het is dankzij deze kwestie dat we
beschikken over een handtekening van Kenau. Hoe het ook zij, in
1571 nam Kenau ter voldoening van de koopsom voor dit huis een
bedrag van 250 gulden op bij de kapelmeester aan de Langebrug, die
destijds wel vaker als bank fungeerde, tegen een jaarlijkse rente van
vijftien en een halve gulden. Deze rentebrief zou later nog een
belangrijke rol gaan spelen in de strijd die Kenau had uit te vechten
met het Haarlemse stadsbestuur.

Waagmeester van Arnemuiden

Tijdens het beleg kwam het bedrijf van Kenau stil te liggen, en na de
overgave van de stad aan de Spanjaarden moet zij de stad al snel
hebben verlaten.Wat Kenau precies heeft gedaan in de maanden van
het beleg, valt uit de primaire bronnen niet op te maken. Het enige dat
met zekerheid kan worden vastgesteld, is dat zij al vrij vroeg in het
beleg een grote hoeveelheid hout heeft geleverd aan de stad voor het
maken van een galei waarmee de Spanjaarden op het
Haarlemmermeer konden worden bestreden. Haar werd toen door
de bestuurders van de stad beloofd dat de stad te zijner tijd de
rentebrief van 250 gulden aan de kapelmeester van de Langebrug zou
overnemen. Kennelijk ging men er vanuit dat het bezit van deze
katholieke geestelijken toch op korte termijn wel geconfisqueerd zou
worden. Het liep anders: onder het Spaansgezinde stadsbestuur van
na de overgave was er natuurlijk geen sprake van dat Kenau en de
haren het geleverde hout nog vergoed kregen, en in de jaren na het
beleg hebben de dochters van Kenau dan ook onder protest - de
overeenkomst was immers aangegaan door hun moeder, niet door
hen - de schuld aan de kapelmeester van de Langebrug ingelost. Dit
alles weten we zo precies omdat Kenau na haar terugkomst in
Haarlem gerechtelijke stappen ondernam om alsnog het geld van de
rentebrief en de overige waarde van het door haar geleverde hout van
de stad terug te krijgen, maar daarover straks meer.
Tussen 1573 en 1578 duikt Kenau's naam op in Delft, Arnemuiden,
en Leiden. Ook nu zijn haar sporen weer hoofdzakelijk te danken aan
de conflicten die zij met deze en gene had. In de eerste maanden na
haar vertrek moet zij in Delft hebben gezeten, want daar had zij, zo
blijkt uit latere processtukken, in april 1574 granen en bier ingekocht
met een Delftse brouwer, David Jansz., voor de lieve som van
vijftienhonderd gulden. Interessant is trouwens dat zij het graan
hadden gekocht van een schipper genaamd Willem Thaemsz., een
naam die ook voorkomt als Haarlemse klant van Kenau in de
scheepsbrieven van 1565. Was zij misschien met hem naar Delft
gekomen, of was het gewoon een oude bekende met wie zij zaken
kon doen? Tegelijk heeft het er alle schijn van dat Kenau er steeds
voor zorgde, in de buurt van haar zus en zwager te zijn. Junius zat
immers in Delft. Niet lang na haar aankomst in Delft vertrok Junius en
zijn gezin naar Middelburg; prompt blijkt ook Kenau naar Zeeland te
vertrekken. In september 1574 werd Kenau door de Staten van
Holland benoemd tot beëdigd waagmeester en collecteur van de
impost op turf van Arnemuiden, een betrekking die in die tijd voor
een alleenstaande vrouw bepaald niet gangbaar genoemd kan worden
en waarvoor Kenau ook - het wordt eentonig - naar de rechter heeft
moeten stappen omdat de baljuw van Arnemuiden aanvankelijk
weigerde haar benoeming te accepteren. Hoe zij aan dit eervolle én
lucratieve ambt is gekomen, blijft onduidelijk. Historici hebben
eeuwenlang verondersteld dat deze betrekking haar door de Staten
van Holland of door Willem van Oranje zelf werd verleend uit dank
voor haar manmoedige optreden ten tijde van het Haarlemse beleg,
maar in de negentiende eeuw werd dit door de Haarlemse historicus
Ekama in twijfel getrokken. Bij het officiele aanstellingsbesluit wordt
namelijk gesproken van een positieve beschikking op het request
(verzoek) van Kenau Simonsdr. zelf. Zij kreeg deze post dus op eigen
verzoek, zo redeneerde Ekama. Sedertdien wordt ervan uitgegaan
dat Kenau deze post op eigen initiatief heeft verworven, en het ambt
niet gezien mag worden als een beloning voor bewezen diensten. Het
blijft niettemin een van de raadsels rond Kenau, want hoe komt een
weduwe die haar stad heeft moeten ontvluchten op het idee om te
solliciteren naar het waagmeesterschap in een wildvreemde stad? Ik
acht het nog steeds veel aannemelijker dat Kenau dit ambt in
Arnemuiden wel degelijk op voorspraak van anderen heeft
verworven; dat men daarbij gevoelig was voor de inspanningen die zij
zich - naar men zei - bij de verdediging van haar stad had getroost,
ligt dan wel erg voor de hand. Daarbij zal zij ongetwijfeld gebruik
hebben gemaakt van de goede contacten waarover zij via haar zuster
beschikte. Wellicht heeft haar zwager Junius, die in diezelfde tijd
vereerd werd met het ambt van stadsgeneesheer te Middelburg, een
goed woordje voor haar gedaan bij de heren Staten, of zelfs bij
Willem van Oranje zelf. Het maakt de unieke benoeming van een
vrouw op deze post in ieder geval iets minder onverklaarbaar.
Vanuit Arnemuiden - waar zij als poorteres werd ingeschreven -
moest zij zich verdedigen tegen de gerechtelijke stappen die de zojuist
genoemde brouwer David Jansz. uit Delft inmiddels tegen haar had
ondernomen. Hij had het grootste deel van hun aankopen
voorgefinancierd, en maakte zich na haar vertrek naar Zeeland
ongerust over de tweehonderd gulden die hij nog van haar te goed
had. In de zomer van 1574 noemde hij Kenau 'te kwader trouw'
omdat zij naar zijn zeggen bepaalde posten had verzwegen toen zij bij
zijn afwezigheid met zijn huisvrouw had afgerekend. Kenau op haar
beurt beweerde dat hij haar kwitanties afhandig had gemaakt, met het
gevolg dat zij haar gelijk niet kon bewijzen. In juli en augustus 1574
heeft Kenau vanwege de aantijgingen van haar voormalige
compagnon zelfs enkele malen vastgezeten in de gevangenis van Delft.
Het conflict kon in dat jaar niet worden opgelost, en het heeft er alle
schijn van dat Kenau zich daarna maar beter niet meer in Delft kon
vertonen. Toen zij in juni 1576 weer in Delft was, werd zij op last van
David Jansz. prompt weer opgepakt en vastgezet. Toch trok Kenau
ook dit keer aan het langste eind: ze werd in het gelijk gesteld, David
ging in beroep bij het Hof van Holland, dat verwees de zaak naar
commissarissen, en deze besloten op 31 januari 1581 dat Kenau te
goeder trouw had gehandeld.
Het is ondoenlijk om hier alle juridische kwesties te bespreken die
Kenau moeten hebben beziggehouden in deze jaren van haar verblijf
buiten Haarlem. In de drie jaar dat ze in Arnemuiden verkeerde
(1574-1576) komt haar naam maar liefst zestien keer voor in de
gerechtelijke archieven aldaar. Ze liet bijvoorbeeld beslag leggen op
het scheepsgereedschap van een schipper omdat zij hem boter en
kaas ter waarde van 22 gulden had geleverd, en ze maakte ruzie over
een overkleed (een 'bouwen') die ze had besteld in Middelburg en
haar bij ontvangst niet beviel: ze wilde haar geld terug. Eén keer werd
Kenau zelf veroordeeld tot een boete van twaalf stuivers omdat zij
haar poortersplicht verzuimd had om, zoals dat heette, een man ter
wacht te stellen. Een poorteres was namelijk verplicht om haar
bijdrage aan de schutterij te voldoen, ook al was zij een vrouw. Men
stuurde ter vervanging een man of kocht haar plicht af. Het is ironisch
dat Kenau, zo vaak voorgesteld als een gewapende kapitein,
uitgerekend voor het verzaken van deze plicht werd beboet.


Top
Ruzie in Leiden

In januari 1577 kon vanwege de pacificatie van Gent (1576) de
zogenaamde satisfactie van Haarlem worden gesloten. Deze hield in
dat de Spanjaarden Haarlem zouden verlaten en er door het nieuwe,
prinsgezinde stadsbestuur een godsdienstvrede in de stad zou worden
ingevoerd. Op 1 maart verlieten de koninklijke troepen de stad, en
aan het einde van die maand konden de burgers van Haarlem hun eed
op de Pacificatie afleggen. Vanaf dat moment konden de ballingen
weer terugkeren. Wanneer Kenau precies terug is gekeerd naar haar
geboortestad, is niet helemaal met zekerheid te zeggen. Bekend is dat
er in mei 1577 een andere waagmeester in Arnemuiden functioneerde
- dit keer weer gewoon een man - en dat de naam van Kenau in
oktober van datzelfde jaar weer genoemd wordt in één van de
schepenvonnissen van Haarlem.
Toch heeft Kenau in deze tijd waarschijnlijk eerst nog een tijd in
Leiden gewoond. Dat weten we zo nauwkeurig dankzij twee - het
wordt eentonig - gerechtelijke kwesties die Kenau in die tijd in Leiden
had lopen. Ten eerste was dat de kwestie van de aankoop van het
huis van Overveen, die Kenau in het voorjaar van 1578 in Leiden wist
af te handelen. Uit deze stukken is op te maken dat Kenau in mei van
dat jaar woonde aan de Vliet in Leiden. Ten tweede was er de ruzie
met ene Margriete Pietersdr., die Kenau in diezelfde maand mei voor
het Leidse gerecht uitvocht. Deze affaire bevestigt de indruk dat
Kenau inderdaad, zoals we al vermoedden, geen frêle dametje was.
De man van Margriet getuigde namelijk dat Kenau dagelijks voor zijn
deur kwam roepen en schelden, alleen omdat zijn vrouw haar nog 42
gulden schuldig zou zijn, hetgeen volgens hem niet waar was. Hij eiste
dat men Kenau 'een ewich silentium' zou opleggen. Kenau zelf had
een ander verhaal. Margriet was haar een jaar geleden op de vismarkt
met een bezemstok te lijf gegaan en had haar daarbij lelijk gekwetst,
een zaak die door de schout was gecompenseerd. Daarna was
Margriet opnieuw begonnen met haar aan te vallen, haar in het
aangezicht grijpende en met een opsteker dreigende, zeggende 'Waer
es nu u hes? Ende diergelijcke vileynich ende smadelijck sprekende,
al 't welck om geen goet ter werelt te lijden en staet.' Kenau eiste dat
zij met rust gelaten zou worden en dat de tegenpartij vanwege de haar
toegebrachte kwetsuren een boete zou krijgen van zes pond Vlaams
voor de armen van Haarlem (!) en Leiden. Opmerkelijk is dat zij niet
sprak over de 42 gulden die Margriet haar nog schuldig zou zijn. Zou
ze die inmiddels al hebben gekregen? Of was ze dit keer mild voor
haar schuldenaars? Hoe het ook zij, Kenau werd - ook nu weer - in
het gelijk gesteld.

Terug in Haarlem

In het begin van het jaar 1579 wordt Kenau's naam voor het eerst
weer vermeld in de Haarlemse registers van scheepsbrieven, nadat in
de tussenliggende jaren een enkele scheepsbrief op naam van haar
zoon Gerbrant gesteld is geweest. Ze gebruikte kennelijk ook haar
nieuwe netwerk, want haar klanten - elf in totaal - komen, afgezien
van degenen uit de buurt (Haarlem, Schalkwijk, Amsterdam), uit de
contreien waar Kenau in de tussenliggende jaren heeft gezeten:
Zwartsluis, Delft, Zierikzee, Beierland en Dordrecht. Opmerkelijk is
de klant uit Delft die in 1580 bij Kenau een karveelschip ter waarde
van 530 Carolusguldens bestelde: deze Jan Jelisz. Sincksteen was de
vader van Soetge Sincksteen, het meisje waarmee Kenau's zoon
Gerbrant in 1584 zou trouwen.
Natuurlijk had Kenau ook in deze jaren allerlei juridische procedures
lopen, maar veel daarvan waren voortzettingen van al langer lopende
zaken, en de nieuwe zaken werden grotendeels door anderen
aangespannen. Zo lijkt het erop alsof Kenau zich in deze Haarlemse
jaren wat meer gedeisd hield en zelf niet al te snel naar de rechter
stapte, tenzij het ging om oude schulden (zoals die van Simon Lenerts,
daterend uit 1571). In die gevallen beschikte zij over een lange adem
en weinig clementie. Toch had ze ook in deze laatste jaren van haar
leven nog een aantal nieuwe conflicten uit te vechten. Eén ervan begon
als een zakelijke tegenslag dat een akelig staartje zou krijgen. Een
schipper genaamd Geryt Thonisz. was in juli 1587 voor haar naar
Noorwegen gevaren om hout in te kopen, maar op de terugweg had
hij ook nog Calais aangedaan, en toen was hij door zeerovers van
Grevelingen overvallen. Kenau moest nu losgeld betalen om hem uit
Calais vrij te kopen. Nadat dat eind augustus was gelukt - het kostte
haar vierhonderd Carolus guldens - eiste Geryt van Kenau een
vergoeding voor de tijd dat hij had vastgezeten, en dus geen geld had
kunnen verdienen. Hij verweet haar kennelijk te lang gewacht te
hebben met hem los te kopen. In februari 1588 deden de schepenen
van Haarlem een uitspraak in deze zaak ten nadele van Kenau. Zij
nam daar natuurlijk geen genoegen mee en tekende appel aan bij het
Hof van Holland. Maar dat niet alleen. Uit een notariele akte van die
tijd blijkt dat zij zich ook bijzonder boos had gemaakt. Ze had de
procureur van Geryt op het stadhuis uitgescholden voor een
'bancroets boef, dief en schelm', waarop deze Mr Jacob van
Medemblik tot haar had gezegd dat zij 'een tovenaerster' was,
hetgeen hij wel twee tot drie keer had herhaald.
Ook Kenau's dochters hadden een dergelijke reputatie. Mannen, zo
werd er gefluisterd, zouden in hun omgeving niet veilig zijn. Nu moet
worden gezegd dat het ook inderdaad een wat curieus
vrouwenhuishouden was dat Kenau sedert haar terugkeer in de
Spaarnwouderstraat voerde en dat later door de drie zussen werd
voortgezet. De oude Guerten verliet het ouderlijk huis pas in 1591 (ze
trouwde op haar 46ste en was in 1598 als weduwe alweer terug).
Griete trouwde in 1582 (ze was toen 34), maar moet als weduwe
alweer na twee jaar thuis zijn gekomen; in 1589 hertrouwde zij, maar
dit huwelijk was zo slecht dat zij in 1592 al niet meer onder een dak
woonden. De jonge Guerten is nooit getrouwd geweest en is altijd
thuis blijven wonen. Gerbrant tenslotte trouwde in 1584, 29 jaar oud.
Zolang de moeder nog leefde, werd de vrede onder de kinderen nog
wel bewaard, maar al snel na haar dood ging het helemaal mis. In
januari 1589 brak er ruzie uit ten huize van Kenau. Huurders die in
het achterhuis woonden (waren de Hasselaers in minder goede
doen?) getuigden dat Gerbrant amok had gemaakt. Hij had met veel
geweld de huissleutels in zijn zak gestoken en geroepen: 'alle
tmansvolck, die met U omgaen, die brengt ghy om hals. Wat doot es
mijn vader gesturven, wat doot es mijn auweloom gesturven ende wat
doot es mijn swager (menende des voors. Grietgen Nanninx man)
gesturven?' Toen Griete hem de sleutels had willen afpakken, had hij
'moort, moort' geroepen. In augustus 1589 gooide Soetge hun
opnieuw voor de voeten dat zij niet alleen hun eigen vader, maar ook
hun oom en de man van Griete om zeep hadden geholpen, en dat
Gerbrant en Griete's tweede echtgenoot binnenkort wel aan de beurt
zouden zijn. Later zouden de gezusters Hasselaer nog regelmatig voor
tovenaarsters en 'koolrijdsters' worden uitgemaakt. Maar liefst acht
notariele akten zijn in het Haarlemse archief aangetroffen waarin vrede
gesticht moest worden tussen de gezusters Hasselaers en dergelijke
kwaadsprekers. Opmerkelijk is dat nog in 1608 ook Kenau ('hun
moeder') werd uitgemaakt voor tovernaarster. Ze was toen al bijna
twintig jaar dood. Het zegt iets over haar slechte reputatie onder de
Haarlemmers.

Een oude rekening

Toen Kenau in Haarlem terugkeerde, had zij nog een oude rekening
met de stad Haarlem te vereffenen: ze had minstens 250 gulden van
de stad te goed voor het hout dat zij tijdens het beleg had afgestaan
voor het bouwen van een galeischip. Eigenlijk ging het om een hoger
bedrag. Het hout, zo blijkt uit een latere verklaring, was namelijk wel
416 gulden waard geweest, maar Kenau had de steden Delft en
Rotterdam in de tussentijd bereid gevonden om 'uit de gemeene
middelen' het bedrag van 166 gulden te vergoeden. Kenau was er
kennelijk al bij voorbaat vanuit gegaan dat ze van de stad Haarlem
niet meer terug zou krijgen dan het bedrag van 250 gulden, zijnde het
bedrag van de rentebrief aan de kapelmeester. Die kapel was, zoals
alle geestelijke goederen, na 1577 in handen van de stad gekomen ter
vergoeding van geleden oorlogsschade. Daarop, zo moet Kenau
geredeneerd hebben, kon ook zij een beroep doen, ook al was die
schuld van 250 gulden in de tussenliggende jaren allang door haar
dochters voldaan. Dat was gebeurd 'na de restauratie van de
papistenreligie', in de jaren direct na het beleg dus, toen alles in de
stad 'met rigeur ende niet met justitie toeginck', en Kenau zich buiten
de stad bevond 'onder protectie van zijne excellentie de Prins van
Oranje', zo zouden Kenau's dochters veel later zeggen om te
verklaren waarom zij zo braaf hadden betaald.
In 1579 liet Kenau een verklaring opstellen door oud-burgemeesters
Woerden van Vliet en Stuver over het door haar geleverde hout,
waarbij een mondelinge afspraak was gemaakt dat de stad haar
schuld aan de kapelmeester zou overnemen. Had Kenau gedacht dat
ze daarmee haar geld wel zou krijgen?
Waarschijnlijk wel; ze had zelfs 23 Karolus guldens aan de stad
afgestaan als haar aandeel aan de kosten die de stad moest maken
om van de Staten van Holland een schadeloosstelling voor de
Haarlemse burgerij los te krijgen, hetgeen ook was gelukt. Het bleek
een grove misrekening van Kenau: de stad weigerde haar het geld
terug te geven waarop Kenau recht meende te hebben. Het duurt tot
1586 voordat er weer een document betreffende deze kwestie is
overgeleverd. Het is een deemoedig verzoekschrift van Kenau aan de
burgemeesters, schepenen en vroedschappen van de stad Haarlem.
Ze laat zich er in dit stuk wel op voorstaan dat ze een goede patriot is
geweest, maar zegt verder niets over haar doen en laten tijdens het
beleg. Letterlijk staat er dat ze:

mede ijverlicken tegens den allen gemeenen vianden den Spanjaerden ... als
een goede patriot deser stadt Haerlem heeft helpen sustineren ende houden
totten lesten toe, dat de stadt met accoort overgegaen es aen de alle gemeene
vianden - God betert.

Verderop stelt ze dat zij bij die transactie in de veronderstelling was
geweest dat de stad ieder moment zou worden ontzet (hetwelk, God
betert, anders was gelopen), en dat zij vanwege de overgave van de
stad '... mede als andere getrouwe burgers alle haer havelycke
goederen ende dvoors haer vaderlycke stadt heeft moeten
abandonneren ende verlaten ...', en nu heeft gemerkt dat haar oude
buren wel een schadeloosstelling hebben gekregen, en zij niet.
Daarom verzoekt zij 'zeer ootmoedelycken' dat de edele heren het
gelieven, haar suppliante te gunnen om haar 250 gulden te mogen
innen. Het is een toon die we eigenlijk niet van haar gewend zijn, en
wekt des te meer bevreemding als we ons realiseren dat het hier gaat
om DE heldin van het Haarlemse beleg. Waarom moest Kenau zo op
haar knieën? En een nog prangender vraag: waarom kreeg zij niet
haar gelijk? Als beschikking op haar verzoek staat nuchter en kort in
de marge genoteerd: 'nihil'.
Kenau heeft het hier niet bij laten zitten. Zoals we van haar gewend
zijn, wendde zij zich ook in deze kwestie tot het Hof van Holland, en
opnieuw zou zij aan het langste einde trekken. Zelf zou zij echter de
financiële genoegdoening van de stad Haarlem niet meer meemaken.
Na haar dood zetten haar dochters de strijd voort, stuk op stuk
producerend om hun gelijk te bewijzen. Onder deze stukken bevond
zich niets minder dan een brief van Prins Maurits aan de Haarlemse
burgemeesters van 21 juli 1589 waarin hij hen 'van wegen de hoge
overicheyt' ordonneert het verschuldigde bedrag onmiddellijk aan de
erven van wijlen Qenou Symonsdr. te betalen, of anders de redenen
van hun weigering binnen twee weken schriftelijk aan het Hof te
verklaren. Het Haarlemse stadsbestuur zal met deze brief niet blij zijn
geweest. Uiteindelijk moest het 1596 overstag gaan en betalen, nadat
de stad in 1593 hiertoe officieel door het Hof was gesommeerd. De
gerechtigheid had lang op zich laten wachten, en het blijft de vraag
waarom? Nam men Kenau haar roem als Haarlemse heldin misschien
kwalijk? Was men afgunstig omdat zij geprofiteerd had van haar
connecties met Willem van Oranje? Nam men het haar kwalijk dat ze
de stad verlaten had en goed had geboerd terwijl de stad leed onder
het Spaanse garnizoen? Had zij wel goed geboerd? Was Kenau
misschien in slechte doen geraakt, en dwong ze daarom nog maar
weinig respect af? Of was Kenau gewoon gehaat omdat zij een inhalig
en lastig mens was, een 'ware kenau'? Er moet iets geweest zijn dat
Kenau bij haar eigen stadsbestuurders bijzonder impopulair heeft
gemaakt, maar het blijft een raadsel wat dat geweest is.

In handen van zeerovers

Kenau moet in 1588, ongeveer 62 jaar, gestorven zijn. Zij stierf in het
harnas, zij het niet in dat van kapitein Kenau die had gevochten op de
Haarlemse wallen, maar in dat van de onderneemster Kenou
Simonsdr. die handelde in hout. Bovendien waren de omstandigheden
waaronder zij stierf zo vreemd en mysterieus, dat er weer - hoe kan
het ook anders - alle aanleiding was voor een stevig juridisch gevecht,
dit keer aangegaan door haar dochters. Volgens hen was hun moeder
in handen gevallen van zeerovers. Ze wisten het zeker, want het schip
waarmee hun moeder in de zomer van 1588 was uitgevaren, hadden
ze met eigen ogen in de haven van Hoorn zien liggen. Ze spanden dan
ook onmiddellijk een zaak aan tegen de schipper die zei de eigenaar
van het schip te zijn, ene Lieven Hanss uit Denemarken.
Wat was er aan de hand? In juni 1588 was Kenau op haar eigen
schip uitgevaren naar Noorwegen om hout in te kopen. Dat weten we
zo zeker dankzij een brief van Kenau die haar dochters bij de
rechtzaak tegen de stad Haarlem inbrachten om te bewijzen dat zij
deze zaak alleen maar wilden voortzetten omdat hun moeder definitief
was verdwenen en daarom hoogstwaarschijnlijk dood was. Deze
laatste brief (die nu alleen nog in kopie is overgeleverd) had Kenau op
21 juni 1588 op Vlieland geschreven. Het is een nogal cryptische
brief, waarin onder andere staat te lezen dat zij is meegevaren omdat
haar schipper (Cornelis) zijn bemanning niet mee had gekregen uit de
herberg. Letterlijk staat er:

ick ben mede gevaren, om dat ick sache omdat sy in harbarch bleven, Cornelis
seyde conse nyet opcrygen dus veere van syn goet ende bij sijn scha.
Ges[chreven] mitter haest Maendach voor Sint Jansdage op Vlielandt int schip.


Uit de brief valt trouwens ook op te maken dat Kenau behoorlijk in
geldnood zat. Ze drukt haar dochters op het hart: neem van niemand
rente, want daar komt alleen maar ellende van, en ziet dat gij wat
binnen krijgt, want ik heb niets om van te leven dan hetgeen gij mij
meegaf, waar ik het schip mee laden zou. Het heeft er alle schijn van
dat Kenau in zeer slechte doen was geraakt. Er stonden sedert 1586
ook al geen scheepsbrieven meer op haar naam. Was de affaire van
de zomer van 1587, toen ze Geryt Thonisz. voor veel geld had
moeten vrijkopen en ongetwijfeld ook haar vracht was kwijtgeraakt,
misschien de gena 
Hasselaer, Kenau Simonsdr. (I444826)
 
174804 At least one living or private individual is linked to this note - Details withheld. Living (I434020)
 
174805 Zij kocht 13 mei 1670 deheerlijkheid Maassluis en Maasland van de staten. Zij en haar zustererfden volgens het testament van Oldebarneveld van 29 sept. 1612 velegoederen (Ned. Leeuw 1915, pag. 214). van Brederode van Wezemberg, Deliana (I246613)
 
174806 Zij komt meermalen voor als doopgetuige in de parochieregisters van Helden. Op 3.6.1633 is zij doopgetuige van Gulielmus, zoon van haar jongste broer Jan en Maria Jansen. Op 14.3.1641 is zij doopgetuige van Gulielmus, zoon van haar jongere broer Willem en Odilia (Koumans) en op 19.12. 1650 van Petronella, dochter van haar neef Maes en Cornelia Janssen. Zij was gehuwd v66r 1633 met Willem Quiten uit Kessel Eyck, schatheffer van Helden. Op een lijst voor wagen- en karrendienst in het jaar 1627, wordt hij genoemd als uitbetaler van de verschuldigde vergoedingen. van Knippenbergh, Anna (I707240)
 
174807 Zij kreeg zes kinderen volgens Huydecoper van Heemskerck, Gravin Aletta Johanna (I372144)
 
174808 Zij kregen 10 kinderen


RFN 463 
Family F65736
 
174809 Zij kregen 4 kinderen Family F65717
 
174810 Zij kregen 6 kinderen


RFN 462 
Family F65737
 
174811 Zij kregen 8 kinderen


RFN 465 
Family F65741
 
174812 Zij kregen 8 kinderen Family F65742
 
174813 Zij kregen 9 kinderen.


RFN 461 
Family F65735
 
174814 zij krijgt als bruidsschat 600 Reichsthaler en 9 morgen land 'im Tornvelde'
voor Essen, koopt 8 aug. 1558 van Hermann Moeßelers erven zijn huis in de
Bredenstrate, sticht 4 maart 1556 met haar beide zonen een Rentbrief voor de
Ausgestaltung der düsteren Metten aan de parochiekerk St. Peter te R., zij
'belastet' het grondbezit van de familie sterk 
von Bodelschwingh, Meina (I57689)
 
174815 zij kwam 26 mar 1596 met heer Walraven III van Brederode tot een accoord i.v.m. de schulden die heer Hendrik van Bredeode te haren huize had gemaakt. de Wilde, Hendrika (I246657)
 
174816 zij leefde nog in 1731 (Versl. Arch. 1924 pag. 187). Corsand de Bellecourt, Johanna Catarina Teresia (I246618)
 
174817 Zij legde zich aanvankelijk op het onderwijs toe, en deed daarvoor eenige examens, bracht daarna verscheidene jaren door in Engeland, Duitschland, Polen, België en Frankrijk, en wijdde zich sedert 1881 voornamelijk aan de letterkunde.
Zij richtte in 1882 het weekblad Lelie- en Rozeknoppen op en is thans Redactrice van het weekblad De Hollandsche Lelie. Zij schreef: In vrijen tijd, Oorspr. verhalen voor de jeugd, Amst. 1883, 10 dln.; Lucratieve betrekkingen voor vrouwen uit den beschaafden stand, Gouda, 1884; In éen dag verwelkt, Amst. 1884; De godsdienst in het onderwijs der meisjes, Rotterd. 1885; Galathea, Schiedam. 1885. Met Louise Stratenus schreef zij Dwaallichtjes, Schetsen en novellen, gevoegd bij een verzameling gedichten van haar vader, Rott. 1884; De huistiran, Amst. 1886; Een koninklijke misdaad, Arnhem, 1887, 2e dr. 1888; Toelichting hierop, 's-Gravenh. 1887; verder vele bijdragen in Duitsche en Fransche bladen, en een aantal tooneelstukjes, waarvan er eenige bekroond werden. 
Alberdingk Thijm, Catharina Louise Maria (I469334)
 
174818 Zij maakten dezelfde dag een huwelijkscontract voor notaris L.Kluit te Mijnsheerenland. Johanna
ontving in 1821 uit de nalatenschap van haar grootouders Gerrit den Ouden en Maria Saarloos een stuk land van drie bunder 138 roe, hetwelk zij in 1830 verkocht aan de weduwe
van Arie Langerak, die het al huurde (nots L.Kluit). In 1855 ontving zij nog meer uit de
nalatenschap van haar moeder.
Het echtpaar testeerde op 14 juli 1864. De boedelscheiding vond plaats op 10 november 1874.
Johanna testeerde als weduwe op 21 november 1874 en 23 juni 1880. Alles vond plaats bij
notaris J.Schuyten te Dordrecht. 
den Ouden, Johanna (I482665)
 
174819 Zij onderscheidde zich in de dagen van vervolging der hervormden en doopsgezinden, door de personen, die van ketterij verdacht werden, tijdig te waarschuwen, zoodat zij het dreigend gevaar voor hun leven ontvluchten konden. Hare wetenschap in dezen verkreeg zij van hare moeder, die van haar echtgenoot, in het geheim de Hervorming toegedaan en bewogen met de vervolgde ketters, de namen ontving van de bedreigden. Zij was gehuwd met Adam Voogd, wijnkooper van Straatsburg, die, om het lot van zoovele anderen te ontgaan, had moeten vluchten, maar na de omwenteling was teruggekeerd. van Beveren, Maria (I647283)
 
174820 Zij ontmoetten elkaar tijdens de jacht en trouwden in 1665. Na het huwelijksfeest werd de bruid ziek, lag nog bijna een jaar te bed in Emmerik en overleed in 1666. De weduwnaar is het verlies niet te boven gekomen. Hij hertrouwde nooit en besteedde de rest van zijn leven vooral aan de realisatie van een geschilderde liefdesverklaring aan zijn gestorven bruid. Family F187695
 
174821 Zij ontving in 1430 van haar broer Willem van Baeck als bruidsschat de rente uit de Bakerweerd, genoemd de Sassenweerde.
voor het laatste vermeld in 1471 
van Baeck, Aleyd (I495090)
 
174822 zij overleed na in het klooster te zijn teruggekeerd. van Abcoude, Johanna (I155381)
 
174823 zij schikt en deelt 20 april 1531 met de kinderen uit het eerste huwelijk van
haar man 
Kerkhoff, Margarethe (I57696)
 
174824 Zij schreef een aantal Franse romans en toneelstukken en gaf een levensbeschrijving van Rattazzi uit. Haar dwaze uiterlijk en belachelijk optreden in de speelzaal worden uitgebreid beschreven in het hoofdstuk `Mikrokosmos' in de Millioenen-studiën (VW V, p. 276-279). Semi-Ur geeft een `lystje van haar opschik gedurende één dag'. Zij is `over de vyftig', maar draagt laag uitgesneden japonnen, en heeft blosjes op de wangen geschilderd.
M. schrijft verder over haar:
`Mevrouw Ratazzi, Bonaparte-Wyse, prinses van Solms. Als ze Duits spreekt. noemt ze zich liever: de Solms. Dit klinkt possessiever en dynastieker, meent ze. Maar ge zoudt iets over mannen zeggen? - Nu, zó gek tooien de mannen zich toch niet op? - Meent ge? (...) Onze zottin hier... behaagt! Zeg me eens, gy man, aan wie behaagt ze? Wie laten zich betoveren door haar domme kunstjes? De mannen immers! Waar op den duur zúlke waren ter markt worden gebracht, moeten kopers zyn. 't Schepsel heeft middel weten te vinden zich tweemaal te doen trouwen. Tweemalen dus heeft 'n man zich haar om den hals laten hangen in gezelschap van al die sequinen en fladderlinten en misselyke nietigheid! (...) Tweemaal? Wél, als Ratazzi sterft, trouwt ze nogeens.' (VW V, p. 278-279)
M. haalde de gegevens voor deze beschrijving uit een, bij de handschriftfragmenten voor de Millioenen-studiën bewaard gebleven, knipsel uit een verder onbekende Duits krant. 
Marie Letitia Studhelmina (I2554)
 
174825 zij stierven beiden in 1451 aan de pest, heer Willem 8 dagen na Margaretha. van der Merwede, Margaretha (I246336)
 
174826 Zij studeerde piano en theorie bij Alex Heyblom in Rotterdam en zang bij achtereenvolgens Mevr.Ophemert-Schwencke, Mevr.Ypes-Speet en bij Cornelie van Zanten. Nadat zij op noodlottige wijze haar vader verloren had, was zij genoodzaakt een engagement bij het Hollandsch Opera-Gezelschap van Johannes de Groot (Parkschouwburg, Amsterdam) aan te gaan. Zij begon daar op 1 september 1889 als 2e dugazon - een stemtype genoemd naar Louise L.R.Dugazon, een hoge mezzosopraan - met de rol van Ines in Verdi's Il trovatore. Haar lerares Cornelie van Zanten zong de rol van Azucena, Orelio die van graaf Luna, Manrico Désiré Pauwels en Leonore werd gezongen door Rosine de Wulf. Anna Tijssen klom op tot 1e dugazon en later onder Cornelis van der Linden zong zij als jeugdig-dramatische sopraan, een overgang tussen lyrische en dramatische sopraan.
Haar belangrijkste rollen waren Hans (Hänsel und Gretel, Humperdinck) met Cato Engelen-Sewing als Grietje, Benjamin (Joseph en zijn broeders), de herdersknaap (Tannhäuser), Mignon, Elsa (Lohengrin) en Eva in Die Meistersinger.
Toen haar man, de tenor Josef (Jos) Tijssen - door haar als zanger ontdekt (!) - naar de opera in Duitsland ging, beëindigde zij haar carrière grotendeels om hem beter in de zijne te kunnen ondersteunen. Zij trad echter toch nog verscheidene malen op, o.a. als Suzanne (Figaro's Hochzeit, 1906), Blondchen (Entführung, 1906), Zerline (Don Juan, 1906), Elsa (Lohengrin, 1908) en bij de Opera-Vereeniging van J.A. van der Broecke als Ännchen (Freischütz, 1909) en als Eva (Meistersinger, 1909). 
Bremerkamp, Anna (I652601)
 
174827 zij testeerde 13 jan 1708 en overleed kort daarna. van Brederode van Cloetinge, Maria (I246507)
 
174828 Zij testeerde met haar man voor notaris A. van Gelsdorp te Grave op 30 juli 1880 Family F531
 
174829 Zij testeerden 28 Febr. 1678 voor Notaris J. Keysers van Breda te Batavia Sefermans, Aeltjen (I646511)
 
174830 zij testeert 20.10.1586 Sophia (I4607)
 
174831 Zij testeren als poorters van Schiedam op 6 december 1589 Family F283934
 
174832 Zij verdronken in volle zee, met hunne 3 jongste kinderen, na 18 Maart 1775 uit Demerary te zijn vertrokken met het schip 'Warthoven'. In Juni kwam dit bericht bij hunne familie. Family F680256
 
174833 Zij verhuisde naar Norden en nam de opvoeding op zich van haar kleinzoon Taco Hajo van der Mey, Hasia (I437440)
 
174834 Zij vermaakt in 1722 haar nalatenschap aan de kinderen van haar broer en zusters en hun nazaten. Family F204351
 
174835 zij vermittelt haar nakomelingen het recht op de Horst-Rensing'sche
Benefizium van 1688 
Schneider, Maria Josephina Henrica (I57723)
 
174836 Zij vertrekt per 14-06-1864 van Millingen naar Nijmegen. Zij vertrekt per 17-10-1872 van Millingen naar Wetten Arntz, Maria Jacoba (I492274)
 
174837 At least one living or private individual is linked to this note - Details withheld. Family F300633
 
174838 Zij was actief in de kaashandel op Kampen en Deventer (GA Hoorn, NA, inv.nr. 2052 (fol. 78, 1 3.10.1592); FA TvB, inv.nr. 1819, 14). Berckhout, Lysbeth (I383235)
 
174839 Zij was een bekend kunstschilderes en vervaardigde verschillende portretten. Zo portretteerde zij onder andere haar ouders en grootouders en maakte vaak ook kinderportretten. In 1840 werden werken van haar hand in Amsterdam tentoongesteld. Andere tentoonstellingen volgden in 1841, 1842 en 1847 in Den Haag. Fanny Enthoven was lid van de kunstenaarvereniging 'Kunst zij ons Doel' in Haarlem. Enthoven, Fanny (I582461)
 
174840 Zij was een kleine magere vrouw, met een blind oog (leukoom), een lief hartelijk mensch, die steeds in huis moest blijven omdat zij lijdende was aan 't toenmalige crux medicorum, een groot ulcus cruris, waarvoor Oom Hellegers haar behandelde, tante Mietje (zie hiervoor) leefde met haar en verpleegde haar.
Rotterdam, ZH, NL 
Kroesen, Gertruda Agnes (I9330)
 
174841 Zij was een stiefzuster van haar man. van Scherpenhof, Catharina (I11198)
 
174842 Zij was een vriendin van Cats, aan wien zij een aardig lofdicht zond, recht op St. Jacobsdag. Hij nam dit vers op in zijn Mengeldichten, en het antwoord er bij. Mr. Johan van Someren schreef bij haar overlijden een roerenden lijkzang (Uitsp. der Vern., blz. 159). Maria de Witt schreef ook latijnsche gedichten. de Wit, Maria Thomasdochter (I641835)
 
174843 Zij was eerst gehuwd met Gherijt Boeyen Ywein Heyenz., die al weduwnaar was, en hierna opnieuw met Willem Pijn, weduwnaar van Aechte Claes Voppendochter, schepen te Delft in 1365, 1366, 1375 en 1382 Rickarde Visschersdr. (I459748)
 
174844 Zij was grootmeesteres zowel onder koningin Wilhelmina als onder koningin Juliana.
Nadat in 1927 Jacob W.G. Boreel naar Overveen verhuisd was, werd Waterland niet meer permanent bewoond.
In de dertiger jaren was het nog enige tijd museum. In de oorlog werd het door de bezetter gebruikt.
In 1945 werd Waterland in gebruik genomen door het Centraal Bureau Oorlogsslechtoffers, als sanatorium voor tbc-patiënten.
Rond 1948 werden enkele oude stallen en ook de orangerie gesloopt.
In 1949 nam de Stichting Het Vinkennest het huis in gebruik voor de opvoeding van kinderen uit sociaal zwakkere milieu's.
Na het overlijden van zijn moeder werd in 1957 Frederik Christiaan Hendrik baron van Tuyll van Serooskerken de nieuwe bezitter van Waterland. 
Boreel, Jkvr. Cornelie Marie (I165705)
 
174845 Zij was niet van adel, waardoor haar kinderen dat ook niet meer waren en zij zich voortaan Haack van der Goes moesten noemen.
Als straf werd hij door zijn vader naar Indië ?verbannen?. 
Family F1305686
 
174846 zij was onmondig 1586 en 1596. van Riemsdijck, Catharina (I246689)
 
174847 Zij was stiftsjuffer en kerkmeesteres Bedburg (5 km ZO van Kleve) in de jaren 1496, 1519 en 1529. (Archiv HRA collectie Snoukaert van Schauburg, inv.nr. 2475; Collectie van Spaen, inv. nr. 107, 403) van Knippenberg, Aleyd (I707294)
 
174848 zij was weduwe van Boering en bracht 3 zoons (van 21, 13 en 4 jaar) mee in haar tweede huwelijk Engel, Lijsje (I163304)
 
174849 zij werd 1615 getocht, testeerde 1660. Vonck van Brakel, Geertruid (I246516)
 
174850 zij werd 28 apr 1595 vermeld. van Wees, Cornelia (I246381)
 

      «Prev «1 ... 3493 3494 3495 3496 3497 3498 3499 3500 3501 ... 3508» Next»

Home Page |  What's New |  Most Wanted |  Surnames |  Photos |  Histories |  Documents |  Cemeteries |  Places |  Dates |  Reports |  Sources